Interview Paul Auster

«Woorden kunnen moorden»

De New Yorkse schrijver Paul Auster geeft deze week in Amsterdam een lezing voor het John Adams Institute. Bart Vanegeren zocht hem op in Brooklyn. Over New York, Bush en het schrijven.

BROOKLYN — De doorgaans niet zo hectische wijk van New York lijkt vandaag op voet van oorlog te leven: graffitispuiters hebben 5th Avenue gelardeerd met een portret van George W. Bush met satanshorentjes (ze staan hem bééldig); in boekhandels puilen de non-fictietafels uit van de anti-Bush-boeken; in veel etalages pronkt een T-shirt met het opschrift «Good Bush» boven een dot schaamhaar en «Bad Bush» boven het presidentiële hoofd.

Het hoofdkwartier van de guerrilla tegen de zittende president lijkt gevestigd in het statige pand van schrijver Paul Auster (57). De rijzige brownstone met vier verdiepingen, bouwjaar 1892, zindert van de revolutionaire broeierigheid. In een opwelling van verregaande inleving houdt de schrijver het hele interview een zakdoek tegen zijn linkeroog, als heeft hij een overdosis traangas te verwerken gehad. «Een oude oogirritatie die nu en dan opspeelt. Bij het ontwaken lijkt mijn ooglid te scheuren, en dat is dan de opmaat voor een hele dag ellende.»

Auster en zijn vrouw, de schrijfster Siri Hustvedt, zijn druk doende lemma’s voor een anti-Bush-woordenboek samen te rapen. Hustvedt maakt met blozende konen melding van een heuse «culturele oorlog», haar man leest grinnikend zijn Bush-lemma voor: «De laatste keer dat een volk naar een bush geluisterd heeft, doolde het veertig jaar door de woestijn.»

Paul Auster heeft een carrière gebouwd op zijn geloof in het toeval. Hij liet niet alleen zijn elf romans (De New York-trilogie!, Het boek der illusies!) en drie films (Smoke!, Blue in the Face!) orkestreren door de grillen van het lot, maar ook zijn leven en zijn manier van werken. Het kan dan ook geen toeval zijn dat in Orakelnacht, zijn recentste en beste roman, te lezen staat: «Regeringen hebben altijd vijanden nodig, zelfs wanneer ze niet in oorlog zijn. Als je geen echte vijand hebt, verzin je er een. Het maakt de bevolking bang, en als mensen bang zijn, zijn ze makkelijker te controleren.»

Paul Auster: «Ik dacht niet aan ‹9/11› of Bush toen ik dat schreef, want het komt uit een verhaal waar ik meer dan tien jaar geleden aan begonnen ben. Indertijd heb ik het niet afgemaakt omdat ik het niet goed genoeg vond, maar nu heb ik het opgevist. Toen de Sovjet-Unie instortte, is Amerika meteen op zoek gegaan naar nieuwe vijanden, en het is sindsdien alleen maar erger geworden.»

Na 9/11 schreef u: «De 21ste eeuw is dan toch begonnen.»

«Dat heb ik op 11 september geschreven. Ik kon niemand bellen, maar mijn vroegere Duitse uitgever, die intussen hoofdredacteur is van Die Zeit, wist me te bereiken en haalde me over iets voor de krant van de volgende dag te schrijven. Ik wilde graag even gaan zitten om enkele notities te maken, al was ik vreselijk in de war. Het waren natuurlijk dramatische uren voor iedereen, maar Siri en ik waren helemaal buiten onszelf, omdat onze dochter die dag aan de middelbare school begon en voor de allereerste keer alleen met de metro van Brooklyn naar Manhattan was gereisd. Haar trein moet hooguit een uur voordat de torens instortten onder het World Trade Center door gereden zijn.

Ik reageer zelden direct op de politieke actualiteit, maar soms is het gewoon nodig. Zo heb ik vlak na het begin van de oorlog in Irak een protestlied geschreven voor de gelegenheidsband One Ring Zero: King George Blues. Wil je het horen? Het zijn geen professionele muzikanten hoor, de zanger is een Fransman die hier in de buurt een bar drijft.»

Auster zet een cd op. Ik hoor René uit Allo Allo een moedig duel met een harmonica aangaan en zich door regels worstelen als: «You stomp the poor and make them toil/ for nickles, for pennies, for nothing at all».

Auster: «Ik was vreselijk kwaad en wist niet waar ik met mijn woede naartoe moest.»

Is woede vaker uw drijfveer?

«Sinds 9/11 verkeer ik in een permanente staat van woede en ontgoocheling. Ik had gehoopt dat de aanslagen ten minste één positief gevolg zouden hebben: dat Amerika kritisch en onbevangen in de spiegel zou durven kijken. Helaas is zo ongeveer het tegenovergestelde aan de gang. Al het goede waar de Amerikaanse democratie voor staat, dreigt verloren te gaan. Het ergste is dat de regering-Bush daar bewust op lijkt aan te sturen. Het komt ze goed uit dat alle sociale programma’s onbetaalbaar worden. Voor hen moet elke belastingdollar naar het leger.

