Legbatterijen voor Zuid-Afrikaanse yuppies

Wonen in de Milky Way

In moordend tempo worden bij Johannesburg clustercomplexen gebouwd voor de Zuid-Afrikaanse middenklasse. Achter elektronische hekken hopen blank en zwart gelukkig te worden, in de illusie van veiligheid en een anoniem bestaan.

De onlangs verschenen catalogus TJ van fotograaf David Goldblatt is een tikkeltje overweldigend. Een loodzwaar werk van meer dan driehonderd pagina’s, waarin de hoogtepunten van Goldblatts zestig jaar dolen door Johannesburg zijn verzameld, van de eerste downtown wolkenkrabber tot de troosteloze townships, van de illegale shebeen tot de winkelende madam.

Een kleurenfoto op pagina 294 werpt een blik op de toekomst. Hij dateert van 2009 en is voorzien van een gortdroog onderschrift: ‘Cluster housing in the city’s north-west.’ We zien een geometrisch beeld dat vanuit een vliegtuigje is vastgelegd: een ommuurd huizencomplex met pakweg dertig identieke woningen, dicht op elkaar, grijze daken, carports, minuscule tuintjes en witte schotelantennes. Er staan drie auto’s, een blauwe, een witte en een rode. Helemaal rechtsonder kun je een groepje mensen onderscheiden, het enige teken van leven.

Bekijk je ditzelfde gebied daarna op ­Google Earth, dan zie je tientallen, nee honderden vergelijkbare complexen, die zich uitstrekken van het oude Johannesburg via de satellietstad Roodepoort tot aan de grenzen van Krugersdorp 32 kilometer westwaarts, duizenden en nog eens duizenden huizen als legoblokjes op een tapijt van geel veld, doorsneden met grijze linten, de twee- en vierbaanswegen die voor de aan- en afvoer van de bewoners zorgen.

Als je vervolgens langs die complexen rijdt, valt meteen de convergentie van het oude en nieuwe Zuid-Afrika op. De wegen dateren uit het apartheidstijdperk, ze zijn vernoemd naar Afrikaner generaals en presidenten: Kruger, Vorster, Potgieter, De Wet. Maar de namen van de gated communities, die van de buitenwereld zijn afgesloten middels een elektronisch hek en/of een slagboom, verraden de nieuwe verlangens: Honeydew Ridge Estate, Milky Way, Crystal Glades. Er is zelfs een Carribean Beach Estate in het dorre gras verrezen.

De culturele elite van Johannesburg haalt haar neus op voor die eindeloze reeks clustercomplexen die de afgelopen vijftien jaar in moordend tempo zijn gebouwd. ‘Legbatterijen voor yuppies’, schampert schrijver Dave Chislett. Hij noemt het de 21ste-eeuwse variant op het modelleven dat huisvrouwen in de jaren vijftig werd aangepraat. ‘Het verontrust me, want het verandert onze regenboognatie in een land vol grijze muizen.’

Dergelijk snobisme is misplaatst, zegt onderzoeker Ivor Chipkin. Want hier, tussen die muren, achter die elektronische hekken, wordt het nieuwe Zuid-Afrika geboren: een raciaal gemêleerde middenklasse die zich na de eerste democratische verkiezingen van 1994 heeft geprofileerd: hard werkend, modern, individualistisch en bereid om de ruimte te delen met mensen van een andere kleur. Daar blijft het voorlopig overigens bij: dezelfde ruimte delen. Gemixt wordt er binnen die complexen nauwelijks. ‘Maar dat betekent niet dat apartheid nog voortleeft’, zegt Chipkin.

Met zijn bureau Pari doet politiek-wetenschapper Chipkin sinds drie jaar onderzoek naar de _middle class-_explosie die zich hier ten westen van Johannesburg in de zogeheten West Rand voltrekt. Honderdduizenden mensen zijn hiernaartoe getrokken, blank, zwart, Indisch en kleurling. Zij hebben hun raciaal homogene wijken verruild voor het heterogene nieuwe Zuid-Afrika. Chipkin noemt het proces ‘middle-­classing’, een actief werkwoord dat een voortgaande ontwikkeling uitdrukt.

