Woorden voor de stilte

Eerst zwegen ze. Want schrijven was herinneren en herinneren was opnieuw sterven. En wie kon de stilte van de shoah in woorden vatten? Maar woorden bleken ook levenskracht te kunnen bevatten. De taal bracht Wiesel en Semprun terug tot de levenden.
EEN PAAR WEKEN NA zijn bevrijding uit het kamp Buchenwald danst Jorge Semprun met een vrouw, in Eisenach. Hij is op weg naar Parijs. Een Spaanse communist, na de burgeroorlog in Frankrijk gestrand. Nu, na het kamp, tweeentwintig jaar oud.

Overal wordt feest gevierd. Verbijsterend veel feest en uitgelatenheid in alle dorpen en steden die hij passeert op weg naar huis. Voor iemand met kampogen, zoals hij, is het moeilijk wennen aan al dat licht. Hij proeft te veel luchtigheid om zich heen, te veel vergetelheid. Net als de herinnering aan de verschrikkingen van het kamp is die onlesbare dorst naar vergeten voor hem nauwelijks te verdragen. Hij staat als een vreemde in de vergetelheid, tussen dansende en drinkende mensen die iets vieren dat hij niet kan aanraken. Te midden van al die fladderende zomerjurken, al die overwinnaars in uniform voelt hij zich topzwaar van herinneringen. Hij weet ook niet of er iemand is die ze horen wil, en zo ja voor hoe lang? Een kwartier? Twintig minuten? En wie zal er een eeuwigheid kunnen luisteren, precies de tijd die hij en zoveel andere overlevenden denken nodig te hebben?
Onbewust - later zal het voor lange tijd een houding worden - neemt hij wraak op het leven dat zo weinig daadkracht lijkt te hebben getoond tegenover het algemene sterven en dat zich nu weer openbaart in al haar kracht, op een dansvloer. De vrouw in zijn armen zegt hem: ‘Ik zou de eerste vrouw van je leven willen zijn.’ Hij antwoordt snel, alsof het voorbije jaar in het kamp in haar gruwelijke retorten het antwoord al heeft geprepareerd: 'Je bent de eerste na mijn dood.’
Bedoelde Semprun dat hij dood was en dat hij de tocht terug over de Styx nooit meer zou kunnen maken, dat hij voor de levenden voorgoed onbereikbaar zou blijven, hoe liefdevol de armen van een vrouw hem ook omsloten? Of wilde hij zeggen dat hij zijn weg door de dood had voltooid en dat hij nu weer aan de grens van het leven stond? Enige probleem: hoe die te overschrijden? Waar, zo stel ik me voor, kon hij een visum krijgen voor het leven, komende uit het land van de dood, een land met een wat slechte naam waaruit slechts schooiers en landlopers komen, gelukzoekers gek van verdriet voor wie elk zichzelf respecterend land en elke levende ziel de grenzen hermetisch sluit? Bovendien lijkt hij zich, aan die grens staand, te realiseren hoe goed hij het land van de dood inmiddels kent. Terwijl het leven maar een onzekere toestand is.
Wie uit het kamp komt, staat bijna net zo onwennig tegenover het leven als gewone oorlogsslachtoffers tegenover die overlevenden van het kamp.
