Neotraditionalistische themawijken

Wonen is een belevenis

Rotterdam heeft zijn nieuwe kasbahwijk. Zaandam maakte van zijn centrum een moderne Zaanse Schans. Ook Helmond wil met een themawijk nieuwe bewoners lokken. Welkom in de oud-Hollandse Vinex-wijk De Veste.

Medium hh 288915022 20 1

‘We wonen aan de gracht, in een grachtenpand van vijf verdiepingen. Voordat we hierheen verhuisden, woonden we in Nuenen, maar dit was zo mooi dat we het niet konden laten lopen.’ Petra Adelaars is eigenares van een kapsalon en oprichtster van de plaatselijke businessclub. Haar zachte g verraadt een Brabantse afkomst. Ze praat niet over Amsterdam, Utrecht, Delft of Leiden, maar over nieuwbouwwijk Brandevoort, de parel van Helmond. Een fonkelnieuw vestingstadje omringd door fonkelnieuwe buitengebieden in een dorpse sfeer. Het huis waar ze met zoveel liefde over spreekt, aan de Neerwal, met op de begane grond haar eigen kapsalon, is nauwelijks te onderscheiden van zijn authentieke evenbeelden. Een bakstenen gevel met witte houten kozijnen en vensterramen, een markies, een dakgoot met sierlijst. De Neerwal is een smal, krom straatje in de ware traditie van een oud-Hollandse vestingstad waarin ieder huis, iedere gevel, iedere voordeur anders is en waar de namen van de bewoners in sierletters zijn opgeschreven. De bewoners zijn trots op hun woonomgeving. Adelaars: ‘Als je De Veste binnenrijdt, ben je meteen verliefd.’

Wie De Veste binnenrijdt is eerst door de buitengebieden van Brandevoort gekomen. Boerenhoeven, notariswoningen, huizen in koloniale stijl en andere bijzondere traditionele bouwwerken, allemaal gebouwd aan het eind van de twintigste en het begin van de 21ste eeuw. Een themawijk, zoals die steeds meer te zien zijn in Nederland. Amsterdam bouwde al in de jaren negentig het oud-Hollandse dorpje Noorderhof in Geuzenveld, Rotterdam bouwde de Mediterrane wijk Le Medi in Delfshaven, geheel in de stijl van een Arabische kasbah, Den Haag bouwde de Oriënt, Zaandam toverde het hele centrumgebied om tot een 21ste-eeuws equivalent van de Zaanse Schans. Een trend die samenvalt met de toenemende behoefte van gemeenten en consumenten om zich te onderscheiden van de rest.

Dat gold ook voor Helmond. In de Vierde Nota Extra voor ruimtelijke ordening, de Vinex, kreeg de stad de opdracht een uitbreidingswijk te bouwen met zesduizend woningen. Zoals meer steden in het land opdracht kregen om uit te breiden. ‘Dat stelde ons voor een lastige opdracht’, blikt projectmanager Jacqueline Klomp terug naar het midden van de jaren negentig. ‘Er was hier in de regio juist veel vraag naar dorps wonen. Maar in de Vinex werd expliciet gekozen voor het uitbreiden van steden en het klein houden van dorpen.’ Goed nieuws voor de oude textielstad Helmond die wel een frisse wind kon gebruiken. Sinds het sluiten van de fabrieken in de jaren tachtig was de stad in een neerwaartse spiraal beland. Een laagopgeleide beroepsbevolking, hoge werkloosheid, relatief hoge criminaliteitscijfers, volksbuurten in verval en een uitstroom van koopkrachtige inwoners. Het imago van Helmond was niet best. ‘We wisten dat we iets bijzonders moesten doen om te concurreren met de Vinex-wijken die in de buurt zouden worden gebouwd, in bijvoorbeeld Eindhoven en Best’, vertelt Klomp. ‘Waarom zouden mensen voor een huis in Helmond kiezen als ze een vergelijkbaar huis konden krijgen in een andere gemeente?’