Het is godgeklaagd. Slechts een kleine minderheid van de New Yorkers heeft voor George W. Bush gestemd, de meesten van ons volgen zijn politiek met stijgende verontwaardiging. De man is gewoon niet democratisch genoeg voor ons. Ik ben erg gehecht aan New York, sinds 9/11 meer dan ooit. Mijn liefde gaat zelfs zo ver dat ik graag zou zien dat New York zich van de Verenigde Staten afscheurt en een onafhankelijke stadstaat wordt. Het zal nooit gebeuren, maar het zou wel fantastisch zijn.»

In ‹Blue in the Face› zegt Lou Reed: «35 jaar heb ik geprobeerd New York te verlaten, maar het is nooit gelukt.»

«New York is uniek, anders dan alle andere steden die ik ooit gezien of bezocht heb. Het meest fascinerende is de ongelooflijke variëteit aan mensen: 45 procent van de New Yorkers is geboren in een ander land. Het geeft de stad een textuur en een complexiteit die je nergens anders vindt.»

U heeft gestudeerd aan Columbia University, bekend om zijn roerige geschiedenis. Heeft u een rebels verleden?

Paul Auster: «Ik was geen radicale studentenleider, eerder een enthousiaste meeloper. Ik ging anoniem op in de groep, maar ik was wel fervent: ik steunde vurig allerlei acties, heb gebouwen mee bezet, ben door de politie in elkaar geramd, heb aan sit-ins deelgenomen, en ik ben zelfs een keer gearresteerd.»

Eigenlijk bent u een veel politieker schrijver dan doorgaans wordt aangenomen.

«Ik kan niet helpen wat mensen allemaal over me denken en beweren. Zelf vind ik The Music of Chance mijn meest politieke boek. Het is een sprookjesachtige parabel over macht. In Leviathan gaat het natuurlijk veel opzichtiger over politiek: de schrijver Benjamin Sachs loopt over politiek na te denken en probeert naar zijn opvattingen te handelen.»

Hij beweert: «Als terrorisme correct gebruikt wordt, kan het een efficiënt middel zijn om het publiek in te lichten over de aard van de institu tionele macht.» Wat denkt u daar na 9/11 van?

«Sachs pleegt aanslagen op replica’s van het Vrijheidsbeeld om de verloren onschuld van Amerika aan te klagen. Hij verkondigt dat het land de weg kwijt is, dat er geruisloos een nieuwe vorm van fascisme is geïnstalleerd. Daar ben ik het honderd procent mee eens. Maar Sachs is meer een performancekunstenaar dan een terrorist. Hij is hooguit een symbolische terrorist. Het is niet zijn bedoeling onschuldige mensen te ver moorden.

Ik geloof helemaal niet in terrorisme. Wie moordt, overschrijdt een grens, en dan is er geen weg meer terug. Maar ik begrijp het wel. Als je tot in de toppen van je tenen overtuigd bent van je geloof en met de rug tegen de muur staat, is het niet zo onlogisch dat je je tot het terrorisme wendt.»

Uw vriend Don DeLillo, aan wie u ‹Leviathan› heeft opgedragen, schreef in ‹Mao II›: «Jaren geleden dacht ik dat een romanschrijver het innerlijke leven van een cultuur kon veranderen. Nu is dat weggelegd voor bommenleggers en pistoolhelden.»

«Jammer genoeg heeft hij waarschijnlijk gelijk, maar ik wil tegen beter weten in blijven geloven dat romans mensen kunnen veranderen. Stel je even een wereld zonder romans voor. Het zou toch een heel ander universum zijn? We hebben verhalen broodnodig, als voedsel voor onze ziel.

Kunst is nutteloos, maar dat is juist de schoonheid en het belang ervan. We kunnen niet met z’n allen voortdurend bezig zijn met stoelen, auto’s en koelkasten maken. We moeten ook kunst bedrijven: schilderen, musiceren, dansen, zingen, acteren en schrijven. Alle beelden en verhalen die kunstenaars oproepen, voeden onze verbeelding en houden ons in leven. Dáár gaat het uiteindelijk om. Het is geen toeval dat aan elk van mijn boeken een beeld of verhaal ten grondslag ligt.»

Welk beeld lag aan de basis van ‹Orakelnacht›?

«Ongewoon genoeg is deze roman niet uit één beeld voortgekomen. Het was een amalgaam, een cluster van beelden en verhalen die soms jaren in me rondgewoeld hebben. Het laatste stukje van de puzzel was de telefoongids van Warschau, waar een Auster in staat. Toen ik die van mijn Poolse uitgever kreeg, was de cirkel rond.

