Wolkenkrabber van boeken

Halverwege de jaren zestig was The New York Review of Books een van de eerste Amerikaanse bladen die zich kritisch uitlieten over de oorlog in Vietnam. In de jaren erna verwierf het blad naam en faam als de steen waaraan de linkse liberale elite zich kon scherpen. Maar is de Review aan het einde van de jaren negentig nog altijd hÇt blad van de ‘radical chic’? ..LE De New York Review of Books heeft het complete eerste nummer op Internet gezet. Binnen twee jaar zullen ook alle andere artikelen op de eigen website te vinden zijn: nybooks.com. Een aantal opvallende essays werden gebundeld in het boek The First Anthology: 30 Years of The New York Review of Books (1993). ..LE BOEKEN, OVERAL boeken en tijdschriften. Ze liggen op de grond, of staan ergens opgestapeld. Op het bureau van Bob Silvers, redacteur van The New York Review of Books, zijn de stapels nog hoger dan op de bureaus van zijn assistenten. Als Silvers opstaat om de bezoeker een hand te geven en daarbij even tegen zijn bureau stoot, wankelt het papieren mini-Manhattan, maar het blijft overeind. Hij werpt er even een onverschillige blik op. ‘Ja, boeken vallen hier voortdurend om.’

Robert B. Silvers (68). Sinds september 1963, toen The New York Review of Books ontstond, is hij, samen met collega-redacteur Barbara Epstein, de motor achter het blad. Sterker nog, het toonaangevende blad als het gaat om literatuur, politiek, kunst en filosofie, de richtingwijzer voor hoog opgeleide Amerikanen, door de New York Times weleens spottend de ‘bijbel van intellectueel Manhattan’ genoemd, ademt vooral Silvers’ persoonlijke interesse en geest. Een toegewijde monnik wordt hij genoemd, een maniakale workaholic, een obsessieve perfectionist. Een man met een bijna fotografisch geheugen en een scherp oog voor discussies die essentieel zijn voor de Amerikaanse en internationale gemeenschap.
Zelf heeft hij in al die bijna 35 jaar nooit in de Review geschreven. Geen letter. Niet dat hij niet kan schrijven. Het typeert hem dat hij zijn stilistische capaciteiten voor de Review niet goed genoeg vindt. Silvers: 'Als eindredacteur werk ik met schrijvers. Ik probeer de beste te krijgen en ervoor te zorgen dat ze duidelijk, helder en begrijpelijk schrijven over de meest interessante boeken die uitkomen. Dat is mijn taak en die is moeilijk genoeg.’
TOT DE BIJNA tweehonderd vaste auteurs behoren Joan Didion, John Updike, Ian Buruma, V.S. Naipaul, Timothy Garton Ash en Susan Sontag. Edmund Wilson, V.S. Pritchett, W.H. Auden, William Styron, Norman Mailer, Milan Kundera en Truman Capote schreven voor de Review. Vaclav Havel publiceerde vanuit zijn gevangenis in Tsjechoslowakije en stuurt als president nog altijd bijdragen, Nadime Gordimer en bisschop Desmond Tutu schreven over apartheid in Zuid-Afrika. Er waren artikelen van Russische dissidenten als Andrej Sacharov.
In een tijdperk van almaar voortschrijdende specialisatie slaagt The Review er steeds in opmerkelijke, diepgravende artikelen te publiceren over de meest uiteenlopende onderwerpen. Van de financi‰le crisis in Azi‰ tot de internationale handel in organen, van de nieuwe verfilming van Nabokovs Lolita tot de val van Srebrenica. 'We zoeken altijd naar mensen met iets extra’s’, verklaart Silvers. 'We proberen de schrijvers te krijgen die we bewonderen. Mensen met een grote verbeeldingskracht en een scherpe pen, schrijvers met een speciale antenne voor de grote morele vragen van deze tijd. Er is een boekenbijlage van de New York Times, er is de Washington Post, er is Harper’s Magazine. Wij moeten ons onderscheiden. Anders hebben we geen reden voor bestaan.’
