Groen

Wolven

Zondagmiddag. Lopen vanaf het Koevlak naar Parnassia. Lichte, milde regen, windstil. Schotse hooglanders op het pad die behandeld worden als runderen in India. Ik hoor verdorie leeuweriken, iemand zegt dat ik niet zo raar moet doen. We lopen langs nog maar weer een paar hooglanders en bijna iedereen kijkt over de vos heen die aan de rand van de duindoorns zit, waarschijnlijk omdat hij ongeveer dezelfde kleur heeft. De vos blijft zitten, komt dichterbij, scharrelt rond. Felle, gemene ogen, één ervan lijkt stuk. Nooit eerder kwam ik zo dicht bij een vos, al begrijp ik wel dat het dezelfde moet zijn die ik afgelopen zomer zag, een stukje naar het zuiden, toen was hij ook al heel hanig niet angstig. Hij zal een broodvos zijn.
Kort daarop komen we bij Parnassia aan en dan zie ik iets waarvan ik weet dat het niet kan: een stuk of twaalf wolven, aangelijnd. Happend naar lucht vraag ik aan een struise bazin of ze een club zijn. Ze moet hard lachen en zegt dan simpelweg ‘ja’. Tsjechoslowaakse wolfhonden, 'met een kwart échte wolf er in’, zegt ze. Later zoek ik dat na en snap wel dat dat kwart steeds verder verwatert, want je kan toch niet maar steeds elke hond dezelfde grootvader laten hebben? Binnen zit de club heel genoeglijk in de theaterzaal, ik sta lang in de deuropening. Alle honden, die echt beangstigend op de wolf lijken, hun eigen bak met water, de baasjes een kop koffie. Een jong exemplaar kijkt me heel nieuwsgierig aan en houdt daar niet mee op. Zijn bazin kijkt met hem mee, denkt misschien: wat kijkt mijn fijne hond schrander naar die fijne meneer. Alle andere honden, opvallend veel Engelse buldoggen, zitten elders in het gebouw te trillen. Wij drinken wijn en eten kroketten, want er is er een jarig.
Na een half uur stappen we op, de Tsjechoslowaakse wolfhonden zijn het strand al weer op. Ineens waait het heel hard, trekken grijze regendekens over het strand. Op de terugweg zien we helemaal niets, geen enkel dier. We horen geen enkele leeuwerik fluiten. De regen is ijskoud.