Er liggen dus twee vragen voor Jorge Semprun. Kan hij de grens over? En wil hij de grens over? Zijn eerste, instinctieve reactie, op het moment van de bevrijding, heeft iets van hetzelfde naieve optimisme dat het scheppingsverhaal toonzet. In L'ecriture ou la vie uit 1994, dus bijna vijftig jaar na dato, memoreert Semprun hoe hij de eerste dagen moet lachen, bijna onbedaarlijk, om het feit nog in leven te zijn. 'Ik lachte, het maakte me aan het lachen te leven.’ Hij lacht zich bijna dood, zou je kunnen zeggen, om de zorgeloze wereld die voor hem ligt waarin als door God bezield ineens weer vogels fluiten. De dode klei om hem heen lijkt opnieuw leven ingeblazen: de bevrijding als scheppingsdaad van een God die plotseling weer aan het kleien is geslagen na een wat minder creatieve periode. Met bevreemding en letterlijk uitgelaten neemt Semprun het hernieuwde leven waar. Hij moet bevrijd lachen om dat opnieuw aangereikte leven. Maar meteen daarna ook om de krankzinnige vraag of hij dat geschenk wel kan aannemen. Kan en wil hij terug? Kan en wil hij al de anderen achterlaten in het land dat hij als een grauw kleed heeft aangetrokken? Zal hij ooit zonder om te zien vooruit kunnen gaan? Of zal hij juist de toekomst inlopen met zijn gezicht naar het verleden?
Engelse, Franse en Amerikaanse waarnemers verschijnen in het kamp, blakend van leven en zelfvertrouwen. Zij vieren de overwinning. Semprun leidt een groep Franse vrouwen rond die aanvankelijk kwetterend door het kamp gaan. 'Die schoorsteen is zeker van de keuken’, vraagt een van hen. Semprun zwijgt en dan al neemt hij wraak op de levenden die voor hem blijkbaar tot een ander ras behoren. Die vrouwen die nog een lichaam hebben, moeten het maar eens voelen. Zonder er een woord aan vuil te maken toont hij de dames in mantelpak de verbrandingsovens waar nog halfverkoolde mensen liggen en stapels lijken van drie meter hoog aan weerszijden.
De vrouwen vluchten weg uit die keuken waar hij hun een onaangename verrassing had bereid. Maar wat hij hun feitelijk liet zien was de onvoorstelbare scheiding tussen de levenden en de doden en zijn onvermogen om over de grens van het dodenrijk heen te stappen. De intens levende vrouwen, met hun kleding van een andere wereld, hun gepraat van een andere tijd, hun blik van een andere toekomst, moeten daarvoor betalen. Al het zilvergeld dat ze hem in de mond zouden willen stoppen voor zijn terugtocht over de Styx zou echter onvoldoende zijn. Ze vluchten dus en Semprun blijft alleen achter. Voor hem zal er altijd 'iets van sneeuw in de zon zijn, iets van rook in de lente’.
EN TOCH LACHT HIJ, DIE eerste dagen na de bevrijding, misschien ook wel omdat hij net als Elie Wiesel niet meer huilen kon. Het is woordeloos lachen, zoals ook het huilen al lang woordeloos is geworden. Pas veel later, in de jaren zestig, zou hij gaan schrijven. Eerder had hij het geprobeerd: aanzetten, maar telkens werd hij overspoeld door een te veel, terwijl hij zelf, denk ik, nog te weinig (leven) bezat om dat gevaarlijke mer a boire van de herinneringen in te dammen. Maar zo dat die herinneringen niets van hun kracht verloren.
Een schrijfkunst die feitelijk een levenskunst is.
Tot de dood van Primo Levi in 1987 zouden leven en schrijven voor Semprun noodzakelijkerwijs gescheiden werelden blijven. Schrijven, opgaan in de herinneringen, betekent voor hem een voortdurend sterven. Maar hij realiseert zich ook dat leven, opgaan in het heden, een bij voorbaat mislukte poging is te vergeten. In dromen, nachtmerries en onwillekeurige associaties dringen de verschrikkingen zich op.
Opvallend in de boeken van Semprun is dat het steeds vrouwen zijn die hem met de neus op het leven wijzen. Ook in L'ecriture ou la vie vormen vrouwen telkens een tijdelijk tegenwicht tegen de gruwelijke film in zijn geheugen. Hij tekent ze met veel gevoel. Met hun gebaren en hun opvallend levendige manier van lopen vormen ze voor hem lichtpunten tegen de achtergrond van het gapende heelal van de geschiedenis.