Het zoeken naar 'mensen met iets extra’s’ gebeurt uitputtend. Een van Silvers’ vier assistenten is bijna permanent bezig met het vinden van geschikte wetenschappers, journalisten of schrijvers. Eerdere publicaties worden opgespoord en becommentarieerd, en vaak gaat het dan toch nog mis en moet een bijdrage worden geweigerd omdat een auteur er niet in slaagt de materie helder te analyseren. 'Vreselijk is dat’, vindt Silvers. 'Niet alleen voor ons, ook voor de schrijvers zelf. Het is een groot verlies van tijd. We betalen ze dan keurig en sturen de bijdrage terug.’
Het idee ontstond op een zondag in 1963 in Manhattan. Het was in het huis van Jason en Barbara Epstein tijdens een etentje met hun buren, de dichter Robert Lowell en diens vrouw, de essayiste en journaliste Elizabeth Hardwick. Een zondag waarop vanwege een grote staking geen enkele krant was verschenen. Jason Epstein, toen en ook nu nog uitgever bij Random House, sprak zijn tevredenheid uit over de New York Times-loze zondag. En hij zei vervolgens vooral blij te zijn dat hij de boekenbijlage van de New York Times niet door hoefde te nemen. 'Die boekenbijlage was destijds vreselijk’, zegt Epstein. 'Het stelde niks voor. Oppervlakkig geklets, korte verhalen zonder enige diepgang. We praatten door over het opzetten van een eigen bijlage, zoals vrienden kunnen fantaseren tijdens een diner met een glas wijn erbij. Maar de maandag erna waren we nog steeds enthousiast.’
Zelf kon Jason Epstein de cruciale functie van redacteur niet vervullen. Zijn baan bij Random House zou hem verdacht maken. Hij dacht meteen aan Silvers, maar vroeg aanvankelijk iemand anders. 'Silvers had een goede baan bij Harper’s Magazine. We dachten dat hij het nooit zou doen. Gelukkig haakte de man die ik eerst vroeg af. Hij zou ook een absolute ramp zijn geweest, ik heb ook nooit meer iets over hem gehoord. Toen heb ik alsnog Silvers gebeld.’
Silvers had voor een speciaal literair nummer van Harper’s in 1959 aan Elizabeth Hardwick gevraagd een artikel te schrijven over het niveau van boekbesprekingen in de Verenigde Staten. Hij onderschreef haar wrange conclusie dat de boekbesprekingen nauwelijks iets voorstelden en dat het een schande was dat er in Amerika geen enkel magazine was dat boeken serieus nam. 'Ik heb geprobeerd een nieuwe boekenbijlage bij Harper’s uit te brengen, maar de uitgever zag er niets in. Toen Epstein me vroeg voor het blad, kreeg ik van mijn werkgever twee maanden onbetaald verlof en ben begonnen.’
Instinctief voelden de Epsteins en Silvers dat de krantenstaking, die uiteindelijk bijna drie maanden zou duren, de kans bood om zonder grote investeringen een nieuw periodiek op te zetten zoals zij dat wilden. Een magazine waarbij schrijvers en denkers van naam zich thuis zouden voelen. Een blad dat serieuze onderwerpen op een serieuze wijze zou behandelen.
EEN MIDDAG LANG discussieerden Silvers en Barbara Epstein over de boeken van dat moment en welke auteurs geschikt zouden zijn om de verhalen voor het eerste nummer te maken. Silvers: 'We stuurden boeken op, deden er een brief bij of belden op om uit te leggen wat we wilden. Vrijwel iedereen wilde meewerken.’
Dat eerste nummer bevatte onder meer een kritisch verhaal van de radicale journalist Dwight McDonald over The Politics of Hope van Arthur Schlesinger, een vooraanstaand historicus in die tijd. Mary McCarthy schreef over Naked Lunch van William Burroughs, en onder anderen Gore Vidal, William Styron, Susan Sontag en Elizabeth Hardwick leverden bijdragen.