Waar de oude suburbs nog vaak te maken kregen met ‘blanke vlucht’ zodra er zich te veel zwarten vestigden, gebeurt hier dus het omgekeerde. In die honderden gated communities in de West Rand betreden de nieuwkomers voor het eerst bewust een ‘gemeenschappelijke wereld’. Het feit dat blank en zwart niet meer grommend of huiverend tegenover elkaar staan is een doorbraak, zegt Chipkin, en duidt op een structurele verandering.

Er is sprake van twee gelijktijdige bewegingen. Aan de ene kant zie je een invasie van vooral jonge Afrikaners uit de traditionele Afrikaner buitenwijken die de afgelopen jaren in verval zijn geraakt, en waar je nog oude Afrikaner symbolen aantreft zoals een metalen windmolen in de tuin of buitenmuren die zijn versierd met een ossewagenwiel. Het zijn wijken die herinneren aan het apartheidstijdperk, toen de Afrikaners zich dankzij de ‘eigen volk eerst’-principes opwerkten uit de armoede van de crisisjaren en een snel uitdijende middenklasse ontwikkelden die in de jaren zeventig tot volle bloei kwam en zich vooral aan de westzijde van Johannesburg vestigde. Het was de tijd dat iedere gezags­getrouwe Afrikaner nog op de Nationale Partij stemde en naar de Nederduits gereformeerde kerk ging.

‘Maar hun kinderen voelen zich modern’, zegt Chipkin. ‘Die willen af van die antieke symbolen, weg van het ouderwetse. Die herdefiniëren wat het is om Afrikaner te zijn. Zij hebben gekozen voor raciaal gemengde wijken en hebben de Nederduits gereformeerde kerk de rug toegekeerd. In plaats daarvan gaan ze naar charismatische kerken. De Afrikaner middle-­class-aspiraties vertalen zich vooral in uitgaven aan meubels en interieur.’

Tegelijkertijd heb je het verschijnsel dat er honderdduizenden jonge zwarten uit de townships zijn vertrokken. Tot 1994 zaten niet-blanke Zuid-Afrikanen min of meer vastgeklonken aan die grauwe, eenvormige woonwijken die het apartheidsregime voor hen had aangelegd, ver buiten de stad, nabij de mijnen en industrieën die op goedkope arbeid draaiden. Soweto, ten zuidwesten van Johannesburg, slechts door een heuvelrug gescheiden van de West Rand, is de grootste township met een paar miljoen inwoners.

Na 1994 veranderde alles. Er kwam een zwarte regering. De ambtenarij werd zwart. En dankzij maatregelen als affirmative action (positieve discriminatie) en black economic empowerment (zwarte aandeelhouders in voorheen blanke bedrijven) richtte zich razendsnel een zwarte middenklasse op, die de bijnaam black diamonds kreeg. Hun aantal wordt nu op ruim drie miljoen geschat. Zij kregen snel genoeg van die townships waar de extended family een constant beroep deed op hun zuurverdiende geld. Ook zij verlangden naar moderniteit. ‘In die nieuwe complexen vind je veel jonge zwarten wier ouders midden jaren negentig uit de townships wegtrokken’, zegt Chipkin. ‘Hun statussymbool is de auto. Een Audi, een bmw of een Mercedes. Een auto symboliseert vrijheid.’