Het allereerste puzzelstuk was een notitieboekje dat ik cadeau heb gekregen van een vriend, de uitgever van Het spinsel van de eenzaamheid. Toen Siri en ik op huwelijksreis vertrokken, ik heb het nu over 1982, gaf hij me een klein, extreem mooi notitieboekje, rood en zwart. Het was zo’n onweerstaanbaar ding dat ik er een verhaal in begon te schrijven, over een man die in een notitieboekje schreef en zo een andere wereld kon binnenstappen. Na een bladzijde of twintig hield ik ermee op omdat ik het niet goed genoeg vond, maar het idee is twintig jaar in me blijven leven.»

Gaat het altijd zo: verhalen, beelden en ideeën die samenklitten tot een boek?

«Gewoonlijk duurt het jaren voor ik aan een boek kan beginnen. Over Het boek der illusies heb ik minstens twaalf jaar lopen nadenken voor ik de eerste letter op papier kon zetten. Soms verbaast het me zelf dat het zo lang duurt, maar ik kan niet gewoon gaan zitten en beginnen, het moet in me groeien tot ik de personages goed genoeg ken en we een zekere graad van intimiteit hebben bereikt.

Wat het er ook niet makkelijker op maakt, is dat mijn eigen leven altijd in het geding is. Zo heb ik het geaborteerde filmscenario naar een herbewerking van The Time Machine van H.G. Wells uit mijn eigen leven geplukt. Een erg bekend regisseur, nee, ik verklap zijn naam niet, had me gevraagd die roman te bewerken. Ik heb het nooit hoeven opschrijven, hij vond het te cerebraal. (grijnst) Kennelijk had hij een actiefilm in gedachten.»

Hoe ver drijft u die autobiografische input? In de criminele stiefzoon van Trause echoot de ontspoorde zoon uit uw eerste huwelijk.

«Ik schrijf vaak over dingen die me verontrusten. Als ik schrijf, ben ik compleet verloren. Dag in, dag uit aan die schrijftafel gaan zitten, dat is alsof er elke dag een tand wordt getrokken. Maar toch doe ik niks liever. Het is meegenomen als wat ik schrijf relevant is voor sommige mensen, of aan een of andere waarheid raakt, maar het gaat me in de eerste plaats om de angstaanjagende opwinding die ik voel bij het verzinnen van verhalen.»

Uw romans bulken van de schrijvers, vaak met een naam die verwijst naar de uwe. Brengt u ook daar uzelf in beeld?

«Ik heb daar geen verklaring voor, het gaat allemaal onbewust. Het valt natuurlijk niet te loochenen: in Broze stad duikt zelfs een personage met de naam Paul Auster op. Het fascineerde me dat de naam op de cover ook in het verhaal zelf terugkwam. Maar verder zijn alle literaire meningen van de Paul Auster in die roman het volstrekte tegendeel van de mijne.»

Een citaat: «Paul Auster zijn had, zo begon hij te merken, ook prettige kanten.»

(lacht) «Dat was dus géén profetische gedachte.»

U lacht wel vaker om schrijvers: «Je bent een beetje gek, Sid? En ik ben net zo gek als jij. Wij schrijven boeken, weet je wel? Wat kan je anders verwachten van mensen als wij?»

«Zo is het nu eenmaal: schrijvers zijn gek. Ik bedoel, het is toch vreemd je dagen door te brengen met verhaaltjes te verzinnen, zoals een kind? In het leven van schrijvers ontbreekt iets, wat precies weet ik ook niet. We hebben kunst nodig om onszelf heel te maken. Ik zit wel eens jaloers te kijken naar mensen die ten volle kunnen leven en van de wereld genieten zonder te moeten creëren. Ik voel bewondering voor mensen voor wie de wereld volstaat zoals hij is, maar voor mij werkt het zo niet.»

U mist blijkbaar heel wat: elke roman is een opeenstapeling van verhalen en verwijzingen naar verhalen van voorgangers.

«Alle schrijvers treden in dialoog met andere schrijvers, onvermijdelijk. Zoals je ook niet anders kunt dan reageren op gebeurtenissen in je eigen leven en in dat van je naasten.

Ik vind het prettig als een boek zich ook als boek voordoet, en niet de pretentie heeft de werkelijkheid te zijn, ook al gaat het over de werkelijkheid en helpt het de lezer misschien die werkelijkheid te begrijpen. Er speelt altijd iets artificieels mee, een lezer leest nu eenmaal woorden op een blad papier. Dat heb ik nooit willen verdoezelen, in tegenstelling tot veel andere schrijvers die proberen de illusie te creëren dat het boek er niet is.»

Want dan wordt het een stuk makkelijker om de roman levendig en spannend te houden.

