Vierhonderd jaar grachtengordel: De verbouwing

Wonen in een stijlkamer

Een zeventiende-eeuws grachtenpand in ere herstellen en tegelijkertijd geschikt maken voor het leven van nu. Dat is een onafzienbaar traject: je weet niet wat je aantreft, wat de buren ervan vinden, en welke instanties elkaar tegenwerken.

Medium voorkamerweek35 groot

Op Funda.nl was het appartement al diverse malen voorbij gekomen. Een ‘soubel’ aan de Herengracht, souterrain en beletage. Maar het zag er zo deftig uit met die stijlkamers en beschilderde plafonds dat ik dacht: ben ik dat? Een woning zoeken is meteen een identiteitstoets, nietwaar.

Totdat we toevallig bij onze achterburen waren die in de rijkst gedecoreerde stijlkamer wonen die ik ooit had gezien, met vergulde cherubijnen aan de wanden en wat al niet. Het was er onverwacht gezellig, met kinderspeelgoed en slingerende kranten. Je kunt wel degelijk ‘normaal’ wonen in zo’n kamer, bleek. We zijn aan de Herengracht gaan kijken en om een lang verhaal kort te maken, we gaan er wonen, mijn man en ik. Hopelijk begin volgend jaar.

Want daar gaat een onafzienbaar verbouwingstraject aan vooraf. Onafzienbaar, omdat je niet kunt weten wat je allemaal gaat aantreffen in een pand uit de zeventiende eeuw waarin al eeuwen is gewoond, gewerkt – en verbouwd. Je weet nog niet hoe de verschillende instanties elkaar zullen tegenspreken, zeker bij een rijksmonument. En natuurlijk heb je met je buren te maken, die als Vereniging van Eigenaren zeggenschap hebben over ingrepen aan de schil van het gebouw. Het zijn nogal wat mede-eigenaren, want begin jaren zeventig zijn drie panden samengevoegd tot één complex van veertien appartementen dat sinds een verbouwing in de jaren tachtig Den Heeren Drie heet. In de negentiende eeuw was de bijnaam Het Huis met de Dolfijnen, naar de afbeeldingen met dat typische dolfijnenlachje aan weerszijden van de halsgevel.

Iedereen die op huizenjacht is geweest kent het: je hebt amper een voet over de drempel gezet en je weet: dit voelt goed. De twee stijlkamers op de beletage zijn goed van verhoudingen, ruim zonder dat je je verloren voelt. Fijne ruimtes voor wonen, werken en de culturele ontmoetingen die we sinds 2005 onder de naam Sense of Place organiseren – zeg maar een eigentijdse salon. In het souterrain waren er geen historische elementen meer, wel een keuken aan de straatkant en een tuintje achter. En als we straks oud en krakkemikkig zijn, kunnen we met onze rollator dankzij de dienstingang beneden ons huis nog in.

Het pand is waarschijnlijk in 1678 gebouwd door Gerard Schatter, belastingontvanger te Haarlem, en zijn vrouw Maria Commersteyn. Naast hen bouwde de familie Trip, wapenhandelaren, in datzelfde jaar een dubbel pand als beleggingsobject; ze hebben er nooit zelf gewoond. Samen vormen ze nu Den Heeren Drie. In 1869 werd het dubbelpand gekocht door de bankier Amandus May, die het in 1895 liet verbouwen door Eduard Cuypers, neef van de architect van onder andere het Rijksmuseum en het Centraal Station Amsterdam. Cuypers was een kind van zijn tijd en bracht in de vestibule een eclectische verzameling nieuwe, rijke onderdelen toe: marmeren korintische zuilen, marmeren wanden en vloer, een tussendeur in de ontluikende art nouveau-stijl en een mahoniehouten steektrap à la Louis Quatorze. Zijn opvolger begin 21ste eeuw is Hans Kuiper, partner in het in renovatie en restauratie gespecialiseerde bureau van André van Stigt.

In De engel van Amsterdam heeft Geert Mak prachtig over zijn huis aan een van de burgwallen geschreven, waarvan de geschiedenis die van de stad zelf weerspiegelt. Ik denk er vaak aan terug als ik de opeenvolgende eeuwen bij ons teruglees. De schoorsteen in de salon is het mooiste voorbeeld. Nu zijn de zeventiende-eeuwse bakstenen blootgelegd, de zogenaamde ‘boerengeeltjes’, met daaromheen een houten sierlijst voor de spiegel uit de achttiende eeuw. In de negentiende eeuw werden de relatief simpele, stoere ruimtes tot stijlkamers gemaakt, inclusief een nog veel decoratiever sierlijst rond een enorme vergulde spiegel, die nu geduldig in zijn kist staat te wachten totdat hij weer mag gloriëren. In de twintigste eeuw werden dwars over de bakstenen metalen elektraleidingen gelegd. Wij voegen daaraan een element uit het digitale tijdperk toe: een verborgen inbouwnis voor een beamer voor presentaties.

