Denis Johnson, Train Dreams

Wolven en mensen

Als iemand mij zou vragen welke Amerikaanse schrijver de totale Vietnam­roman heeft geschreven, zou ik die van Denis Johnson kiezen: Tree of Smoke (2007). Het voorspel, dat wil zeggen de groeiende militaire betrokkenheid van de VS bij het ‘terugdringen van het communisme’ in Zuidoost-Azië, geeft Johnson alle aandacht.

Maar ook gaat hij diep in op de verschrikkelijke naweeën van de verloren oorlog: de trauma’s van Vietnamveteranen die niet meer in de Amerikaanse maatschappij passen en verloederen. De oorlog zelf is bij Johnson een mistig manoeuvreren in een moeras, zeshonderd bladzijden lang. Wie is vriend, wie vijand? Wie is held, wie lafaard? De ‘tree of smoke’ is de term voor een ondoorgrondelijke cia-operatie, een poging zand in de ogen van de vijand te strooien of in die van vermeende mollen in de eigen gelederen. Alom achterdocht. En Tree of Smoke kent ook een ‘knotsgekke’ Kurtz, een kolonel, gelieerd aan de cia, die vereerd wordt en op raadselachtige wijze verdwijnt. Is hij echt dood of leeft hij nog ergens in de jungle? De zoektocht naar de kolonel in de jungle is een van de hoogtepunten van Tree of Smoke, onder andere door de fascinerende en gedetailleerde natuurbeschrijvingen. Zulke intense beschrijvingen maken ook een groot deel uit van Johnsons novelle Train Dreams (Pulitzerprijs-nominatie 2012). De titel heeft weer iets hallucinerends: de ultieme droom is die van kluizenaar Robert Grainier, die meent een paar jaar na de dood van zijn dochtertje Kate – door een grote bosbrand – haar weer bij zijn blokhut te zien opduiken, gewond en in een wonderlijke dierlijke gedaante.

Train Dreams beslaat bijna een eeuw (1886 schijnt Grainiers geboortejaar te zijn) en is zeer geraffineerd a-chronologisch opgebouwd. De plaats van handeling is Noordwest-Amerika, Panhandle Idaho (panhandle is de steel van een pan; op een kaart van Amerika is de steelpanvorm van Idaho goed te zien). De Spokane International Railway kondigt de nieuwe tijd aan. De wouden moeten worden gekapt, spoorbruggen over brede rivieren zijn onvermijdelijk. Johnson begint met de beschrijving van een geweld­dadige aanhouding van een Chinees die tijdens de bouw van een spoorbrug goederen gestolen zou hebben. Grainier biedt hulp bij de aanhouding, hulp waar hij later spijt van krijgt. Het is 1917 en hij moet dan bijna dertig jaar zijn. Drie jaar later is Grainier getrouwd met Gladys (in een kerk ontmoet) en wonen ze in een blokhut in de Moyea Valley. Als dagarbeider is hij vaak weken of maanden weg, bouwend aan bruggen of bomen kappend, met alle gevaren van dien.

Johnson weet heel subtiel allerlei kleine vertellingen over hard werken, ploeteren, overleven of sterven door het hoofdverhaal te weven. Het zijn stuk voor stuk ervaringen in de buurt van de Spokane Railway, de niet tegen te houden spoorlijn van de vooruitgang, van de moderne tijd. Maar moderne tijd of niet, de werkelijkheid blijft wonderbaarlijke belevenissen opleveren voor wie er oog voor heeft. Dat oog heeft Grainier. En het grootste wonder bewaart Jonhson voor het slot van de novelle, als hij na een paar jaar zijn dochtertje weer meent terug te zien, even kaal als toen hij haar voor het laatst zag. Zijn hele leven zal hij onthouden hoe zijn dochtertje de allerlaatste keer naar hem keek. ‘In het donker voelde hij de blik van zijn dochtertje op hem gericht als van een in het nauw gedreven beest.’ Van veel in zijn verleden haalt Grainier de chronologie door elkaar (daar is de novelle een prachtige weerspiegeling van), maar die blik van zijn verdierlijkte dochtertje weet hij precies te plaatsen. Hij krijgt er de rillingen van: hoe dierlijk of beestachtig is zijn kaalhoofdige Kate?

Train Dreams is een elegante novelle over het grensgebied tussen het dierlijke en het menselijke. In de nauwelijks ontgonnen natuur staat overleven voorop, en daar vinden mens en dier elkaar. Grainier is een eenzame wolf, hij huilt zelfs letterlijk mee met de wolven in het bos, als een opgegroeide Kaspar Hauser. Af en toe neemt hij de trein om naar de moderne wereld te reizen, waar hij zowel een spektakelkermis met gedrochten bezoekt (‘Komt dat zien! Komt dat zien!’) als in een dubbeldekker vliegt. Hij leeft van het land en heeft een scherp oog voor de natuur in bloei en de natuur in het nauw: Johnson, die in Noord-Idaho woont, beschrijft schitterend de toestand van een bos vlak na een brand en hoe het leven langzaam maar zeker weer te voorschijn kruipt uit de grond en hoe het vuur een bos verandert. Hij leeft van paddenstoelen en forel en vormt in zijn eentje een vervoersbedrijfje.

De novelle is zo ook een stil pleidooi voor de wonderen die de natuur en de wereld, ook de nuchtere en moderne, voor ons in petto hebben. Dat omschrijven als duivels bijgeloof of solitaire gekte is al te simpel. Zoals Denis Johnson de natuur in haar volle omvang beschrijft schieten termen als bijgeloof en gekte tekort. Johnson schrijft over de willekeur van leven en dood als raadsels die niet ontrafeld kunnen worden met een puur zakelijke toon. Voor de nuchtere geesten bestaat er geen ‘tree of smoke’. Het poëtisch verweven van schijn en wezen en van rauwe werkelijkheid en tedere droom in Train Dreams levert een vertelling vol vormkracht op die bij tweede lezing nog betekenisvoller én raadselachtiger wordt.


Denis Johnson, Train Dreams. Picador, 116 blz., € 14,99 (De vertaling Treindromen van Maarten Polman komt in oktober uit bij Anthos)