Het zijn ook vrouwen die hem het lichaam teruggeven dat hij als het ware in het kamp had achtergelaten. Met hun aanrakingen boetseren ze zijn lichaam. Als nieuw.
Tijdens een verblijf in Italie in 1987 hoort Semprun van de zelfmoord van Primo Levi. Diens dood is voor hem een openbaring. Hij wordt getroffen door het idee dat ook de overlevenden sterfelijk zijn en dat hun gang door het dodenrijk hun blijkbaar niet werkelijk onkwetsbaar heeft gemaakt. Semprun voelt hoe de bepantsering tegen het leven van hem afglijdt. Niet langer geldt voor hem leven of schrijven (getuigen), want ze zijn elkaar niet meer wezensvreemd. Zijn schrijven laaft zich juist aan de broosheid van het leven, momenten van begrip en tederheid, de handreikingen die de dode tijd verlichten.
'ALS JE ZORGT VOOR de letters’, zei een leraar ooit tegen Elie Wiesel, 'dan zullen zij voor jou zorgen. Zij zullen je overal begeleiden.’ Met dat idealistische standpunt over de puurheid van de taal groeide Wiesel op in het plaatsje Sighet in een al eeuwen door Hongaren, Roemenen en zoveel anderen betwist gebied op de Balkan. De thora vormde in het joodse gezin het onwrikbare uitgangspunt. 'Als je de letters waardig bent, zullen ze je ooit toestaan binnen te dringen in verborgen heiligdommen, waar alles wordt als…’ Hier zweeg de leraar en Wiesel dacht: Stof? Waarheid? Leven?
Veel later, bijna vijftig jaar na de oorlog, moet Wiesel aan die leraar denken als hij zijn leven tracht te beschrijven in zijn memoires Tous les fleuves vont a la mer (1994). Die leraar stond voor een hele cultuur, een onmetelijke traditie waarvan ook zijn vader een exponent was. Een cultuur van stilte, door de thora aanbevolen, en een cultuur met een heilig ontzag voor de communicatieve kracht van de taal. Niet alleen voor de taal van God, maar ook voor alle menselijke talen. De Wiesels waren polyglotten. Ze spraken Roemeens, Hongaars, Duits, Jiddisch, ook wat Russisch en Oekraiens. Door zijn vader werd Elie gedwongen ook Hebreeuws te leren, de taal die later de deur tot zijn schrijverscarriere zou ontsluiten. Zo vreemd waren de woorden van de leraar dus niet, al zou het, na het kamp, lang duren voordat Elie Wiesel er de waarde van begreep.
In 1944 - Elie Wiesel was toen vijftien - werd de familie Wiesel op transport gesteld, zoals het zo deftig heet. Ook de Duitsers hielden van taal. Niet alleen de taal van Goethe, maar ook inderdaad van een zuiverende taal, de taal die scheidt, de taal uit het rijk van de eufemismen waar alles schoon wordt. Waar het zich wassen en werken deugden zijn die vrij maken volgens de code van die obscene humor. Taal die geen leven geeft, slechts stof creeert en zwijgen. De twee produkten van de Duitse vernietigingsindustrie.
Elie Wiesel herinnert zich dat zijn grootmoeder zweeg gedurende de lange reis naar Birkenau. Zij, begreep hij later, was de enige die het einde raadde. Zelf verbaasde hij zich juist over het feit dat velen zich op den duur bijna thuis voelden in die traag voorthobbelende trein. Zijn grootmoeder zweeg en dat was het laatste dat van haar werd vernomen. Veel later stelde hij zich ten doel die stilte waardig te zijn, door die op te schrijven. Er de woorden voor te vinden.