«Men heeft me er wel eens van beschuldigd intellectuele spelletjes te spelen, maar aan de basis van al mijn boeken liggen emoties. Ik denk ook helemaal niet abstract over mijn boeken. Ik heb bijvoorbeeld niet op voorhand oplossingen voor filosofische problemen klaar. Ik ontdek het allemaal al schrijvende.»

In ‹Leviathan› staat: «Boeken worden geboren uit onwetendheid, en als ze voortleven nadat ze geschreven zijn, is dat alleen maar in de mate dat ze niet begrepen kunnen worden.»

Paul Auster: «Dat klopt volgens mij. De meeste boeken zijn snel uitgewerkt, opgebruikt. Willen ze onze aandacht vasthouden, dan moeten ze complex, met veel lagen, resonant zijn. Daarom blijven we worstelen met Shakespeare. Na vierhonderd jaar hebben we zijn toneelstukken nog altijd niet helemaal doorgrond. Je kunt literaire analyse vergelijken met graafwerk: je haalt van alles naar boven, maar je kunt blijven graven. Sommige teksten zijn zo rijk dat je nooit bij de bodem komt.

Banale eenduidigheid is heel vervelend, omdat we weten dat het leven veel complexer is. Daarom laat ik het allemaal gebeuren tijdens het schrijven. Geen enkel boek is geworden wat ik ervan verwachtte toen ik eraan begon. Als ik begin te schrijven, neemt het boek het van me over en kan ik niet meer doen dan vertrouwen op het toeval.»

Het toeval is de rode draad in uw oeuvre. In ‹Orakelnacht› schrijft u: «Het toeval stalkt ons elke dag van ons leven.»

«Ik heb eens het verwijt gekregen dat mijn boeken te veel op het toeval drijven. Die opmerking kan alleen maar komen van mensen die te veel gelezen hebben en helemaal geperverteerd zijn door zogezegd realistische romans waarin het leven helemaal niet wordt geëtaleerd zoals het écht is: mét alle onverwachte wendingen.

Mensen willen liever niet toegeven dat toeval het leven bepaalt, dus vechten ze ertegen: ze proberen orde te scheppen in de chaos van elke dag, om het gevoel te hebben dat ze alles onder controle hebben. Maar het is allemaal tevergeefs. Het toeval stalkt je zelfs als je gewoon over straat loopt. Je kunt aangereden worden, je kunt een dakpan op je hoofd krijgen. Toch heeft de mens verlangens, ambities en plannen, en probeert hij die, tegen het toeval in, te realiseren. We zijn tenslotte geen pluimpjes die door de wind lukraak van hot naar her geblazen worden. We hebben een zelfbewustzijn dat ervoor zorgt dat we ons best doen om onze verlangens te bevredigen.

Misschien heb ik meer oog voor het toeval omdat ik er op mijn veertiende abrupt met mijn neus op werd gedrukt. Op een zomerkamp in New York State werden we tijdens een wandeltocht overvallen door een geweldig onweer. Toen we, op weg naar de veiligheid van een open veldje, onder een prikkeldraadomheining kropen, werd een jongen een meter van me vandaan doodgebliksemd. Later ben ik nog twee keer door het oog van de naald gekropen. Twee jaar geleden heb ik een auto-ongeluk overleefd, en vorig jaar brandde mijn huis bijna af toen een gasleiding vuur vatte. Het lot heeft het blijkbaar zo geregeld dat ik, als een kat, negen levens heb.»

In ‹Orakelnacht› buit u de kracht van het toeval uit via de idee dat literatuur de werkelijkheid kan veranderen — de natte droom van elke schrijver!

«In het boek vertel ik het waargebeurde verhaal van Louis-René des Forêts, vlak na de oorlog een van de meest beloftevolle jonge Franse schrijvers. Na een roman en een verhalenbundel schreef hij een verhalend gedicht over een kind dat verdrinkt. Vlak nadat hij het gepubliceerd had, verdronk zijn eigen kind. Hij heeft 25 jaar niet geschreven.»

«Woorden kunnen moorden», luidt het.

«Het zijn wellicht de vreselijkste wapens ter wereld; woorden kunnen écht moorden. Waarom trekken mensen ten oorlog? Omdat ze opgezweept zijn door de retoriek van politieke leiders. Woorden kunnen ook ten goede worden aangewend: we schrijven wetten neer die onze maatschappij beter maken. Schrijven is gevaarlijk, het zadelt je op met een zware verantwoordelijkheid.»

Een andere, volledige versie van dit interview verschijnt in ‹Humo›

R.A.M: Paul Auster, Ned. 3, zondag 16 mei, 19.35 uur.

Lezing voor het John Adams Institute: donderdag 13 mei, 20.00 uur, De Rode Hoed, Amsterdam