In de grotere van de twee stijlkamers, aan de achterkant, komen straks oud en nieuw op een bijzondere manier samen op het plafond. Daar is een groot, leeg ovaal waarin een plafondschildering moet hebben gezeten, die naar verluidt in de oorlog is verdwenen, niemand weet er het fijne van. Daar komt een hedendaagse weergave van een plafondschilderij uit 1700 van de Dordtse schilder Abraham Bisschop. Zijn doek, dat we voor het eerst op de Tefaf zagen, is een verbeelding van de fabel van Aesopus over de kraai die met de veren van andere vogels pronkt, waarna die de kraai te grazen nemen en hun veren terugpakken.

Na jaren proberen is het Dordrechts Museum er twee jaar geleden in geslaagd dit schilderij, op diezelfde Tefaf, te kopen, en het wordt daar nu gerestaureerd. Met toestemming van het museum heeft Hans Kuiper een extreem gedetailleerde foto van het rechthoekige doek gemaakt; op het beeldscherm kun je diep in elke barst in de olieverf kijken. Met Photoshop heeft hij alle vogels eruit gelicht en in de ovale vorm van het plafond teruggeplaatst. Dat digitale schilderij wordt straks bij het plafond terug geschilderd. Het heeft wel wat, vind ik, om een in wezen moralistisch schilderij ‘terug’ te plaatsen in een negentiende-eeuwse stijlkamer, het hoogtepunt van de pronkzucht in Amsterdam, in een geheel nieuw samengaan van de analoge en digitale werelden.

Natuurlijk is er meer toe te voegen uit deze tijd: energiezuinige verlichting en luchtbehandeling, licht en geluid voor de salonbijeenkomsten, vloerverwarming in het souterrain, een veilig afzuigsysteem voor de open haarden, aangezien de schoorstenen decennia geleden zijn afgesloten. Het is een geluk dat de stijlkamers als dozen zijn ingebouwd in de kamers uit de Gouden Eeuw, soms met onderdelen van papier-maché dat in Duitsland werd geproduceerd en dat je uit een catalogus kon bestellen. (Geweldig idee dat we misschien in een negentiende-eeuwse variant van een cataloguswoning wonen.) De ruimtes tussen de oude en nieuwe kamers – dus tussen de eeuwen – bieden ons de kans om een pand uit de zeventiende eeuw in ere te herstellen en tegelijkertijd geschikt te maken voor het leven van nu.

‘Je moet als opdrachtgever proberen als water door je eigen project te lopen’, zegt architect Hans Kuiper. ‘Je weet van tevoren dat je veel van je wensen en ambities zult moeten aanpassen, maar je weet nog niet waar de obstakels zitten. Je moet je verlies kunnen nemen en meteen doordenken: hoe dan wel?’

Zijn aanpak van onze plek aan de Herengracht kan hij niet met één enkel woord omschrijven. ‘Op de beletage is het restauratie, maar het is ook herbestemming: jullie gaan in de salon culturele ontmoetingen houden, een functie die voorzover bekend nieuw is voor dit huis. Beneden in het souterrain kun je het renovatie noemen, of eigenlijk beter revitalisatie. De kelder is zowel het terugbrengen van een oude functie als een nieuwe ontwikkeling. Het zijn veel disciplines door elkaar.’

Dat grachtenpanden zo flexibel zijn, is een mythe, vindt Hans Kuiper – de panden zijn het misschien wel, maar de regelgeving eromheen zeker niet. ‘Een trap van zeventig centimeter breed met de oorspronkelijke houten treden, mag niet van de brandweer, maar móet intact blijven van Monumentenzorg. Op het gebied van energieverbruik zijn de grachtenpanden door de huidige regelgeving helemaal niet duurzaam. De ideeën over isolatie en energie zijn voortgeschreden, maar in je grachtenpand moet je het nog steeds stellen met enkel glas. In de nieuwbouw moet het haast massief, aan de gracht staat de energiekraan wagenwijd open.’

Ja, de grachtengordel wordt nu enorm gekoesterd, zeker sinds de aanwijzing in 2010 tot Werelderfgoed van de Unesco. Net als in de zeventiende eeuw brengt het onroerend goed stevige prijzen op. Maar dat kan verkeren, wil Kuiper zeggen: in de jaren zeventig waren de grachten helemaal niet populair en stonden de huizen er verwaarloosd bij. ‘Het behoud van dit soort erfgoed zou niet afhankelijk moeten zijn van de tijdgeest en de vraag of de stadsgeschiedenis “in de mode” is of niet.’