’ “Niet uit elkaar gaan, niet uit elkaar gaan”, zei mijn moeder, voordat we uit elkaar gingen.“ ’ Wiesel beschrijft hoe hij in Birkenau alleen met zijn vader overbleef, hoe zijn moeder, zijn grootmoeder en zijn geliefde zusje Tsipouka opgingen in het ongewisse, het ongerijmde, het ondenkbare dus. En toch was hij optimistisch, ook en vooral door de aanwezigheid van zijn vader die op zijn beurt ook in hem een motief vond te blijven leven. Wiesel noemt dit mechanisme dat beiden verlangden te overleven om de ander tot voorbeeld te zijn, zo ongeveer het enige gebrek in de Duitse machinerie. Overleven dus niet omwille van jezelf, maar om een ander. Dezelfde, binnen de Duitse ideologie ondenkbare drift die ertoe leidde dat de geschiedenis van de concentratiekampen uiteindelijk niet door de SS is geschreven, maar door de overlevenden. Zij hebben uit de onpeilbare stilte woorden kunnen puren. Schrijven niet omwille van jezelf, maar om de doden niet alleen te laten. Schrijven niet alleen om te getuigen (Semprun, Wiesel) of om het geheugen te legen en zich zo eventueel te bevrijden (Levi), maar ook om weer bij de mensen te horen.
Schrijven, zoals Wiesel, om het 'uitverkoren volk terug te schrijven in de geschiedenis’ waaruit het, zo leek het met de stille goedkeuring van God, was weggewist. God is stilte, weet Wiesel, maar zoveel?
'In den beginne’, schrijft Wiesel om het optimisme van de vijftienjarige bij binnenkomst in Birkenau te typeren, 'was er het geloof, jong; en het vertrouwen, ijdel; en de illusie, gevaarlijk.’ Er zij donker en er was donker, dat was de monsterlijke schepping van de nazi’s. Alleen in de latrines, de smerigste plaats van het kamp waar geen Duitser zich waagde uit angst voor besmettelijke ziekten, kon men licht aan elkaar schenken door het citeren van teksten, gedichten, de bijbel. In talloze boeken van overlevenden keert het terug, de nadruk op de verzoenende en levenwekkende kracht van woorden. Sommigen leefden van literatuur in de meest letterlijke zin, leefden op door het plezier in het beweeglijke ritme van verzen, literatuur als voedsel.
Primo Levi, Jorge Semprun, Elie Wiesel en al die anderen schrijven erover. De kunst als overlevingsstrategie, zelfs als ethische taak, tegenover de dodelijke techniek van de machthebber.
EVENALS BIJ SEMPRUN spelen vrouwengestalten een belangrijke rol bij Wiesel. Met liefde memoreert hij zijn grootmoeder en moeder. Beiden stierven in de gaskamer, maar met zijn moeder bleef hij altijd in gesprek, ’s nachts in zijn dromen. Als kind was hij zo verliefd op haar dat hij vaak spijbelde om bij haar in de keuken te kunnen zijn. Om te kijken naar haar handen.
Zijn jongste zusje Tsipouka (van Zippora, de naam van de vrouw van Mozes) is voor hem het geheim. Zij vertegenwoordigt met haar acht jaren de absolute, woordeloze stilte. Zij is alles wat ooit zorgeloos was en kapot is gemaakt, een onaanraakbare grootheid. Haar oningevulde leven beschrijven, is raken aan zoveel pijn dat niemand in die regionen door kan dringen. Alleen de literatuur kan hierbij wellicht een handlanger zijn van de overlevende. Zoals Adorno schreef in zijn vaak verkeerd geciteerde opstel 'Engagement’ in Noten zur Literatur III (1962): 'Het bovenmatig reele lijden duldt geen vergeten. Maar dat lijden vereist ook het voortbestaan van kunst die het verbiedt; het lijden vindt nauwelijks ergens anders nog een eigen stem, de troost die het niet meteen verraadt.’