In de jaren ervoor had Helmond een bescheiden maar opmerkelijk succes geboekt met de nieuwbouwwijk Dierdonk, een wijk met enkele vrijstaande woningen in jaren-dertigstijl, vriendelijke plantsoentjes en kromme straten, kortom, waar tot in detail de gemoedelijkheid van vervlogen tijden is nagebootst. ‘Het succes van Dierdonk maakte ons duidelijk dat we ook voor onze nieuwe Vinex-wijk in die richting moesten denken. Er bestond een duidelijke behoefte aan woningen en wijken in een historische bouwstijl.’ Tijdens de ontwerpfase van Dierdonk, begin jaren negentig, was dat nog een constatering die voornamelijk op hoongelach kon rekenen. Nederland is immers het land van het modernistische, functionele bouwen waar stedenbouwkundigen en architecten bepalen en bewoners volgen. Het land van de strakke regie op het gebied van planvorming en architectuur.

‘We hebben in Nederland een obsessie met het authentieke’, stelt Arnoud-Jan Bijsterveld, hoogleraar Brabantse cultuur aan de Universiteit van Tilburg. ‘Alles wat nagemaakt is, is minderwaardig. Dat zie je sterk terug in onze architectonische traditie, waarin de architect vooral de rol van scheppend kunstenaar heeft en er altijd iets nieuws moet worden gemaakt.’ Het wordt bijna gezien als een belediging voor het vak om iets na te bouwen van eeuwen of decennia geleden. ‘Je ziet het ook in onze obsessie met de vraag of iets een echte Rembrandt is. Of in de manier waarop wij bij restauraties nog vaak terugrestaureren naar de zogenaamd oudste vorm. Dat is in lang niet alle culturen het geval. In Aziatische landen bijvoorbeeld is de kopie even waardevol als het origineel.’

Ondanks scepsis van kenners en critici werd Dierdonk door het gewone volk bijzonder goed gewaardeerd. De bakstenen woningen met zadeldak waren in een mum van tijd verkocht aan een kapitaalkrachtig gezelschap. Missie geslaagd. Dus dacht het projectteam in Helmond bij de nieuwe rijksopgave in dezelfde richting. Bouwen voor de bewoners en voor niemand anders. Door de grote vraag in de regio naar dorps wonen, vrijstaande woningen en twee-onder-één-kap kwam het projectteam op het idee om de nieuwe wijk op te bouwen uit een aantal splinternieuwe dorpjes. ‘Met vrijstaande woningen in traditionele stijl, veel ruimte en een gemoedelijke sfeer’, aldus Klomp. Maar dat plan stuitte op een praktisch probleem: de Vierde Nota Extra vereist een hoge bebouwingsdichtheid. Met enkel nieuwbouwdorpen zouden de zesduizend inwoners nooit worden gehaald. Klomp: ‘Dat dwong ons om ter compensatie een deel van de wijk toch in te richten met rijtjeswoningen en appartementencomplexen. Maar we wilden per se geen doorsnee wijk met doorsnee straten en doorsnee huizen bouwen. Toen ontstond het idee om de rijtjeswoningen en appartementen te bouwen in de vorm van een vestingstadje.’ Een stedenbouwkundige opzet die door de compacte vorm een bijzonder hoge dichtheid heeft. Het bleek de ideale oplossing. De nieuwe wijk, geheel in stijl Brandevoort gedoopt, zou worden opgebouwd als een Brabants vestingstadje in de stijl van Heusden, omringd door buitengebieden, naar het voorbeeld van de dorpen Hilvarenbeek en Oirschot. De Luxemburgse architect Rob Krier werd gevraagd het plan uit te voeren. ‘Hij had al veel huizen en losse straten en bouwblokken in traditionele stijl ontworpen, maar het was zijn grote droom om een heel dorp of een hele stad te maken’, aldus Klomp, die zich bewust was van het risico dat de gemeente nam met het plan. ‘Het modernistische bouwen was op dat moment de standaard. We werden ook uitgelachen en sommige architecten die we benaderden wilden niets met het plan te maken hebben.’

