H.J.A. Hofland

Wonderen van de stembus

De verkiezingen in Irak kunnen het begin zijn van een historische wending in het Midden-Oosten: de opening geven tot de vestiging van een stabiele democratische staat, die op den duur de hervorming van de hele regio zal bevorderen. Of de kiezers zich dat bewust zijn geweest, weten we niet. Maar het is goed denkbaar dat hierna de neoconservatieve droom weer aan de orde komt. Democratisering van dit deel van de wereld, te beginnen bij Irak. Twee jaar geleden was het een van de rechtvaardigingen van de oorlog.

Dat is van later zorg. Het grote feit is nu dat tegen de zestig procent zich in levensgevaar heeft begeven om te gaan stemmen. Dit verraadt een politieke hartstocht die we in westerse democratieën waarschijnlijk niet meer aantreffen. Dat daarbij ondanks alle bewaking toch nog 44 burgers zijn gesneuveld, kon de blijdschap in het land en daarbuiten niet bederven. De Irakezen moeten wel ongelooflijk veel van hun stembiljet verwachten om op deze manier op het verloop van de verkiezingen te kunnen reageren. De grote opkomst en de sfeer verraden dat deze kiezers een geweldige illusie koesteren. Het stem biljet als toegangsbewijs voor een vrij en ordelijk leven in een redelijk welvarend land.

Misschien is deze massale illusie nu het grootste probleem voor de Amerikanen en de voorlopige Iraakse regering. Irak heeft ervaring met hoog gestemde verwachtingen. Eerst was er de bevrijding, gemarkeerd door de vallende standbeelden, waarop het voorspel tot de chaos volgde. Toen, op 1 mei 2003, kondigde de president in speciale entourage het einde van de «major operations» af. Daarna zijn de operations pas goed begonnen. Buitenlandse terroristen stroomden binnen. Soennieten kwamen in verzet. Onthullingen over Abu Ghraib. Collectief ontslag van het Iraakse leger veroorzaakte massale werkloosheid. De Amerikanen moesten Fallujah, een stad van driehonderdduizend inwoners, heroveren. Een derde van de bevolking vluchtte, en daarna heeft geen westers massamedium zich om hun lot bekommerd.

Ik schrijf dit allemaal niet op om afbreuk te doen aan het succes van deze verkiezingen. Maar de ervaring van de afgelopen paar jaar heeft geleerd dat zich in Irak meer daverende successen hebben voltrokken die op bittere teleurstellingen uitliepen. Dat zoveel Irakezen het vertrouwen in de democratie niet hebben verloren, is op zichzelf een wonder. Na deze verkiezingen is de belangrijkste vraag hoe de onvermoeibaar hoopvollen nieuwe ontgoochelingen kunnen worden bespaard. En hoe langzamerhand de evenwichtige staat kan worden opgebouwd, in het belang van de Irakezen, de regio en het Westen. Misschien is dit niet alleen een nieuw begin maar ook de laatste kans.

Het terrorisme van Al-Zarqawi zal een flinke klap hebben gekregen. Het wordt niet beschermd door een massaal fundamentalisme. Het is niet in staat geweest de verkiezingen te verstoren. Het zal niet zijn verslagen, maar de massa van de kiezers heeft zich er allerminst door laten imponeren. Misschien is dat wel een van de grootste winstpunten.

Dan is er het vraagstuk van de soennieten, meer dan een vijfde deel van de bevolking dat niet heeft meegedaan. Hoe moet die wantrouwende massa de ontluikende democratie worden binnengeleid? Uit de verte van Amsterdam lijkt het me dat dit een vraagstuk is waarmee iedere meerderheid te maken krijgt als er een vijandige minderheid verschijnt. Harde confrontatie helpt niet. Toen de oorlog begon, hebben deskundigen gewaarschuwd voor een burgeroorlog. Het gevaar daarvan is niet verdwenen. Maar ik zal me ervoor hoeden voorlopig premier Allawi mijn goede raad te geven. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor zijn beleid jegens de Koerden.

Met minder afstandelijkheid valt iets te zeggen over de verhouding tussen president Bush en de zijnen en een aantal Europese regeringen. Neem het de Europeanen niet kwalijk als ze nog twijfelen. De Belgen, Duitsers en Fransen wilden de oorlog niet omdat ze er meer chaos dan voordeel van verwachtten. Daarin leken ze gelijk te krijgen. We hebben het nu niet meer over verscheurde bondgenootschappen, misleidingen en voorwendsels om de oorlog te beginnen. Dat is geschiedenis. Maar Irak werd een chaos. En uit de stembus komt niet als bij toverslag een voorbeeldig land te voorschijn.

De Amerikaanse president is, zoals we in zijn eerste ambtstermijn hebben geleerd, een man van snelle, radicale conclusies, en ook iemand die snel in euforie raakt. De geslaagde verkiezingen geven hem daartoe voor het eerst alle reden. Maar achter de feestvreugde doemt volgende week weer de werkelijkheid op, van torenhoge schulden en toekomstige lasten, het vooruitzicht van nog op z’n minst een jaar een leger van 150.000 man in Irak te moeten houden, en een aantal binnenlandse vraagstukken. Het triom falisme van de eerste dagen na dit succes is de president gegund. Maar kunnen de Amerikanen in 2005 de herbouw van Irak verder aan? Nu, op dit veelbelovende punt, zou het van Europa niet verstandig zijn Amerika in Irak verder in zijn sop te laten gaarkoken. Maar Europa moet er iets voor terug vragen: niets meer of minder dan het einde van het unilateralisme dat zijn schaderijke stempel op de eerste vier jaar heeft gedrukt.

Deze maand komt de president naar Brussel. Dat biedt een goede gelegenheid om hem te laten weten hoe blij we ook hier met de verkiezingen zijn, maar dat hij en de zijnen de Europeanen niet aan hun laars kunnen lappen zoals ze dat de afgelopen vier jaar hebben gedaan. En dan bedanken we samen de Iraakse kiezers die dat, althans voorlopig, duidelijk hebben gemaakt.