Er werden honderdduizend exemplaren gedrukt en in pakketten van vijftig verstuurd aan boekhandels en universiteiten met het verzoek het geld van verkochte kranten terug te sturen naar de Review. Het eerste nummer was meteen een succes. Vrijwel alle exemplaren werden verkocht en de Review kreeg tweeduizend brieven met steunbetuigingen en aanbiedingen om voor het blad te schrijven.
Er kwam een tweede nummer, met daarin onder meer een interview met Edmund Wilson. De initiatiefnemers gingen aan de slag om geldschieters te vinden voor een tweewekelijks periodiek. Dat lukte in een constructie waarin de Epsteins en Silvers de volledige zeggenschap hielden over de inhoud. 'Heel belangrijk’, zegt Silvers. 'Alleen Barbara, Jason en ik hadden stemrecht over de inhoud. De andere geldschieters niet. Dat gaf ons de kans onafhankelijk van alles en iedereen te werken. Dat kwam vooral van pas tijdens de jaren van de Vietnamoorlog toen iedereen zich met de inhoud wilde bemoeien.’
'KOM EENS MEE’, zegt Raymond Shapiro. Moeizaam beent hij vooruit naar een klein kamertje achteraf, gedomineerd door een stalen archiefladenkast. De 72-jarige Shapiro is sinds 1965 businessmanager van de Review. 'Nu werken hier 37 mensen. Toen ik begon waren we nog met zijn zevenen. Het bijhouden van het archief behoorde destijds ook tot mijn taken.’
Hij trekt een aantal bruine enveloppen uit de laden. De eerste tekeningen die David Levine voor de Review maakte. 'Johnson alleen’, 'Johnson met anderen’, 'Nixon alleen’, 'Nixon met anderen’. Shapiro spreidt de tekeningen uit over de tafel. Levines grimmige, scherpe karikaturen van de presidenten die de Verenigde Staten diep meezogen in de oorlog in Vietnam, werden wereldwijd bekend. De hypocrisie van L.B. Johnson die krokodillentranen huilt, of als Pinokkio met een neus die langer en langer wordt bij elke leugen die hij vertelt. De onbeschaamde machtswellust van Richard Nixon als The Godfather, of als Marat in een met bloed gevulde badkuip, trachtend zich schoon te wassen. Als geen ander wist Levine de karakters te treffen.
Het zijn tekeningen uit de jaren waarin de Review de bijnaam 'The New York Review of Vietnam’ kreeg. Als een van de eersten in de Verenigde Staten liet het blad zich kritisch en sceptisch uit over de groeiende bemoeienissen van de Amerikaanse overheid in het Aziatische land. In 1965 verschenen de eerste verhalen, geschreven door I.F. Stone. Later bombardeerde de Franse journalist Jean Lacoutre, correspondent van Le Monde, de lezers met doorwrochte analyses van de achtergronden van de gebeurtenissen.
En er kwamen anderen. Noam Chomsky bijvoorbeeld, die in 1966 schreef over 'De verantwoordelijkheid van intellectuelen’. Het was een van de eerste politieke bijdragen van Chomsky, toentertijd al een vooraanstaand wetenschapper in de linguãstiek. Intellectuelen moeten in kwesties als Vietnam hun verantwoordelijkheden niet uit de weg gaan en protesteren, betoogde Chomsky. In het volgende nummer kreeg hij meteen antwoord van collega-wetenschapper George Steiner: 'Wat moeten we dan doen? Massaal ontslag nemen?’ De Review zond ook de journaliste Mary McCarthy naar Vietnam, die lange en persoonlijke sfeerreportages vanuit Hanoi en Saigon schreef.
