30 augustus 1919 - 21 maart 2010

Wolfgang Wagner

Hij moest in Bayreuth het heiligdom ter ere van zijn Grote Grootvader demystificeren én bewaken, en een publiek pousseren én vermanen. Ondertussen bleef een stoet familieleden terecht of onterecht aan de poten van zijn stoel zagen.

Wolfgang Wagner, die afgelopen weekeinde op negentigjarige leeftijd overleed, had met zijn grootvader Richard tenminste de lange adem gemeen. Van 1951 tot 2008 - tot 1966 met zijn broer Wieland, daarna als alleenheerser - bestierde hij de wereldberoemde Festspiele in de Beierse provinciestad Bayreuth. Zijn eeuwige verdienste was dat hij samen met Wieland het voormalige nazi-bolwerk van bruine smetten ontdeed en het, door het aantrekken van gastregisseurs als Götz Friedrich en Patrice Chereau, binnen zekere grenzen tot een podium voor theatrale vernieuwing maakte. Zijn kwaliteiten als Festspielleiter stonden boven discussie. Bayreuth werd mede dankzij hem een van de meest begerenswaardige cultuurcentra op aarde.
Afscheid nemen viel de machtmens Wolfgang Wagner daarentegen zwaar, al was het ongetwijfeld niet alleen uit ijdelheid dat hij de graal bewaakte tot de rand van het graf. De strijd om zijn opvolging was hardnekkig en onverkwikkelijk, een permanente bedreiging voor het familie-imperium dat Bayreuth wonder boven wonder is gebleven.
In deze dekselse dynastie vermoordde sinds 1945 elke generatie de vorige. Zoals Wolfgang en Wieland afstand namen van hun met Hitler sympathiserende moeder Winifred werd Wolfgang op zijn beurt bestreden door politiek correcte nazaten als zijn zoon Gottfried en Wielands dochter Nike.
Wat al het moddergooien navoelbaar maakt is de onontkoombare kern van het familietrauma: de onbestuurbaar geworden schaamte over vroeger. De schade die Wagners weduwe, kinderen en secondanten Wagners ideeënwereld en de Duitse cultuur hebben berokkend was immens. Wat Wolfgang ook kan worden nagedragen, niet dat hij blind is geweest voor dit schijnbaar onherstelbare.
Met zijn broer Wieland en zijn zusters Friedelind en Verena groeit hij op in een totaal verknipt milieu waar Wagner god, Hitler zijn afgezant op aarde en de jood het absolute kwaad is. Wagners weduwe Cosima heeft Bayreuth herschapen tot een centrum van rechts-radicaal nationalisme, dat Wagners muziekdrama’s in berenvellenstijl celebreert als schouwplaatsen van zuiver germanendom. Bij zijn eerste bezoek aan Bayreuth in oktober 1923 maakt Hitler meteen diepe indruk op Wolfgangs vader Siegfried en zijn Britse echtgenote Winifred. Om zijn mislukte Putsch van november 1923 worden in de Wagner-villa Wahnfried bittere tranen vergoten. Het papier voor het manuscript van Mein Kampf wordt geleverd door de Wagners. De wagneriaan Hitler schopt het tot huisvriend. Van 1936 tot 1939 logeert hij jaarlijks in het gastverblijf van de familie Wagner. De kinderen noemen hem oom Wolf. In familiekring laat oom zich van zijn beste kant zien.
Wolfgang Wagner staat erbij en kijkt ernaar. Zijn autobiografie Lebensakte (1994) begint met een diepe zucht: zijn levensverhaal ‘war der sprichwörtliche “Gang zu den Müttern” im weitesten Sinne. Das vorhandene Material schien von ungeheuren Dimensionen.’ Zeg dat.
Wolfgang gaat in dienst, waar hij zwaargewond raakt; Hitler bezoekt hem in het ziekenhuis. Hij doorstaat de oorlog als duvelstoejager en regie-assistent in Berlijn, waar hij in 1944 als regisseur debuteert met Siegfried Wagners opera Bruder Lustig, vanwege barre tijden tactvol tot Andreasnacht herdoopt. Hij blijft relatief onbesmet. Lid van de nsdap wordt hij nooit.
Als hij en broer Wieland in het verwoeste Duitsland van na 1945 opnieuw beginnen, doen ze dat, schrijft Wolfgang, met een nobel doel voor ogen: het oeuvre van Richard Wagner te ontdoen van historische misvattingen en 'die Werke unbefangen und vorbehaltlos einer kritischen Analyse zu unterziehen, sie in ihrer musikalischen, inhaltlichen und dramaturgischen Struktur dahingehend zu prüfen, ob und wie das Gesamtkunstwerk, das Richard Wagner vorgeschwebt hatte, in seiner geistigen Universalität zur Erscheinung zu bringen ware’. Inzet zijn de 'onthulling van Wagners humane kern’ en de afrekening met Cosima’s extatische orthodoxie. 'Hoe bewonderenswaardig haar inspanningen voor de voortzetting van de Festspiele en de opbouw van het Festspiel-repertoire ook mogen zijn geweest, zo fataal was haar keuze voor nationalistische ideologisering voor de toekomst van Bayreuth.’
Met die hypotheek maken de broers korte metten. In hun eerste enscenering van het Bühnenweihfestspiel Parsifal wijkt het Anton Pieck-achtige naturalisme van de nazi-jaren voor een milde vorm van nieuwe zakelijkheid. Het toneel is bijna kaal; in Klingsors bloementuin geen bloemen. Symbolistische soberheid is troef in Neu-Bayreuth. Bloch en Adorno zijn de nieuwe huisideologen, mannen met deels zeer kritische opvattingen over Wagner. De conservatieve Wagner-elite, die het al snel weer net als vroeger wil, klimt regelmatig in de gordijnen. Maar zo willen de broers het, tot verdriet van moeder Winifred, die tandenknarsend gadeslaat hoe haar rebelse zoons de erfenis vergooien.
De autobiograaf Wolfgang Wagner maakt op de lezer geen onverdeeld aangename indruk. Hij verhaalt met de cynische nurksheid van de onbegrepene die zijn leven lang is achtervolgd door 'Klischeevorstellungen, Vorurteilen, halben Wahrheiten oder ganzen Lügen’ van - vul maar in - verwanten, onbetrouwbare musici, hysterische regisseurs en een roddelende pers. Maar wie zou niet paranoïde zijn geworden van Bayreuth? Deze Wagner zweefde machtig maar ontworteld tussen wal en schip. Hij moest van een kerk een goedlopend theater maken en een beeldenstorm verkopen als historische noodzaak. Hij moest een heiligdom demystificeren én bewaken, commerciële belangen dienen én bestrijden en een publiek pousseren én vermanen, terwijl een stoet familieleden terecht of onterecht aan de poten van zijn stoel bleef zagen. Ik kan me voorstellen dat zijn laatste adem een zucht van verlichting was.