De Chirwa’s zijn zo’n familie. In 1997 zeiden ze vaarwel tegen Soweto waar ze 32 jaar hadden gewoond. Er waren drie hoofdredenen voor hun vertrek, vertelt de 69-jarige moeder Nonkonzo: het onderwijs van haar kinderen, een verlangen naar privacy en de nabijheid van het werk. Nonkonzo werkte als verpleegster, haar man had een baan bij het mediaconcern Times Media. Hun drie kinderen gingen naar privé-scholen buiten Soweto. Daar moesten de Chirwa’s in hun buurt altijd verantwoording voor afleggen. Naar een dure ‘blanke’ school gaan, dat hoorde niet. Eens Sowetan, altijd Sowetan, luidde de ongeschreven regel. Soms stopten boze of verveelde township-jongeren zelfs het busje dat de Chirwa-kinderen kwam ophalen om te verhinderen dat ze naar school konden. Het gebrek aan privacy was een minstens zo voorname factor. ‘We woonden in een hoekhuis, en op straat was altijd ­commotie. Soms werd er gevochten en waren er vuur­wapens. Er hingen constant jongens rond. De taxibusjes stopten er. En altijd kwamen er mensen bij je aankloppen. Dat is wel gezellig hoor, maar je hebt ook rust nodig’, zegt Nonkonzo.

Toen haar kennissen in Soweto de verhuisplannen vernamen, kregen de Chirwa’s indirect te horen dat ze hypocriet waren, sell-outs. Ze negeerden de verwijten en kochten een vrijstaand huis in Radiokop, een toen nog lelieblanke buitenwijk van Roodepoort in de West Rand. Het kostte destijds zo’n dertigduizend euro en brengt nu ruim het drievoudige op. Hun beste vrienden in de wijk zijn de Poolse buren, zegt Nonkonzo. ‘Wij waren de eerste zwarten in de wijk en zij accepteerden ons meteen zonder problemen.’

Inmiddels wonen er drie zwarte gezinnen en één kleurlingenfamilie in de straat. In de andere tien huizen zijn de bewoners nog blank. Nonkonzo mist Soweto nauwelijks. Alleen de kerk, want die was in de township met haar dans en zang een stuk levendiger. Maar ook hier werden ze met open armen ontvangen.

De Chirwa’s voldoen volledig aan het door Chipkin geschetste model. Want in 2006 kocht dochter Yolande, inmiddels met een goed­betaalde baan bij South African Breweries, een huis in een naburig clustercomplex Crystal Glades. Een prettige woning met drie slaapkamers en een klein tuintje, waar je geen omkijken naar hebt. Miles Davis op de iPad, abstracte kunst aan de muur, goed glas wijn erbij. Lock-up and go voor de ambitieuze, alleenstaande Zuid-­Afrikaan.

Het idee om in dat grotendeels lege veld tussen Johannesburg en Krugersdorp goedkope huizen voor die vervaarlijk uitstulpende middenklasse neer te zetten was afkomstig van een jonge Afrikaner vrijbuiter, Charl Fitzgerald. Hij was een local boy die begin jaren negentig voor een West Rand-makelaar werkte en een gat in de markt zag. Hij nam ontslag en richtte het projectontwikkelingsbureau Genesis op. Het waren onzekere tijden. De verkiezingen die Nelson Mandela aan de macht brachten waren relatief rustig verlopen, maar niemand wist hoe het verder zou gaan. Er was nog steeds politiek geweld en de misdaad nam schrikwekkende vormen aan. In 1995 waren er bijna 27.000 moorden. ‘Terwijl iedereen eten aan het hamsteren was of zijn boeltje pakte, kochten wij land omdat het spotgoedkoop was’, zegt de 46-jarige Fitzgerald.

Het Genesis-kantoor zit boven de Wimpy in een klein winkelcentrum naast het Honeydew Ridg-complex aan Paul Kruger Road. Managing director Brian Scannell laat luchtfoto’s zien van het gebied. Hier, 2000, nauwelijks bebouwing, voornamelijk veld en wat groenteverbouwers en bloementelers. En toen, in 2001, kwam Honeydew Ridge, en in 2003 kwam Milky Way. En daarna was de beer los. Inmiddels heeft Genesis in deze omgeving bijna zevenduizend woningen gebouwd, dat betekent pakweg 165 complexen. Genesis werd Genesis Group, met dertien bedrijven die zorgen voor de planning, de ontwerpen, de aanleg van water en elektriciteit, infrastructuur, onderhoud en rechtmatige kwesties. En die namen? Die verzinnen ze zelf, grinnikt Fitzgerald. Ze hebben inmiddels ook complexen naar Amerikaanse staten en naar Spaanse voetbalstadions vernoemd. ‘Mensen hier hebben graag hun kleine fantasieën’, zegt hij.

