Wonderen van woordgeilheid

De feestelijke omgang met de Nederlandse taal triomfeert in Thomas Rosenbooms Publieke werken en Chiel van Zelsts 100.000 Fietsventielen. Beide schrijvers zijn versierders.

‘TJA, HET IS kloppend Nederlands’, hoorde ik ooit een uitgever zijn ontmoedigingsbeleid formuleren tegenover iemand die alweer tijden daarvoor een manuscript had opgestuurd en nu toch eindelijk wel eens wilde weten of het ook echt een boek zou kunnen worden. Van de stapels manuscripten die iedere week ongevraagd binnenkomen bij uitgeverijen, worden slechts enkele daadwerkelijk gelezen. Meestal maakt de eerste bladzijde, of zelfs de begeleidende brief al duidelijk of iemand tot meer in staat is dan slechts de elementaire grammaticale beginselen van het Nederlands te volgen.
De feestelijke omgang met de Nederlandse taal die oldtimer Thomas Rosenboom en debutant Chiel van Zelst demonstreren in respectievelijk Publieke werken en 100.000 Fietsventielen is zeldzaam. Beide schrijvers zijn versierders in de meest handmatige zin van het woord. Dat Rosenboom zich daarbij bedient van laat-negentiende-eeuws Nederlands en Van Zelst van het laat-twintigste-eeuws, is slechts een relatief verschil. Grappig is dat ze beiden Amsterdam tot decor hebben gekozen, met precies een eeuw ertussen, en schrijven vanuit het perspectief van de typische antiheld. Wat de romans echter ook gemeen hebben is een zekere gemaniëreerdheid; woordkunst dwingt bewondering af, maar blijkt ook geeuwerig te kunnen maken.
IN PUBLIEKE werken ontrolt zich de parallelle geschiedenis van twee kleine zielen die voor zichzelf een glorieuzer bestaan hadden zien weggelegd. Walter Vedder is een Amsterdamse vioolbouwer die in feite in alles gefnuikt is. De violen die hij repareert en verkoopt, zijn net niet van het hoogste allooi. Zijn vrouw is bij hem weggegaan en heeft zijn onvruchtbaarheid bewezen door van een ander wél een kind te krijgen. De stiefzoon voor wiens opvoeding hij betaalt, komt alleen maar bij hem langs voor meer geld. Alle vernederingen zet Vedder om in gedroomde triomfen. Hij waant zich een wereldburger door onder het pseudoniem Veritas in de krant beschouwingen te wijden aan wat er allemaal fout gaat in Amsterdam. Als hij zich opeens geplaatst ziet in een onderhandelingspositie met een grote ondernemer die een hotel wil bouwen op de plek waar hij woont, het Victoria Hotel tegenover het Centraal Station, denkt hij de slag van zijn leven te kunnen slaan.
Die slag beraamt hij in samenwerking met zijn neef, de apotheker Chris Anijs in Hoogeveen. Ook Anijs groeien de krachten waarmee hij strijd moet leveren om de eer aan zichzelf te kunnen houden, boven het hoofd. Hij is apotheker, maar geeft zich uit voor dokter. Hij voert medische handelingen uit met op zijn zachtst gezegd twijfelachtig gevolg. Hij wil weldoener zijn voor de armen in het dorp, maar heeft, zoals zijn vrouw niet nalaat te zeggen, zijn eigen verzekering niet eens geregeld. Belofte maakt echter schuld. Neef Vedder lijkt uitkomst te kunnen bieden met het vele geld dat hij uit de onderhandelingen met het Victoria Hotel zal weten te slepen.
DE KLEINE ZIELEN heten bij Chiel van Zelst, in 100.000 Fietsventielen, hete helden. De hete held loopt met de borst vooruit, vette zonnebril op het hoofd, en kauwt op een kauwgompje voor de frisse adem. Om te verbergen dat hij een stinkend vat is, een enorme klojo, net komend van of juist op weg naar de pillenbrug in hartje Amsterdam.
De hete held houdt zich in leven met het pikken en vervolgens verkopen van fietsen. Hij heeft zich ontwikkeld tot een echte Fietsenman, met de juiste gereedschappen, vingervlug en razendsnel, en een fijne neus voor klanten. Hij heeft ook nog een vriendin, een junkiemeisje, die slechts één wet kent: de winkelsluitingswet. Haar leven wordt beheerst door het streven nog net voor zessen bij de Hema binnen te vallen om haar tassen te vullen met los spul, voor de handel. Op haar lippen liggen twee woorden bestorven: ja doei! Samen wonen ze in een wigwam, opgezet op een nieuwbouwetage in de Pijp, en schrapen ze pakken vla leeg.
Anders dan bij Rosenboom weet de loser bij Van Zelst dat hij op verliezen staat. So what? Het gevecht met de instanties, de Sociale Dienst, het arbeidsbureau en de politie behoort tot zijn dagelijks bestaan. Mocht er al iets glimpen aan de horizon, dan zou het een handeltje in sokken zijn op de Albert Cuyp, samen met het junkiemeisje. Maar voordat ze daaraan beginnen, moet eerst nog even een bezoekje aan de methadonbus worden afgelegd.
BEIDE ROMANS zijn in een dwingende cadans geschreven. De stijl triomfeert; het zijn wonderen van woordgeilheid geworden. Rosenboom is de poppenspeler, sardonisch neerblikkend op het gemier en gedraai van zijn miezerige helden, van wie hij al vanaf het moment dat hij hun geschiedenis laat beginnen, duidelijk maakt dat ze maar op één ding afstevenen. Hun ondergang. Net als in zijn vorige grote roman, Gewassen vlees (1994), schrijft hij met een scherp oog voor het psychologische detail over ijdelheid, sentimentaliteit en lafheid. En net als voor dat boek geldt, zijn uiteindelijk de fragmenten beter dan het geheel. Op zijn best is de schrijver in de minidrama’s die het grote drama van Vedder en Anijs weerspiegelen, zoals die van een niet te repareren viool en een bijna-besnijdenis.
Omdat zijn figuren eendimensionaal zijn op het karikaturale af, vergen vijfhonderd pagina’s behoorlijk wat uithoudingsvermogen. De échte wurggreep waarin de lezer moet komen te verkeren, blijft uit omdat de touwtjes waaraan Rosenboom ze laat manoeuvreren zichtbaar blijven. Mooie taferelen zijn het allemaal, dat wel.
100.000 Fietsventielen hangt aaneen van losse tafereeltjes. Hier is geen superieure schrijver aan het werk die de touwtjes strak in handen houdt. Van Zelst is loser met de losers, de lefgozer die de wereld van Lange Ruudje, Fredje King Korn en Kleine Martin is ontsnapt door ze tot onderwerp van een verhaal te maken. Zij hebben mooi het nakijken. Ja doei!
Waar bij Rosenboom de compassie voor zijn antihelden achterwege blijft, is die bij Van Zelst niet eens in zicht. Daarom was het ze blijkbaar ook niet te doen. Met behulp van een idiosyncratisch taalgebruik zetten beide schrijvers een wereld neer die ogenschijnlijk verwijst naar de historische werkelijkheid van Amsterdam 1888 en naar die van precies een eeuw later, maar die in feite een volstrekt literair universum is. Een universum bevolkt door strevers, snevers en snuivers die van alle tijden en plaatsen zijn. Een universum waarin alles meer dan klopt, maar dat daardoor ook een beetje steriel blijft.