Hoe arm zijn de woningbouwcorporaties?

Wonen, wijken en winst

Schatrijk waren de woningbouwcorporaties. Maar nu ze als normale bedrijven belasting moeten betalen, zou een flink aantal zelfs rijp worden voor sanering. Geregisseerde beeldvorming?

Het lijkt de wereld op z’n kop. Jarenlang verschenen er smeuïge berichten over woningbouwcorporaties die miljarden euro’s in hun kassen laten beschimmelen. Nu was de werkelijkheid een tikje ingewikkelder, omdat veel waarde in woningen zat die duurder waren geworden. Maar geld was er. Als ze een bescheiden aantal woningen zouden verkopen, dan zou de corporatiesector jaarlijks zo’n vier miljard euro overhouden, aldus het Centraal Fonds Volkshuisvesting (cfv), de financiële toezichthouder van de corporaties. Geld dat de laatste tijd ook al vaker geïnvesteerd werd in verloederde wijken. Maar de politiek wilde meer: minister Ella Vogelaar sloot een akkoord met de corporaties voor extra investeringen in krachtwijken en minister Wouter Bos kondigde een vennootschapsbelasting aan.
En plotseling is daar Aedes-voorzitter Willem van Leeuwen, die namens de 470 corporaties in een brief aan premier Balkenende een heel ander beeld schetst. In het nauw gedreven door de aanstaande ‘Bosbelasting’ schrijft Van Leeuwen dat de helft van de corporaties te maken krijgt met geldgebrek en dat een ‘flink aantal’ zelfs in de ‘saneringszone’ terecht zal komen. Is hier sprake van een zorgvuldig geregisseerde beeldvorming, zoals de Woonbond van huurders bij monde van René van Genugten relativeert? Een wanhoopsdaad die de belasting waarmee het kabinet 550 miljoen euro wil binnenhalen moet afwenden? Of staan de corporaties er toch minder florissant voor dan gedacht?

Dat laatste blijkt wel mee te vallen. Volgens het cfv is 98 procent van de corporaties financieel gezond; ze hebben in de terminologie van het fonds voldoende ‘weerstandsvermogen’. Ze zijn ook zeker niet plotseling armer geworden. ‘Overdrijven is ook een kunst’, zegt directeur Jan van der Moolen van het cfv in reactie op Van Leeuwens noodkreet. De toezichthouder van de corporaties vindt dat de Aedes-voorzitter selectief gebruik heeft gemaakt van gegevens van zijn fonds. De sector kan de winstbelasting van minister Bos volgens hem best betalen. Het is bovendien logisch dat corporaties de komende tijd minder geld in kas zullen hebben. Ze hebben immers ambitieuze investeringsplannen, vooral in de veertig ‘krachtwijken’ die minister Vogelaar heeft aangewezen. Van der Moolen erkent wel dat er zo’n 61 corporaties op den duur in de gevarenzone kunnen komen als gevolg van de combinatie van lage huurverhogingen, meer investeren, stijgende bedrijfslasten en de winstbelasting. Maar voordat het zo ver is (pas in 2016) zullen die corporaties heus wel maatregelen nemen, denkt hij: ‘Iemand die op een afgrond af rijdt, verandert nu eenmaal zijn gedrag.’

Corporaties hebben in dat geval een aantal mogelijkheden. Het minste lucht geeft het verhogen van de huren. Die mogen van het kabinet immers niet sneller stijgen dan de inflatie. Op korte termijn lijkt er ook weinig politieke en maatschappelijke steun te zijn voor huurliberalisering. Voormalig minister Dekker moest met haar voornemen om de huren vrij te geven bakzeil halen toen de georganiseerde huurders meer tanden lieten zien dan verwacht.