Genesis richtte zich op jonge Zuid-Afrikanen, starters op de huizenmarkt, tweeverdieners of alleenstaanden met een goede baan. Maar ook ouderen wier kinderen het huis uit zijn bleken geïnteresseerd in de relatief goedkope clustercomplexen. De woningen, doorgaans twee slaapkamers, zestig vierkante meter, kosten nu tussen de veertig- en zeventigduizend euro. Genesis heeft twee recessies overleefd en nog nooit een project uitgevoerd dat niet totaal leegverkocht. ‘Onze kracht’, zegt Fitzgerald, ‘is dat je waar voor je geld krijgt. We streven niet naar maximale winst. Je hoeft je geen zorgen te maken over onderhoud van een grote tuin en over misdaad. Mensen voelen zich veilig als ze dicht bij elkaar wonen. Ras is allang geen kwestie meer. Binnenkort is zeventig procent van onze kopers zwart. Zij realiseren zich nu ook dat eigendom belangrijk is. Tijdens apartheid mochten ze geen woning kopen.’

Fitzgerald bevestigt wat Chipkin ook al zei: er wordt gemengd gewoond maar nauwelijks gemixt. Sociale interactie heeft geen prioriteit. Genesis heeft het wel geprobeerd: complexen met een tennisbaan, een clubhuis, een mini-golf of een zwembad. Maar het animo daarvoor is gering en de onderhoudskosten zijn hoog. ‘Al snel wordt het verwaarloosd’, zegt Fitzgerald. ‘Zuid-Afrikanen zijn geen sociale wezens.’

Wat de mensen in de clustercomplexen willen is de illusie van veiligheid en een anoniem middle class-bestaan. Het idee is dat je door die toegangspoort naar binnen rijdt en een andere wereld betreedt, weg van de bedelaars, ­schooiers, dieven, gaten in weg en rotzooi. De stad is Sodom en Gomorra, maar achter die beschermende muren strekt zich een ideaal christelijk gezinsleven uit, in een omgeving ­zonder narratief of een beladen verleden, ­nagenoeg zonder overheidsbemoeienis, en zeker zonder politiek.

Want dat is een ander belangrijk aspect aan de clustercomplexen, iets wat Chipkin ook onderstreept: hier is de door de bewoners bemande body corporate de baas, een orgaan dat is gekozen door de bewoners en erop toeziet dat de regels worden nageleefd. De body corporate mag boetes uitdelen als zich bijvoorbeeld geluidsoverlast voordoet, of als er binnen het complex te hard wordt gereden, of als een bewoner niet controleert of het hek wel volledig dicht is gegaan. Die boetes worden verrekend met de maandelijkse heffingen. ‘Het stuit sommigen tegen de borst, maar iedereen houdt zich er wel aan omdat het rust en orde oplevert’, zegt Chipkin. ‘Iedereen wil die rust. De regels zorgen voor een veilige omgeving, waarbinnen je met mensen kan omgaan zonder directe confrontaties. Want de body corporate handhaaft de orde. En daarmee wordt meteen de waarde van de huizen bewaakt. Tegen de landelijke trend in zijn de huizen hier nauwelijks in waarde gedaald sinds de crisis.’ Fitzgerald vat het bondig samen: ‘De body corporate is een miniatuurversie van hoe Zuid-Afrika eruit zou kunnen zien. Het zijn de politici die voor de problemen zorgen, niet de mensen.’