lswa was een van de architectenbureaus die werden benaderd. Het gezelschap uit Oirschot moest even goed nadenken of ze hier hun vingers aan wilden branden, herinnert Cees Seelen zich. ‘Je wilt niet dat het een soort Disneyland wordt, dat het nep wordt. Wat voor ons de doorslag gaf, was dat iedere woning anders zou worden, dat we hoogwaardig materiaal konden gebruiken en dat de opzet was dat ook alle historische details zouden kloppen. Daarmee voorkom je dat het kitsch wordt.’ Dat vindt ook Klomp. ‘We wilden geen gevelbouw, waarbij de gevel iets belooft wat de achterkant niet waarmaakt. Dan wordt het net de Efteling.’

Brandevoort bleek een zeldzame aantrekkingskracht te hebben. Zeven jaar geleden verhuisde Cora Brouwer met haar gezin vanwege het werk van haar partner van Badhoevedorp naar Brandevoort. Ze bekeken drie locaties in de buurt van Eindhoven, met als uitgangspunt: goede scholen voor de kinderen en genoeg kamers voor een betaalbare prijs. Naast Brandevoort bezochten ze nieuwbouwwijken in Best en Nuenen. ‘Die vielen wegens verregaande lelijkheid en ellende af. Van die wijken die eruitzien alsof er een ufo is overgevlogen die een lading rotzooi naar beneden heeft laten vallen. Ken je Nieuw-Sloten? Dat is net zoiets. Zo gruwelijk. Het is een grote eenheidsworst.’ Een gevoel dat ze niet kreeg bij Brandevoort. ‘Dat vonden we meteen mooi. We hadden er wel eens wat over gezien en gelezen, meestal negatieve verhalen. Jakkes, een Anton Pieck-dorp. Maar dat is onzin. Het grote verschil tussen Brandevoort en de gemiddelde nieuwbouw- en Vinex-wijk is dat hier elk huis anders is. En dat de huizen kwalitatief heel goed zijn.’ Brouwer woont in Schutsboom, een van de drie buitengebieden die inmiddels gerealiseerd zijn. Hier werden in 1999 de eerste woningen van Brandevoort opgeleverd en verkocht. Haar huis is een twee-onder-één-kap-woning in traditioneel Brabantse stijl. Een gevel van wit gekeimde baksteen en een schuin pannendak. Waarom speciaal dit huis? ‘Omdat er destijds niet zo veel keus was. Er stond bijna niets te koop.’ Het is tekenend voor de ongekende populariteit van de wijk. Klomp: ‘In de eerste fase stonden er rijen mensen als er nieuwe woningen in de verkoop gingen.’

Op een steenkoude woensdagochtend ligt het centrum van De Veste er verlaten bij. Op het bevroren grachtje naast het marktplein schaatst een vader met een kind. Enkele vrouwen doen boodschappen bij de bakker, de Hema, het Kruidvat, de Zeeman of een van de andere grote ketens die zich in het hart van Brandevoort hebben gevestigd. Het grand café en de cafetaria zijn nog gesloten, veel winkelpanden staan leeg. Het is niet het beeld waar men vooraf op had gehoopt. Zoals in iedere andere vestingstad zou het winkelaanbod bestaan uit kleine, authentieke winkels. Maar de realiteit van de grondexploitatie maakt dat nagenoeg onmogelijk. Klomp: ‘We hebben het winkelhart uitbesteed aan het Bouwfonds en hebben er niets meer over te zeggen. Ik zou ook liever zien dat er allemaal leuke verrassende winkels zouden zitten, maar het is niet anders.’ Zoals in zoveel nieuwbouwwijken zijn de huurprijzen van winkelruimte torenhoog om het plan kostendekkend te maken. Het in stand houden van een kleine zaak is daardoor bijna onmogelijk. ‘Heel jammer’, vindt Petra Adelaars, eigenares van de kapsalon en voorzitter van de businessclub. ‘Nu zitten we toch weer met die standaard ketens.’ Zelf slaagt ze erin om haar kapsalon draaiende te houden. ‘Maar dat is anders. Ik heb een eigen zaak aan huis en heb daarom niets met de hoge winkelhuren te maken.’ Het idee was ook dat in Brandevoort veel meer van deze constructie gebruik zou worden gemaakt. Leuk voor de levendigheid in de woonstraatjes en een ware trekpleister voor kleine ondernemers. ‘Maar tegenwoordig krijg je geen vergunning meer omdat er zoveel winkelruimte leeg staat. Terwijl het toch geweldig zou zijn als je hier in de straat allemaal kleine ambachten zou hebben. Een naaiatelier, een beeldhouwer, iemand die kaarten maakt. Maar je ziet dat het uiteindelijk toch om geld draait.’

