Woorden

Wat lees ik nu weer? Om het eten van vis te promoten zijn er twee nieuwe woorden: zeevlees en zee-idee. Bij vis hebben mensen namelijk een associatie van graten en gezwellen. Hoe moet het nu met vlees?

Bij vlees hebben mensen namelijk een associatie van hormonen en gekke koeien, mishandelde kalveren en zieke varkens.
Daarom komt er een campagne om ook het vlees eten te bevorderen. Vlees heet in het vervolg weidekip. Dan is dat nare idee van dat zoogdier weg.
Weidekip heeft een associatie van frisheid, van buiten. Omdat mensen bij kip nogal eens de associatie hebben met een legbatterij, gaat kip in het vervolg scharrelwild heten. Niks batterij, gewoon scharrelen op het erf.
Maar bij wild denken mensen aan de jacht en aan door de adel half geraakte doodbloedende dieren, die een paar dagen moeten hangen tot ze stinken en dan te eten zijn.
Wild noemen we in het vervolg dus bosvogel. Dan denken mensen aan in de wouden vrij rondlopende dieren die op natuurlijke wijze samenleven, maar af en toe gevangen worden voor de consumptie.
Er zijn echter ook eetbare vogels naast het scharrelwild, zoals de duif. Die vogels noemen we voortaan luchtvis. Dan denken we aan lekker schoon zoeven en klapvinnen.
Door de volksmond wordt alles afgekort en spreken we over een tijdje over vlees, kip, wild en vis. Wij oudjes hebben geen idee meer wat we dan op ons bord krijgen, maar jonge mensen wennen er snel aan en door de campagnes gaat iedereen alles in grote hoeveelheden eten en daar gaat het toch om?