Ten tweede kunnen corporaties huizen verkopen. Vooral in de grote steden zijn ze daar al druk mee bezig. Dat is ook een van de redenen waarom het beeld van ‘arme corporaties in arme wijken’ niet klopt. In Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht hebben corporaties de afgelopen tijd hun vermogenspositie flink opgekrikt door de verkoop van woningen. Toegegeven, verkopen is in de praktijk vaak moeilijker dan gedacht en daardoor lastig te plannen. Zittende huurders willen vaak niet kopen en ze verhuizen maar mondjesmaat waardoor er weinig woningen vrijkomen voor verkoop. Maar Van der Moolen denkt dat corporaties wel actiever werk kunnen maken van verkoop bij verhuizing. Overigens zijn huurdersorganisaties daar niet enthousiast over. In hun ogen is er in de grote steden toch al een tekort aan betaalbare woningen.

Daarnaast kunnen noodlijdende corporaties gewoon minder investeren. Dat wil niemand. Het is ook niet nodig, zelfs niet als je het geld dat Vogelaar in de krachtwijken wil laten pompen niet hebt. Neem het Rotterdamse Com.Wonen, een corporatie die woningen heeft in vier van de veertig ‘Vogelaarwijken’. Op de begroting stond al 42 miljoen euro gereserveerd voor verbeteringen in arme wijken. Door het akkoord van Aedes met minister Vogelaar moet daar nu nog eens tien miljoen euro bovenop komen. Geld dat er niet is, want woningen verkopen doet Com.Wonen al. Bezorgd ziet de corporatie ook nog eens de winstbelasting op zich afkomen. ‘We zullen voor die tien miljoen dus een beroep op de rijkere collega’s moeten doen’, zegt Com.Wonen-bestuurder Margriet Drijver.

In het verleden was dat onder corporaties een pijnlijk punt. Het straatarme Centrada uit Lelystad deed frustrerende ervaringen op toen het voor het opknappen van verouderde wijken anderhalf jaar lang tevergeefs leurde bij rijkere collega’s. Pas na een brandbrief van minister Dekker aan rijke corporaties elders in het land wilde een handvol onder strenge voorwaarden wel investeren in nieuwbouw in de Noordoostpolder. Rechtstreeks bijspringen was echter niet aan de orde. Over vrijwillige ‘verevening’, waarbij rijke corporaties armere ondersteunen, wordt al tien jaar gesproken, maar er is nog altijd niets geregeld.

Het zou zo veel simpeler kunnen, betoogt Jan van der Moolen. Armlastige corporaties met grote verplichtingen kunnen gewoon bij zijn cfv aankloppen voor projectsteun. Dat is geld voor armlastige corporaties, afkomstig van de gehele sector. Dat corporaties daar geen beroep op doen, is volgens Van der Moolen ‘pure ideologie’: ‘Men wil het in de corporatiesector per se privaatrechtelijk, dus onderling regelen. Be my guest, denk ik dan. Maar het is weinig efficiënt, want solidariteit komt nu eenmaal niet vrijwillig.’ Van Genugten van de Woonbond weet wel waarom corporaties geen beroep op dit fonds doen: ‘Ze komen dan onder curatele te staan en mogen niks meer zelf beslissen. Wij vinden daarom al jaren dat de minister die solidariteit gewoon moet regelen.’

Wat corporatiebestuurder Margriet Drijver betreft is dat niet nodig. Zij noemt de onwil om bij het cfv aan te kloppen in plaats van ideologie liever een kwestie van principes. En ze is er optimistisch over dat het met de onderlinge solidariteit deze keer wel gaat lukken. Twee weken geleden besloot het ledencongres van Aedes dat de corporaties die niet in de wijken van minister Vogelaar zitten, meebetalen aan het opkalefateren van de krachtwijken. Ook al weigeren de corporaties vanwege de winstbelasting vooralsnog hun handtekening onder een akkoord met het kabinet te zetten, ze gaan wel een fonds van 750 miljoen euro vullen. Drijver heeft er, ondanks de moeizame ervaringen van anderen in het verleden, vertrouwen in dat dit geld er ook echt gaat komen: ‘Ik hoor genoeg collega’s die zeggen: in Rotterdam wil ik wel investeren.’