DE KRITISCHE WIJZE waarop het blad de oorlog volgde en de vaak controversi‰le artikelen leidden zelfs tot gemor onder de aandeelhouders. Sommigen protesteerden tegen wat ze 'een anti-Amerikaanse houding’ van de Review noemden. Ook voor Shapiro ging het destijds af en toe ook wel eens te ver. 'We waren kritisch, zeker, maar altijd respectvol kritisch. Op het laatst echter sloegen sommigen zoals McCarthy weleens door. In plaats van tegen de oorlog te zijn, gingen ze sympathiseren met Noord-Vietnam. Zonder te zien dat het bewind daar trekjes van een stalinistische tirannie met de bijbehorende wreedheden vertoonde.’
De discussies zetten door en beperkten zich niet tot de kolommen van de Review. De bommen die Johnson liet afwerpen boven Vietnam, explodeerden in eigen land. Overal groeide het protest. Niet alleen tegen de oorlog, maar ook tegen rassendiscriminatie, tegen politiegeweld en tegen het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten in Zuid-Amerika. Toen de Review in 1967 een artikel van Tom Hayden publiceerde over hevige, dagen durende rassenrellen in Newark, werd op de cover een tekening afgebeeld met instructies voor het maken van een molotovcocktail. Voor de journalist en schrijver Tom Wolfe was dat de aanleiding om de Review te betitelen als 'het leidende theoretische geschrift van de radical chic’.
De berichtgeving over de Vietnamoorlog en de veranderingen in de Amerikaanse samenleving gaven de New York Review zijn faam als opinievormer, als het blad dat de overtuiging en het engagement van een linkse liberale elite beschreef en soms voorschreef. 'Het was uitgesloten dat je je in die woelige jaren, die periode van diepe gouvernementele crisis op alle gebied, over cultuur kon schrijven zonder je te engageren. Afstand houden was onmogelijk’, zegt Silvers.
Shapiro deelt die overtuiging. 'Als we alleen maar een literair magazine waren geweest, hadden we het nooit gered.’
IN 1984 VERKOCHTEN Silvers, Barbara en Jason Epstein en de andere twaalf aandeelhouders het blad aan uitgever Rea Hederman. Maar ook toen wisten Silvers en Epstein af te dwingen dat ze de volledige vrijheid kregen af te drukken wat zij vonden dat goed is. Hederman had geen problemen met die voorwaarden. Integendeel. 'De Review was een onfhankelijk blad dat ik zeer bewonderde en ik wilde ook dat het zou blijven zoals het was’, zegt hij. 'Ik had in Jackson, Mississipi jaren een krant uitgegeven en wat me daaraan juist niet beviel was dat je dagelijks zoveel bemoeienis met de inhoud van de krant had.’
Aanvankelijk wilden de aandeelhouders het blad niet verkopen. Maar Hederman hield aan en uiteindelijk, na ruim een jaar te hebben onderhandeld, kocht hij de Review voor meer dan vijf miljoen dollar. Volgens Hederman is de Review altijd winstgevend geweest, zonder overigens grote winstmarges te boeken. Het blad heeft een vaste, loyale groep abonnees, het aantal schommelt al tientallen jaren rond de 120.000. Onder Hederman is het aantal weer wat gegroeid - toen hij het blad kocht waren 105.000 mensen abonnee. Tachtig procent van de lezers bevindt zich rond de universiteitssteden Boston en New York aan de oostkust en Los Angeles en San Francisco aan de westkust.
Een bron van toenemende zorg is de vergrijzing. De gemiddelde leeftijd van de lezers is de laatste tien jaar gestegen van 49 naar 52. Maar de betrokkenheid is nog altijd opvallend groot. Review-abonnees, hoogopgeleid en invloedrijk, zijn zware lezers, die gemiddeld vier van de vaak pagina’s lange verhalen geheel uitlezen. Tachtig procent van de lezers rekent het blad tot de top-drie van de publicaties die ze lezen. Er is in al die jaren ook nauwelijks gesleuteld aan de redactionele formule. Nog altijd wordt het blad goedkoop geproduceerd, met nauwelijks illustraties en een uiterst sobere voorkant, die meestal niet meer vermeldt dan de naam van de schrijver en het onderwerp.