Het zijn niet alleen de hoge huren die het ondernemerschap in Brandevoort zo lastig maken. Door de economische crisis en de crisis op de woningmarkt zijn nog maar drieduizend van de zesduizend woningen gerealiseerd. Dat betekent een te klein klantenpotentieel om goed te kunnen boeren. Een probleem van veel Vinex-wijken, weet ook Klomp: ‘Maar we hopen nog steeds dat als de wijk in 2018 klaar is de kleine winkels alsnog komen.’

Ondanks de crisis is Brandevoort nog steeds in trek. Hoogleraar Bijsterveld begrijpt goed waarom: ‘We leven in een tijdperk waarin we allemaal een superindividu willen zijn. Je ziet dat terug in de keuze voor kleding, auto’s, vakanties, die moeten allemaal aansluiten bij onze specifieke identiteit. Die behoefte is ook terug te zien bij de keuze voor woningen, maar lange tijd werd de woningbouw sterk geregisseerd door de overheid. In België is het veel vrijer en mag iedereen zijn eigen huis bouwen. Dat levert mooie, maar ook vreselijk lelijke dingen op. Hier had je je te schikken in het aanbod, dat vaak sober was. Het enige wat je kon doen om je te onderscheiden was een andere voordeur kiezen dan de buren. Dat zag je dan ook veel gebeuren. Iedere vrijheid die er was, werd aangegrepen. Je ziet nu de laatste tien, vijftien jaar dat het woningbouwbeleid wat vrijer wordt. Daardoor is voor de middenklasse een nieuwe mogelijkheid ontstaan om ook met de woningkeuze de individuele identiteit te uiten.’

Dat is precies wat Petra Adelaars heeft gedaan. Ze verruilde haar doorsnee woning in Nuenen voor een leven in een vestingstadje. ‘Er heerst echt een dorpsgevoel. Mensen groeten elkaar op straat en er wordt van alles georganiseerd.’ Zelf leidt ze de creaclub in buurthuis ’t Trefpunt en zit ze in de organisatie van de plaatselijke carnavalsoptocht. ‘In Nuenen deed ik dat soort dingen niet. Maar hier is iedereen betrokken en actief, daar ga je vanzelf in mee.’

Zo kent De Veste al het Zonnefestival, de Brandevoorterdag en de Dickens Night, hoogtepunt van het jaar dat in december zijn tienjarig jubileum vierde. De Veste wordt geheel gehuld in dickensiaanse sferen, bewoners gaan in klederdracht naar buiten en in de straatjes en op het marktplein is een kerstmarkt. ‘Een groep bewoners dacht tien jaar geleden: wat Deventer kan, kunnen wij ook. Het decor hebben we toch al’, vertelt Jacqueline Klomp.

Ook Cora Brouwer kreeg het gemeenschapsvirus al snel te pakken. Ze sloot zich aan bij de vrijwillige redactie van de Brandevoortse Courant en is tegenwoordig hoofdredacteur. In januari schreef ze in het redactioneel commentaar: ‘Genieten van het moment lijkt voor januari niet te gelden. Alhoewel… Verrassend was de sneeuwval. Mooie plaatjes kregen we weer op ons netvlies en die sleeritjes doen het natuurlijk ook altijd goed. En door de wijk rijden over die spekgladde wegen, spannend en uitdagend met onze zomerbanden. Een wijktocht is dan zo geboren, als de Elfstedentocht maar niet wil komen.’ Net als de Dickens Night geheel in stijl met het romantische beeld dat De Veste oproept.

