Wonderlijk compact

Het heldere geel van Hans Thoma’s Stilte voor de storm doet denken aan de zomerse landschappen van Jacob van Ruisdael. Roerloos, en toch onrustig.

Schilderijen van wat in ouderwetse musea nog wel als ‘Hollandse school’ gepresenteerd wordt, zijn vrijwel allemaal klein van formaat. Dat merk je direct als je vanuit een zaal met Italiaanse of Vlaamse kunst bij de Nederlandse meesters terechtkomt. Zulke verschillen in maat zijn bepalend, denk ik, want het eerste wat je ziet is of een schilderij klein of groot is. Het is van invloed op je manier van kijken. Dat is me ooit sterk opgevallen in de onvolprezen Alte Pinakothek in München toen ik daar rondliep met een Italiaanse collega. Die was van huis uit gewend aan de zwierige gebaren en breed golvende ruimtelijkheid in werken van bijvoorbeeld Giulio Romano of Guido Reni (met de gestalten vaak tegen levensgroot), en ik merkte dat hij bij een Jan Steen niet goed wist hoe hij ernaar kijken moest. Het was een interieur met een in keurig zwart geklede dokter op visite bij een jonge vrouw die uiteraard aan liefdesverdriet leed. Maar voor mijn collega waren al die details die wij zo goed kennen, als het hondje en het Perzische kleed met in de plooien daarvan een bordje met een halfgeschilde citroen, gewoon veel te klein. Het werkje was slechts 50 x 60 centimeter en had niet veel visueel drama.

Overigens vonden wij, op onze beurt, die grote schilderijen in Italië juist weer overdreven theatraal en belachelijk. Want ook de abstracte werken van Mondriaan, die toch zo ruimtelijk ogen, zijn doorgaans ongeveer zo groot als de Jan Steen in München – vaak kleiner en maar zelden groter. Het zomerse landschap van Jacob van Ruisdael, Het korenveld, heeft ook die klassieke Hollandse maat. De verhouding tussen hoogte en breedte komt enigermate overeen met de vertrouwde proporties van een klein raam in een Hollands huis. Door dat raam, als het ware, geeft Ruisdael ons een blik op dat korenveld dat nog even het zonlicht vangt, en zo mooi geel wordt, terwijl donkere wolken al beginnen samen te trekken.

Ik moest aan Het korenveld denken toen ik laatst het bijna roerloze schilderij Stilte voor de storm zag van de Duitse schilder Hans Thoma. Het is vrijwel hetzelfde motief en ook zijn er, wat de kleuren betreft, overeenkomsten in de verwerking: licht korengeel omgeven door donker grijsgroen. Dat is een mooi akkoord. Het geel is helder maar, met name in de Thoma, tegelijkertijd getemperd door het gewicht van het donkere groen van de bomen en grijs van het komende onweer. In het oeuvre van Ruisdael komt het motief (oplichtend veld, donkere bomen en zware, grijze wolken) vaker voor. Dat leidt tot de vraag of de kunstenaar, als hij door de velden liep, dat zomerse kleurcontrast niet gewoon mooi vond en het ook daarom in schilderijen heeft gebruikt. Maar als ik dat beweer, wordt mij gezegd dat ik landschappen uit de zeventiende eeuw niet impressionistisch mag zien – want ze zijn vaak in elkaar gezet met een zachte morele vermaning in zich: zo’n landschap, met koren dat gemaaid wordt en naderend onweer en hier en daar dode boomtakken, is ook als vanitas bedoeld.

Dan nog, denk ik, kan Ruisdael als schilder (wiens werk het is kleuren te arrangeren) dat soort geel en grijs mooi gevonden hebben. In zijn tijd kon hij dat echter niet zo direct formuleren – niet zoals Van Gogh kon laten zien hoe hij van zwaar goudgeel hield onder een strakblauwe zomerhemel. Het schilderij van Thoma is na Van Gogh gemaakt, in 1906, het jaar waarin die andere grote voorganger van de moderne kunst, Cézanne, is overleden. Wat die deed was het wonderlijk compact maken van het (geschilderde) landschap – en precies de doorwerking daarvan zien we in de strakke organisatie van Stilte voor de storm. We kijken laag over het graan naar de zwartgroene bomen waarboven en vanachter de grijze wolken verschijnen. Dat zijn drie lagen kleur, ongeveer gelijk groot, die zich zwaar tegen elkaar afzetten als donkere tonen van langzame orgelmuziek. Voor Ruisdael was dat soort strak geformaliseerde vormgeving nog niet denkbaar – en dus ook niet zichtbaar. Zijn landschap is daarom een toneel voor een vertelling. Ik praat even niet over de plek: de noordrand van de Veluwe bij de Zuiderzee. Die geeft verre ruimte aan het tafereel. Daar heeft Ruisdael mogelijkerwijs in een schetsboek notities gemaakt die later geholpen hebben, in het atelier, het schilderij in elkaar te zetten. Toen zette hij er, onder aan het korenveld, ook enkele figuurtjes in die zitten uit te rusten van het maaien. Maar ze zijn nog niet klaar. Het is dus augustus; dat is de oogstmaand. In de zomer kan, toen en nu, laat in de middag als het erg warm is een kort hevig onweer losbarsten. Dat is wat we zien: je ziet de warmte en je ziet de onrustige beweging van de wolken. De nog stille bomen lijken op het onweer te wachten. Het licht wordt iets donkerder. Ook een stilte voor de storm dus, maar nu als motief ondergebracht in een landelijk tafereel – zoiets als de schilder ooit zelf gezien moet hebben. Prachtig, dacht hij toen, dat kan ik mooi voor een vanitas gebruiken.


PS De Ruisdael is te zien in Boijmans Van Beuningen. Het schilderij van Hans Thoma maakt deel uit van de expositie Gedroomde landschappen_, nog tot 17 juni in het Van Gogh Museum_