Maar de body corporate kan ook te ver gaan, vindt Gellis Meyer, een 38-jarige manager bij een kwaliteitscontrolebedrijf. We hebben afgesproken in de Clearwater Mall, een gigantisch winkelcentrum met 240 winkels dat samen met de nabijgelegen Makro en de bouwmaterialenwarenhuizen in het kielzog van de middle class-invasie in de West Rand is verrezen. Net als de clustercomplexen symboliseert het winkelcentrum dat nieuwe, geschiedenisloze, schone, bewaakte Zuid-Afrika waar de verschillende rassen zich probleemloos langs elkaar bewegen zonder werkelijk te mengen.

In de Mugg & Bean bestelt Meyer een koffie en steekt zijn verhaal af. Hij groeide op in het Afrikaner stadje Brits en zeven jaar geleden kreeg hij een baan aangeboden in Johannesburg. Via een makelaar kocht hij zo’n Genesis-woning in het Nashira-complex. Het standaardverhaal: twee slaapkamers, 55 vierkante meter, 47.000 euro. ‘Het was strategisch gelegen en leek veilig’, zegt hij.

Indachtig Chipkins theorie ruilde hij al snel de oude Afrikaner Nederduits gereformeerde kerk in voor de minder stijve ­Mosaïek Church waar de diensten ook in het Engels worden gehouden. Ook ontdekte hij de lokale fitnessschool waar hij nieuwe vrienden maakte. Kortom, hij leek gelukkig te worden in zijn klinische nieuwe woonomgeving.

Maar toen begon de hel van de body corporate. ‘Ik kon de voorzitter niet uitstaan’, zegt hij. Die voorzitter was een oudere Afrikaner vrouw die Nashira met ijzeren vuist regeerde. ‘Ze kwam met regels als: “Je buurman mag je niet horen.” Maar je woont dicht op elkaar, dus je moest je als een schim door je eigen huis bewegen.’

Hij toetst wat knopjes in op zijn mobiele telefoon en laat een foto zien van vijf mannen in een jacuzzi. ‘Die stond in mijn tuin. Op een zaterdagavond hadden we een jacuzzifeestje, en om negen uur liet ze de stroom afsluiten. Op een gegeven moment kon ik haar wel wurgen’, zegt de massieve Meyer die zes keer per week de fitnessschool bezoekt. Hij voelde zich constant bespioneerd. De vrouw wist alles van hem. Niet alleen van hem, van iedereen. Hij hield het niet meer uit en besloot te verhuizen. Nu woont hij in Ashford Manor, een ander nabijgelegen cluster­complex. Daar vraagt de voorzitter van de body corporate tenminste vriendelijk of het een leuk jacuzzifeestje was gisteravond.

Maar het leven in een gated community blijft behelpen. Een jaar geleden werd Meyers veiligheidsillusie verstoord door een inbraak: televisie weg, laptop weg. En hij heeft geen enkel contact met zijn complexgenoten. Sterker nog, hij kent ze nauwelijks. ‘Misschien hoort het bij die nieuwe cultuur, die mix van rassen, maar iedereen is heel erg op zichzelf.’ Hij mist de gemoedelijkheid van de oude Afrikaner woonbuurten waar iedereen elkaar groette. ‘Ik hoopte zoiets als Desperate Housewives aan te treffen, een clubje goede vrienden dat nauw met elkaar omgaat.’

Nu beperkt zijn sociale leven zich tot de fitnessschool, de organisatie van worstel­demonstraties en bezoeken aan de Clearwater Mall. Verder tekent hij en rijdt hij wat rond op Hendrik Potgieter Road met zijn handelaars in tweedehands auto’s. ‘Het voelt hier alsof je in een glazen stulp leeft. Mensen doen totaal geen moeite om elkaar te leren kennen. Het probleem is dat je hier helemaal individualistisch wordt, wat kan leiden tot het morele problemen. Zoals? Zoals iedere avond een andere vrouw mee naar huis nemen bijvoorbeeld.’ Hij staart bedroefd naar zijn halflege koffiekop. ‘Ik voel me ontzettend eenzaam hier.’