Wolfgang hilbig het surreeel bestaande socialisme

Een gesprek met de schrijver van ‘Ik’. Uit het Duits vertaald door Gerrit Bussink, uitgeverij Goossens-Manteau, 335 blz., f47,50
OM HET EVEN onder welke schuilnamen hij in de toekomst door het leven gaat, de spion uit de roman ‘Ik’ van de Duitse schrijver Wolfgang Hilbig (1941), is gedoemd om een verloren ‘held’ te blijven. Zoals de aanhalingtekens in de titel aanduiden gaat het om een ironische ‘ik’, die in de loop van het verhaal provisorisch blijft, een soort menselijk fluidum, een rookpluim die zich beweegt in de richting waarin hij door zijn omgeving wordt geblazen. ‘Cambert’ is de voorlopige schuilnaam van de schrijvende en dichtende Stasi-informant die geen onderscheid kan maken tussen zijn schaarse literaire creaties en zijn rapporten voor de geheime dienst van een land waarin de lezer de DDR wel moet herkennen. Cambert slijt een leven in kouwelijke flats, in vochtige kelders en bedompte kroegen en krochten, zich volgietend met drank en zich overgevend aan een schrale, ongeinspireerde seksualiteit. Tot echte gevoelens is de contactschuwe verklikker allang niet meer in staat. Hij is nooit meer geweest dan de schaduw van de mensen aan wie hij zich ‘hecht’.

Is ‘Ik’ een Stasi-roman of een boek over een ongelukkig individu dat door de omstandigheden wordt meegesleurd in het net van de geheime dienst?
Wolfgang Hilbig: ’ “Ik” is geen Stasi-roman, want daarvoor heb ik onvoldoende benul van de materie. De Stasi die ik in mijn roman beschrijf, is een uitgevonden geheime dienst. Mij ging het eigenlijk om het beschrijven van de verwarring in een staat waarvoor ik de DDR als model heb gekozen. Ik wou een systeem beschrijven waarin wetteloosheid en rechteloosheid heersten, waarin niemand wist wat recht en krom was, wat wel en wat niet door de beugel kon. Ik denk dat de Stasi het zelf niet wist. Ze had geen publieke documenten waarin haar voorschriften, reglementen en beperkingen stonden. Het was de wensdroom van de Stasi dat er geen geheimen meer zouden zijn in de DDR. Maar die droom kon niet worden gerealiseerd.
Als ik in mijn roman de indruk wek dat het web van de Stasi een veel grotere groep informanten omsloot dan in de werkelijkheid het geval was, dan moet je er wel rekening mee houden dat “Ik” een produkt van de fantasie is. Het is een boek over de identiteitscrisis, meer nog, over de identiteitsvernietiging van de hoofdpersoon. Ik geloof dat Cambert al een vernielde identiteit had voor hij medewerker van de Stasi werd.’
Zou je zelfs kunnen beweren dat de Stasi een soort plaatsvervangende vaderfiguur voor Cambert is geworden?
'Dat is zo. En ik denk dat het er in de werkelijkheid ook zo aan toeging dat de Stasi zich daarvan bewust was. De Stasi gedroeg zich “vaderlijk” omdat dit de beste methode was om medewerkers te ronselen. Die medewerkers moesten als het ware heel hun persoonlijkheid afleveren, en niet alleen maar hun rapporten. In de ogen van de geheime dienst is de ideale informant een individu dat als het ware door hen kan worden uitgevonden en gecreeerd. Bij voorkeur werden mensen aangeworven die uit een weeshuis kwamen, die hun ouders niet hadden gekend en die niet wisten hoe ze in dat opvangtehuis beland waren. Het waren gedeformeerde mensen, die ietwat gestoord waren. Ze boden ook het voordeel dat je ze gemakkelijk een nieuwe identiteit kon aansmeren.’
IN 'IK’ WORDT wel een heel ander beeld van de Stasi opgevoerd dan hetgeen we uit de massamedia en de Duitse pers kennen.
'De media hebben dat onderwerp voortdurend van de morele kant benaderd, terwijl mijn roman zich daar niets van aantrekt. In mijn boek wordt alleen maar beschreven, en niemand krijgt een schuld toegewezen. Zeker, de werkelijkheid van de Stasi was veel banaler dan het beeld dat de westerse media of de spionageliteratuur ervan hebben opgehangen. De realiteit van de geheime dienst levert feitelijk geen stof voor een roman, behoudens misschien een heel korte periode in de Koude Oorlog, waarover John le Carre heeft geschreven. De Stasi was een taaie en droge brij die zich met het opsporen, observeren en rapporteren van de grootste banaliteiten heeft beziggehouden.’ Om uw boek te kunnen schrijven hebt u een beroep gedaan op de verklikkers 'Maximilian’ en 'Gerhard’, schrijft u in de verantwoording achteraan…
'Het is een boek over de samenhang tussen literatuur en verklikken. De auteur die in “Ik” een medewerker van de Stasi is, vermengt zijn literaire bedrijvigheid met die van de rapporteur, die immers ook aantekeningen maakt. Hij infiltreert in het milieu van de Oostberlijnse kunstenaarswijk Prenzlauer Berg. In de DDR maakte het observeren van schrijvers deel uit van de ideologische opdrachten van de Stasi. De repressie van de geheime dienst was er niet zo scherp als tegen de mensen die over de grens wilden.’
