Wonder op een mooie spectraalplaat

Als er één boek is dat iemands leven verandert, dan is het – naar ik vrees – met die persoon goed mis. Unieke levensboeken hebben de onaangename neiging canonisch te worden en het bestaan te gaan dicteren. De monotheïstische godsdiensten bieden er afschrikwekkende voorbeelden van, maar niet minder onuitstaanbaar zijn de mensen die hun omgeving te pas of te onpas om de oren slaan met Popper, Derrida, W.F. Hermans of in het ergste geval Rudy Kousbroek. Benauwende monomanen zijn het, die niet wensen te rusten voordat iedereen even benauwd danst naar het pijpen van hun voorbeelden.

Daarom zijn er véél boeken die in mijn leven licht brachten waar schemering heerste. Over sommige daarvan heb ik elders al geschreven, maar hun grote getal verlost me van de plicht tot herhaling. Er zitten romans onder, filosofische essays en zelfs een enkel gedicht. Dingen, kortom, waarmee een cultureel correct mens goed voor de dag kan komen.

Maar steeds weer vergat ik daarbij een van mijn vroegste liefdes, opgedaan in de eerste klassen van de middelbare school en een tijd lang mijn onvoorwaardelijke toekomstperspectief. Ik heb het over de natuurkunde, waarvan ik de leerboeken, na jaren van veronachtzaming, weer opsla en daarin handgeschreven aantekeningen zie bij wat ik al jarenlang niet meer begrijp. En opnieuw ervaar ik de opwinding over een inzicht dat zo duidelijk meetbaar en observeerbaar is. Zo moet de wereld er plotseling _ont_raadseld en juist daardoor des te raadselachtiger hebben uitgezien.

Als het Leerboek der natuurkunde van de doctoren R.L. Krans en M.P. Vrij (1967/1968) mij toen het licht bracht, dan was dat als het wonder dat op een mooie spectraalplaat – de enige kleurenillustratie in beide delen – letterlijk doorvorsbaar is. Het periodiek systeem der elementen, ingeplakt op een uitvouwbaar vel, nodigde uit tot een intellectuele rondzwerving die onbekende continenten ontdekte en tegelijkertijd het vermogen de eigenaardigheden daarvan te doorzien, louter dankzij de formules waarin ze werden gevat. Dat was de zuiverste schoonheid die denkbaar is, en ze verrukte mij.

Maar omdat boeken nooit alléén komen, moesten Krans en Vrij zich scharen in een lange rij van openbaringen waarin zij van lieverlee naar de achtergrond schoven. Ook de natuurkunde is niet het éne boek dat de verlossing schenkt – en na mijn eindexamen ben ik toch maar geen fysicus geworden. Gespeten heeft me dat nooit, al knaagde er soms wel een zeker heimwee naar het moment waarop ik nog precies kon uitleggen wat het licht was.