Aan gelukkige omstandigheden geen gebrek – dit moet wel een blij huis worden. Een vorige eigenaar, de distillateur Willem Hendrick Warnsinck, heeft in 1870 de stoep gesloopt en de ingang naar het souterrain verplaatst. Daardoor hebben wij in plaats van twee ramen en een deur drie ramen aan de gracht. Vermoedelijk was het ook Warnsinck die tegen de kou grote voorzetramen aan de noordzijde toevoegde, aan de grachtkant. Weer een geluk, want dat had nu niet gemogen van Monumentenzorg.

In de jaren zeventig heeft de Universiteit van Amsterdam het complex gekocht en tot collegezalen gemaakt, ik meen voor politicologie; bij de achterkamer vonden we nog het plastic bordje met ‘Collegezaal 003’ erop. Het was ook de UvA die binnenshuis een doorbraak maakte tussen het dubbelpand en ons pand – ook iets wat nu niet meer zou mogen van Monumentenzorg. Het gevolg is dat wij via het buurpand naar binnen gaan en dan als het ware dwars door de muur heen afslaan naar ons huis. In 1988 kwam het geheel in handen van een projectontwikkelaar die de fundering liet herstellen, daarbij de oude bakstenen kelder met puin dichtgooide en in de drie panden veertien appartementen maakte.

Ja, de fundering en de kelder. Al meer dan een jaar praten we met de buren over weinig anders. Korte samenvatting van het voorgaande: de vorige eigenaar wist niet beter dan dat er géén kelder onder zat. Maar uit de archieven bleek dat er oorspronkelijk wel eentje had gezeten, van baksteen, aan de voorkant van het huis. Bij het funderingsherstel was die zoals gezegd dichtgegooid, en er was ook een lift geplaatst. De kelder wilden we graag terugbrengen. Terecht vroegen de buren zich af: hoezo gaan jullie een groot gat onder ons huis graven? Na uitgebreide besprekingen gaf de Vereniging van Eigenaren toestemming en het graven kon beginnen.

Totdat bleek dat er bij het vernieuwen van de fundering in de jaren tachtig een fout was gemaakt. Vanwege het extra gewicht van de nieuwe lift hadden er extra palen aan die kant moeten worden geplaatst. Misschien is de tekening op z’n kop gelezen, wie zal het zeggen, maar de extra palen zijn er niet gekomen. Terug naar de Vereniging van Eigenaren (VvE), nu over dit funderingsgebrek (volgt u het nog?). Conclusie van de door de vereniging ingehuurde onafhankelijke kelderdeskundige: de beste manier om de stabiliteit van het pand in de toekomst te garanderen, is de kelder over de héle lengte van het huis maken en onderwijl de ontbrekende palen toevoegen. We krijgen als het ware ‘noodgedwongen’ een grote kelder. Een geluk, weer, maar nu bij een ongeluk. Over de verdeling van de kosten komen we nog met elkaar te spreken.

In een ander pand aan de Herengracht huist nu Castrum Peregrini (castrumperegrini.org), een cultureel centrum – intellectual playground noemen ze zichzelf ook – waar de schilderes Gisèle d’Ailly tijdens de oorlog jonge Duitse vluchtelingen onderdak bood en hun geestelijk welzijn behield, onder meer door middel van poëzie. In Castrum is nu een tentoonstelling te zien van het project Tussen-ruimte. Het eerste is een project van architect Jarrik Ouburg en het bureau voor culturele innovatie Non-fiction. Van een spleet van nog geen meter breed tussen twee panden aan de Herengracht maakten ze een zen-achtige tussen-ruimte. Ze stortten wit grind op de grond en hingen lange witte doeken in de hoogte. Een non-plek werd ineens een plek waar je echt iets kon beleven.

Bij de presentatie van deze eerste tussen-ruimte zei Ouburg dat hij van het eerste deel van de grachtengordel houdt omdat het nog vol zit met dit soort spleten en gaten. In het latere deel van de stadsuitleg werden de huizen steeds dichter, netter op elkaar gezet: geen poorten en stegen meer tussen de huizen, maar een besloten front van welvaart. Ik denk er vaak aan als ik weer eens naar ons nieuwe huis loop, want dat ligt in dat nette gedeelte, de laatste uitbreiding van de grachtengordel. Ik hoop dat we met Sense of Place een wig kunnen drijven in dat gesloten bastion om een nieuwe levendigheid aan de grachtengordel te brengen. Alles in het nette natuurlijk.


Tussen-ruimte opent tijdelijk stegen, binnentuinen en andere onbenutte plekken in de grachtengordel van Amsterdam, in samenwerking met kunstenaars en architecten. In augustus en september zijn deze ruimtes open voor publiek, vinden lezingen, presentaties en filmavonden plaats en is er een tentoonstelling over het project in Castrum Perigrini: tussen-ruimte.tumblr.com