De verklikker Cambert is een rusteloze man die nergens en nooit vrede vindt met zichzelf, zijn hele bestaan beschouwt hij als iets voorlopigs, als een voorspel…
'Ik geloof dat heel de DDR in die situatie verkeerde. Achter haar muur was de DDR een gesloten maatschappij. De mensen hebben altijd gewacht tot er een ogenblik zou komen dat ze zich uit die situatie konden bevrijden. Het doel van het leven van een DDR-burger bestond er eigenlijk alleen maar uit de grens die de staat getrokken had te overschrijden. Is dat niet verschrikkelijk pover, als de zin van het leven daartoe wordt gereduceerd? Camberts rusteloosheid is daarom een beweging binnen een stilstand. Hij is een soort nomade, met dat verschil dat een nomade zijn woestijn nog altijd kan verlaten als hij daar zin in heeft.
Ook de tijd staat in zekere zin stil voor Cambert. De klok in het Oostberlijnse station Friedrichstrase is door de duiven ondergescheten. Dat is een beeld van onbeweeglijkheid, van stilstand en dood. “Ik” is een boek dat de sfeer uitademt van Becketts oeuvre. Op de eerste bladzijden wordt trouwens al naar Beckett verwezen.’
WAS DE literatuur uit de Oostberlijnse cult-wijk Prenzlauer Berg achteraf beschouwd minder belangrijk dan men in de jaren tachtig in het Westen aannam?
'Ik geloof dat het belang van de literaire scene van de Prenzlauer Berg in het Westen verheven werd tot iets wat nooit bestaan heeft, tot iets mythisch. Maar schrijvers zijn individualisten. Volgens mij zijn de schrijvers van de Prenzlauer Berg door de west-Duitse media op tamelijk willekeurige wijze tot een groep gebombardeerd. Maar evenzeer ontken ik dat de schrijvers van Prenzlauer Berg geen belang hebben. Integendeel, auteurs als Papenfuss en Endler betekenen echt heel wat voor mij.’
In het Westen denkt men gemakshalve dat alle schrijvers van de Prenzlauer Berg voor de Stasi hebben gewerkt. Ik denk aan de dichter Sascha Anderson, die ook een Stasi-informant is geweest…
'Behalve Anderson was er nog een dichter die voor de Stasi werkte. Bij elkaar waren het er dus niet meer dan twee. Het bevalt me trouwens niet als iemand zegt dat de gedichten van Anderson het resultaat zijn van zijn Stasi-activiteiten. Vermoedelijk is het allemaal veel gecompliceerder. Ik mag de rechten van de kritiek niet beperken. Maar ik vind het wel bedenkelijk dat veel Westduitse critici niet eens een poging ondernemen om de zaak van binnenuit te bekijken. Ze zouden met hun oordeel veel voorzichtiger moeten zijn.’
Wanneer begon u te overwegen om de geheime dienst een belangrijke rol in uw boek te laten spelen?
'Dat weet ik niet meer precies. De Stasi was taboe als literair thema in de DDR. En zoiets prikkelt een schrijver natuurlijk. Maar toen na de val van de Muur auteurs als informanten van de Stasi werden ontmaskerd, begon het me opnieuw te interesseren. “Ik” was eerst als een verhaal van een twintigtal bladzijden geconcipieerd. Later, toen ik het begon om te werken, groeide het uit tot het dikke boek dat het geworden is en waaraan ik niettemin slechts tien maanden heb geschreven. Maar ik had geen duidelijk omlijnd plan voor ogen toen ik begon te schrijven. Ik wou een beetje in het donker ploeteren, net zoals de hoofdpersoon Cambert dat doet.’
Kunt u zichzelf voorstellen in de rol van een verklikker?
'Natuurlijk, anders had ik dit boek nooit kunnen schrijven. Ik moest in de huid van Cambert kruipen om te weten wat er in zijn hoofd allemaal omging. Nog meer dan mijn andere boeken is “Ik” in die zin ook een doorgedreven simulatieoefening geworden. Hoe het er in de werkelijkheid zou hebben uitgezien, weet ik niet. Ik denk dat ik, als ik informant had kunnen worden, het zeker niet lang had kunnen zijn. Ik ben ervan overtuigd dat ik binnen de kortste tijd met de “Firma” in conflict geraakt zou zijn.’
U hebt niet het reele maar het surreele socialisme beschreven, noteerde de Neue Zurcher Zeitung. Kunt u zich in zo'n omschrijving herkennen?
'Voor mij was het DDR-socialisme een gesimuleerd socialisme. Het was een systeem dat alleen nog het taalgebruik van het socialisme hanteerde, en dat in steeds grotere, uitgeholde leuzen. Ik ben er overigens van overtuigd dat het geen toeval is dat een Franse structuralist als Baudrillard zoveel succes had bij de schrijvers van de Prenzlauer Berg. Mij is het ook niet helemaal duidelijk, maar er moet een verband bestaan tussen enerzijds de DDR als gesimuleerde staat en anderzijds de simulatietheorieen van Baudrillard en de Franse structuralisten. Dat kan geen toeval zijn. Al vermoed ik dat ze ook mode waren geworden omdat ze volstrekt onideologisch en niet-geengageerd waren.’