NOG ALTIJD WORDT weinig tot niets gedaan om nieuwe abonnees te werven. Plannen om de Review te moderniseren zijn er niet.
Hederman: 'Het heeft voor ons geen enkele zin om een glossy cover te maken. Misschien dat wel meer mensen het blad kopen, maar de grote vraag blijft of ze dat een volgende keer nog zullen doen. We zouden uiteindelijk meer geld kwijt zijn dan dat het opbrengt. We zijn tevreden met een klein segment van de markt. Het is heel eenvoudig iets af te breken, maar het kost jaren om het weer op te bouwen.’
De Review wordt ook buiten de Verenigde Staten gelezen. Hederman zegt dat 25.000 niet-Amerikanen de Review lezen, waarvan twaalf- tot vijftienduizend in Europa. In Nederland heeft de Review zo'n vijfhonderd abonnees. Italie heeft sinds acht jaar zijn eigen Review. La Rivista dei Libri (oplage achtduizend exemplaren) is een maandblad dat in partnerschap met een Italiaanse uitgever wordt gemaakt. Circa vijftig procent zijn vertalingen van de Amerikaanse uitgave, de overige artikelen zijn eigen verhalen van Italiaanse schrijvers, wetenschappers en journalisten.
Hederman onderzoekt de mogelijkheden om ook elders te participeren in buitenlandse partnerbladen. Het grootste probleem is vooralsnog om de juiste redacteuren te vinden, mensen die het overzicht en de kennis hebben om ook de buitenlandse editie de kwaliteit van de Amerikaanse uitgave mee te geven.
'HET LIJKT EEN BEETJE op de troon van een vorst, niet?’ zegt David Jacobsen, sinds anderhalf jaar een van Silvers’ assistenten. Het bureau van Silvers staat wat hoger en is zo geplaatst dat hij uitzicht heeft op zijn medewerkers. In totaal zijn er zes assistenten (Epstein heeft er twee) en zij zijn de oren en ogen van Silvers en Epstein. Zij lopen lijsten met pas uitgekomen boeken door en bespreken wekelijks met uitgevers wat er gaat verschijnen. De voorselectie van de meest interessante boeken komt op het bureau van Silvers of Epstein terecht. Uiteindelijk bepalen Silvers en Epstein waar artikelen over moeten komen en beoordelen en redigeren ze de ingeleverde artikelen.
Om het soms uitzonderlijke arbeidsritme van Silvers te volgen, werken de assistenten in een soort ploegendienst. Vaak werkt Silvers in weekeinden of gaat hij tot diep in de nacht door. Jacobsen roemt Silvers vanwege de strenge wijze waarop hij zijn auteurs redigeert. 'Er ontgaat hem niets. Hij is geweldig belezen en heeft overal verstand van. Hij heeft ook een uitzonderlijk goede band met zijn schrijvers, is enorm betrokken bij wat ze schrijven. Vaak faxen we tientallen bladzijden met opmerkingen van hem terug.’
De scherpe geest van Silvers, die aan de Sorbonne in Parijs Frans en politicologie studeerde, wordt gevreesd en bewonderd. Maar er is ook kritiek. 'The New York Review of Each Others Books’ zeggen sommigen weleens sarcastisch. Ze bekritiseren de kleine, exclusieve club, de hechte band tussen de redacteuren en sommige schrijvers, die vaak al vanaf de beginjaren voor de Review schrijven. De Review is elitair en snobistisch, is onderdeel van het establishment geworden, en zou zich allang niet meer daar bevinden waar de tijdgeest het meest duidelijk klopt, zeggen anderen.