Sabine Meier deed vier jaar onderzoek naar de bouw van themawijken, met als onderzoeksgebieden Brandevoort in Helmond, Noorderhof in Amsterdam-Geuzenveld en Le Medi in Rotterdam-Delfshaven. Een fenomeen dat de geboren Duitse persoonlijk intrigeerde. Ze studeerde architectuur aan de Technische Hogeschool in Aken en verhuisde halverwege de jaren negentig naar Nederland. Al snel kwam ze bij architectenbureau Scala terecht, net als de meeste Nederlandse architectenbureaus bekend om zijn modernistische inslag. ‘Maar voor ik het wist zat ik zadeldaken en krullen te tekenen’, zegt ze lachend. ‘De eigenaren Mieke Bosse en Peter Drijver waren helemaal om, omdat ze ontdekten dat bewoners steeds meer behoefte hadden aan neotraditionalistisch wonen. En ze hadden daar, anders dan veel andere architecten, geen moreel oordeel over. Wie waren zij om te bepalen wat mensen mooi moesten vinden? Ik weet nog dat ze zich in de begintijd erg moesten verdedigen.’

Al snel had de nieuwe manier van bouwen zich een serieuze positie binnen de Nederlandse woningbouw en architectuur verworven. Meier: ‘Dat vond ik fascinerend. Hoe een land met zo’n sterke modernistische traditie kon overstappen op neotraditioneel bouwen.’ Bovendien raakte ze geïntrigeerd door de sterke behoefte die mensen bleken te hebben aan nostalgische sferen. Een behoefte die over het algemeen wordt toegekend aan een gevoel van ontvreemding in een snel globaliserende wereld, legt Arnoud-Jan Bijsterveld uit. ‘Mensen willen graag ergens wonen waar het vertrouwd en veilig voelt. Dat gevoel krijgen ze meer bij een huis en een wijk in de stijl van de jaren dertig, of van eeuwen geleden, dan bij een modernistisch huis.’

Maar meer nog werd Meier geboeid door het sterke gevoel van identiteit dat bewoners ontlenen aan het wonen in een gethematiseerde wijk. In het boekje Themawijken dat ze schreef samen met hoogleraar stadsgeografie Arnold Reijndorp, besteedt ze veel aandacht aan dit gegeven. Ze schrijft daarin: ‘De stadssocioloog Mark Gottdiener zet uiteen dat in de Verenigde Staten sinds de postindustriële reorganisatie van de economie in de jaren zestig, een verschuiving heeft plaatsgevonden van de waardering van functionaliteit naar een hogere waardering van symboliek. De gevoelsmatige consumptie wint steeds meer terrein en met de thematisering van producten wordt hierop gereageerd. (…) Door thematisering wordt de voorstelling aangeboden dat consumeren niet uitsluitend het pure gebruiken van een product is. Het consumeren moet bij voorkeur een belevenis zijn.’ Ze vervolgt met een verwijzing naar de socioloog Gerhard Schulze, die ‘betoogt dat mensen steeds meer hun denken en handelen oriënteren op de wens prettige situaties te beleven. Men ontsnapt niet meer aan het saaie dagelijks leven met een dagje uit. Het dagelijks leven op zich moet een belevenis zijn, zoals het werk, het forenzen, de alledaagse boodschappen en uiteindelijk ook het privé-domein bij uitstek: het wonen.’

Ze legt uit dat verkopers op deze trend inspelen door met de afbeelding van een product al direct een bepaalde sfeer te creëren waar de consument zich door aangesproken voelt. Product en sfeer worden zo onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een auto in een spectaculair landschap, knakworstjes op een bovenmatig gezellig kinderfeestje, een pensioen met een Zwitserleven-gevoel of wonen in een Brabants dorp. ‘Er worden verhalen verzonnen of opgehaald over de historie van de plaats of over het dagelijks leven in die buurt.’