Jarenlang was Tsipouka voor Wiesel het toppunt van zijn vermogen in de liefde die slechts op het afwezige gericht kon zijn, het dode. Maar al schrijvende ontdekte hij dat Tsipouka als dode een roepende in de woestijn is, dat hij haar alleen werkelijk tot leven kan wekken door een levend wezen lief te hebben. In 1969 trouwt hij op 41-jarige leeftijd met Marion, zijn eerste succes in de liefde. Met dat huwelijk vindt hij de woorden terug van zijn 'in den beginne’: geloof en vertrouwen, de woorden die met Tsipouka tot zwijgen waren gebracht. Wat kunnen de verborgen heiligdommen van zijn leraar anders inhouden dan de liefde voor het leven?
Op de laatste pagina’s van Moordenaars onder ons herinnert Simon Wiesenthal zich de cynische pret van de SS'ers die hun gevangenen zelfs met woorden trachtten dood te slaan: 'Hoe deze oorlog ook afloopt’, zeiden ze, 'de oorlog tegen jullie hebben we gewonnen; niemand van jullie zal overblijven om te getuigen, en ook al zou er iemand ontkomen, dan nog zal de wereld hem niet geloven. Er zullen misschien twijfels zijn, discussies, naspeuringen van historici, maar er zal geen zekerheid zijn, omdat wij tegelijk met jullie de bewijzen zullen vernietigen. De geschiedenis van de concentratiekampen zal door ons geschreven worden.’
Overlevenden zijn geen uitstervende soort zolang er mensen zijn die zich dergelijke cynische teksten herinneren. De 'verdronkenen’ van Primo Levi, de 'muzelmannen’, alle naamlozen die verdwenen, het zou een illusie zijn te denken dat we ze aan de vergetelheid kunnen ontrukken, we hoeven ze er echter niet willens en wetens aan toe te vertrouwen.
Omdat het zo wel genoeg is geweest.
Zolang het monsterlijke en het al te menselijke bestaan, lijkt het mij een gruwelijke en stupide misvatting om een sanitair kordon te leggen rond de herinneringen. Het is de gang van de westerse geschiedenis zich steeds meer te verwijderen van het leed. Met tal van reinigende ceremonien wordt het leven steriel gemaakt, de geschiedenis gladgestreken, het geheugen dichtgeplamuurd, worden facades opgeworpen tegen de herinneringen. Er zijn er immers zo veel, ze komen van zo ver en ze duren al zo lang.
Herinneringen zijn van een andere tijd.
Een minstens zo grote misvatting is de veronderstelling dat de boeken van overlevenden alleen maar zwaar zijn, dat ze uitsluitend een loodzware geschiedenis torsen waar iedereen ademnood van krijgt.
We hebben wel genoeg getuigen gehoord, we geloven het wel.
Het bijzondere aan de literatuur van Wiesel, Levi en Semprun is dat ze niet zozeer alleen het rijk van de verschrikkingen blootleggen, ze stellen er een fragiele wereld tegenover vol levenskracht, vol openbaringen. Een wereld waartoe mensen ook in staat zijn, kleine handreikingen, opofferingen, het gedeelde plezier in de kracht van de taal. Zouden we die wereld weggooien omdat de context waarin dat soort gebaren mogelijk worden, ons niet langer bevalt?
De oeuvres van deze schrijvers bestaan niet slechts bij de gratie van de opdracht die de SS zich stelde: te doden en zelfs de herinnering daaraan te vernietigen. Opvallend aan de boeken van zowel Wiesel als Semprun is hun gevecht voor het leven en het levende. Hun geschiedenis begint weliswaar in de onderwereld, maar al omkijkend klimmen ze terug naar de wankele staat van menselijkheid. Dit verklaart hun literaire techniek, waarin heden en verleden elkaar afwisselen. Hun speurtocht naar een taal om te getuigen van de dood brengt hen naar een taal die leeft. Naar de literatuur waarin het vieren van het leven ook opnieuw respect voor de dood impliceert. In vrouwen, in de liefde hebben ze die taal gevonden.
Bevrijdende thema’s, nietwaar: liefde en vrouwen?