De kritiek komt deels voort uit jaloezie, afkomstig van concurrenten of van mensen die geen kans krijgen voor het blad te schrijven. Maar inderdaad, soms wekt de Review de indruk van een blad dat vermoeidheidsverschijnselen vertoont. Sommige artikelen lijken nooit te zullen eindigen. De recente beschouwing van Mark Danner over de oorlog in Bosni‰, bijvoorbeeld. Een serie van zes artikelen, elke keer minstens zeven pagina’s lang, waarin de door Silvers gepredikte brille soms ver te zoeken is en de lezer vastloopt in een labyrint van feiten.
MAAR MISSCHIEN moet de vermoeidheid van de Review gewoon worden toegeschreven aan de algehele culturele vermoeidheid van een samenleving aan het einde van een eeuw. Luister naar Raymond Shapiro, door medewerkers omschreven als het wandelende archief van de Review, die in eerdere jaren alles opslorpte wat de Review afdrukte, maar tegenwoordig allang niet meer alle verhalen leest.
'De Review is een stuk tammer geworden’, zegt hij. 'Maar het heeft natuurlijk ook te maken met de tijdgeest. Neem mijn generatie, de generaties na mij. We zijn opgegroeid met Kennedy en wat in de jaren zestig gebeurde was een totale schok. Opeens zag Amerika er heel anders uit en iedereen diende zich te verdiepen in allerlei politieke kwesties. Of je wilde of niet. Maar wie maakt zich nu nog druk? Wie in de VS wil alles weten over de oorlog in Bosni‰? Er is niets meer dat de impact heeft om een hele natie te beroeren.’
Voor Silvers is het een non-discussie. Hij is helemaal niet zo geãnteresseerd in de tijdgeest en de mening van de buitenwereld.
Het gaat hem alleen om het volgende nummer. Elk nummer moet interessant zijn, elk verhaal moet raak zijn, elke alinea moet iets bieden dat de lezers interesseert. En ja, natuurlijk, soms zijn de verhalen niet wat hij ervan verwacht had. Dat kan gebeuren. In zijn woning op Park Avenue schiet hij wel eens wakker uit wat zijn grootste nachtmerrie is: geen geschikte verhalen te hebben voor het volgende nummer.
Maar of het blad nu liberaal of links, anti-establishment of juist het tegenovergestelde wordt genoemd, zegt hem niets. 'Natuurlijk hebben we onze verantwoordelijkheden. Maar het opplakken van labels is een kwestie van perspectief. Er zijn geen regels. Het gaat om de schrijvers, om de artikelen. Wat wil de schrijver zeggen? wat is het gezichtspunt van het artikel? Dat is veel interessanter.’
Als er dan in al die jaren ÇÇn rode draad is, dan zijn het de mensenrechten, een onderwerp dat Silvers na aan het hart ligt. Of het nu om Siberi‰, China of de eigen Verenigde Staten gaat.
OVER WAT in de toekomst wellicht het grootste probleem is, wordt op de redactie van de Review aan de 57th Street in midtown Manhattan hooguit na enig aandringen gepraat. Niet alleen de abonnee vergrijst, ook de redacteuren worden ouder. Silvers en Epstein naderen beiden de zeventig. Zijn er opvolgers, redacteuren met dezelfde kwaliteiten en instelling?
Silvers zelf negeert de vraag nogal opzichtig, Rea Hederman schuift wat ongemakkelijk in zijn stoel, en Jason Epstein grinnikt geamuseerd: 'Hoe durf je het te vragen. In de tijd van Stalin was je in de gevangenis gegooid.’
Volgens Hederman is over opvolging van de redacteuren nog nooit gesproken en is dat ook volledig onnodig. 'Ze zullen dit voorlopig nog lang samen kunnen blijven doen’, zegt hij.
Jason Epstein zegt dat zijn (inmiddels ex-)vrouw en Silvers denken het eeuwige leven te hebben. 'Ze hebben zo'n eigen manier van met elkaar omgaan, zijn zo vergroeid met het blad dat de gedachte aan stoppen waarschijnlijk niet eens bij hen opkomt. En in zekere zin is dat ook typerend. Er is geen plan, geen vooropgezet doel. Nooit geweest ook.’