‘Invented traditions’, voegt Bijsterveld toe, ‘waarmee je een collectieve identiteit en een gedeeld verleden creëert waar mensen zich naar kunnen voegen. Want hoe sterk onze behoefte aan een individuele identiteit ook is, we vinden het uiteindelijk prettig om ons te schikken naar iets collectiefs.’ Een behoefte die in Nederland sterker is dan in andere landen. ‘Omdat ons land is gebouwd op sociale controle. Van oudsher bepaalt de koning en het volk kijkt naar elkaar. Zo ontstaan collectieve arrangementen.’ Over gedrag, uiterlijk, levensstijl, interieurinrichting, noem maar op.

Voor haar onderzoek sprak Sabine Meier met tientallen bewoners, planmakers, projectontwikkelaars en architecten die betrokken waren bij de bouw van Brandevoort, Noorderhof en Le Medi. Allemaal wijken in een omgeving met een weinig positief imago. ‘De wijken keren zich door opzet en imagovorming af van hun omgeving. Daarmee wordt de omgeving indirect als minderwaardig bestempeld.’ Een gevoel dat ze duidelijk tegenkwam bij Brandevoort. Niet alleen door de planmakers en ontwikkelaars werd duidelijk gemaakt dat Brandevoort niets te maken had met het Helmond van werkloze arbeiders en volkswijken. Ook onder de bewoners heersen duidelijke ongeschreven regels voor goed fatsoen. ‘Een van de beste voorbeelden zijn de bankjes voor de deur. Bijna iedereen in De Veste heeft er een, maar het is niet de bedoeling dat je erop gaat zitten. Dat komt door de associatie met volksbuurten als Het Haagje, waar iedereen op de stoep zit. Ik sprak ook een vrouw die iets had gekocht voor aan de gevel, maar toen ze thuiskwam twijfelde ze of het wel kon. Toen heeft ze eerst nog even bij de buren gekeken en kwam tot de conclusie dat het moest kunnen. Maar ze was er erg onzeker over.’

En dan is er het verhaal van de bewoner die zijn tuinhekje in een van de besloten binnenterreinen had verhoogd waardoor hij niet meer zichtbaar was voor de buurman. Meier: ‘Het werd hem duidelijk gemaakt dat dat niet gewaardeerd werd in de hechte gemeenschap van Brandevoort.’ Typisch Nederlandse sociale controle? ‘Nee, het gaat verder. Het grote verschil is dat de makers van themawijken een context, een volmaakte sfeer aanleveren. Bewoners associëren De Veste met een buurt op stand, met de grachtengordel in Amsterdam, en ze vragen van hun buurtgenoten om zich naar dat beeld te gedragen. Er wordt gepretendeerd dat themawijken vrijheid bieden aan het individu, maar er zijn duidelijke richtlijnen waarbinnen die vrijheid geldt.’ Ze noemt het de creatie van een hyperrealiteit. ‘Een werkelijkheid die mooier is dan de echte werkelijkheid en die de bewoners in stand proberen te houden. Zoals dat ook gebeurt in pretparken. Maar in het dagelijks leven is dat niet vol te houden.’ Want ook in Brandevoort gebeuren dingen die je niet zou willen, gaan mensen dood, wonen sociaal zwakkeren en bladdert hier en daar verf af. ‘Dan kom je weer op de vraag of je kunt waarmaken wat je belooft. Je belooft een leven in Brabantse buitengebieden, in een vestingstad in een historische idylle, maar uiteindelijk woont men in een nieuwbouwwijk in de 21ste eeuw.’

Ook Bijsterveld voelde spanning. ‘Het voelt heel raar om in Brandevoort rond te lopen. Je voelt een botsing tussen verschillende werkelijkheden, de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige, alsof vroeger en nu door elkaar heen lopen. Dat heeft iets vervreemdends. Maar toen ik er was vroeg ik me af of ik er zou willen wonen. En mijn antwoord was ja. Als ik zou moeten kiezen voor een nieuwbouwwijk, dan toch Brandevoort.’

Beeld: Nieuwbouwwijk in Leidsche Rijn, 2001 (Evelyne Jacq / HH)