Taal, cultuur, identiteit

Woorden zijn geen etiketten

Twee weken geleden vroeg socioloog Dick Pels zich in De Groene af hoe belangrijk het Nederlands als cultuurtaal is voor het in stand houden van onze nationale identiteit. Hij sprak van een ‘krampachtige loyaliteit’. Een weerwoord.

In zijn artikel ‘Woorden zijn geen soldaten’ in De Groene Amsterdammer van 2 november opent Dick Pels de aanval op ‘taalsentimentalisten’ en ‘cultuurnationalisten van links tot rechts’. Daartegenover positioneert hij zichzelf als een ‘kosmopolitische intellectueel’. De verdedigers van de Nederlandse taal, of ze nu links of rechts zijn, worden door Pels geassocieerd met fascistoïde denkbeelden: ‘van vreemde smetten vrij!’ Pels is een bekwaam manipulator van de Nederlandse taal, maar wij trappen er niet in.

Evenals Pels vinden wij het absurd dat voormalig vvd-minister Verdonk het Nederlands spreken op straat verplicht wilde stellen. Ook zonder dergelijke drastische maatregelen wordt de Nederlandse taal steeds gangbaarder onder elders geboren Nederlanders en zeker onder hun kinderen. Wie wel eens een wasserette binnenloopt, kan dit constateren. Dat dit Nederlands anders klinkt dan dat van de nieuwslezer is niet erg: taalgebruik heeft altijd per regio en sociale groep gevarieerd en is per definitie aan verandering onderhevig. Taalvariatie en taalverandering getuigen van een cultuur in beweging, waarop thans invloeden inwerken van niet-westerse talen en culturen, een rol die vroeger voorbehouden was aan westerse talen en culturen. Verschillende takken van wetenschap laten zien dat diversiteit een belangrijke constante is in de natuur in het algemeen en binnen menselijke groepen in het bijzonder. Het is opvallend dat sommige leden van de intellectuele, economische en politieke elite die diversiteit binnen Nederland moeiteloos lijken te accepteren, terwijl ze wel moeite hebben met talige en dus culturele diversiteit op het Europese vlak.

Er is echter meer aan de hand: Pels doet het voorkomen als zou de enige of belangrijkste functie van taal communicatie zijn. Deze instrumentele visie doet te kort aan haar andere functies, waaronder de rol van taal binnen de cognitie. Onderzoek heeft aangetoond dat onze algemene kennis diepgaand beïnvloed wordt door de taal die we spreken. Het omgekeerde is trouwens ook aangetoond. Dit betekent niet alleen dat er een constante wisselwerking bestaat tussen taal en denken, maar tevens dat de grammaticale én de algemene kennis die in ons brein liggen opgeslagen, grotendeels cultuurgebonden en moeilijk scheidbaar zijn. Het is daarom onjuist te stellen dat taal niet dwingend is gekoppeld aan wat Pels ‘elementen van de nationale identiteit’ noemt. Taal is wel degelijk dwingend verbonden met de gewoontes van de groep en de daaruit voortvloeiende artefacten.

Dit betekent echter niet dat taal, zoals het stereotype wil, een spiegel is van de cultuur. Het ligt ingewikkelder. Taal is een gedeeltelijke afspiegeling van een cultuur. Taal laat dingen weg en voegt dingen toe. Deze inherente gedeeltelijkheid behoort niet alleen tot de belangrijkste eigenschappen van menselijke taal, maar vormt tevens het punt waarop talen bijkans onoverbrugbaar van elkaar verschillen. Elke taal bezit haar eigen vorm van gedeeltelijkheid. Dit biedt meteen ook een verklaring voor de observatie dat talen slechts bij benadering vertaalbaar zijn. Ten diepste hangt dit samen met het inzicht dat talen geen nomenclaturen zijn, dat wil zeggen specifieke etiketjes voor universele verschijnselen. Taal is in wezen een psychisch fenomeen. De manier waarop we verschijnselen van onze wereld conceptualiseren (indelen) is afhankelijk van de groepsgewoontes en van de belangrijkste drager van deze gewoontes: de taal van de groep.

Pels wil dat hoger opgeleide Nederlanders zich ware Europeanen zullen betonen door een vloeiende beheersing van het Engels. Nederland zou hierin zelfs een ‘gidsland’ moeten worden. Hierbij vallen twee kanttekeningen te maken: ten eerste dat de Europeaan van de toekomst naar wij menen vooral zou moeten streven naar begrip voor (mensen uit) andere culturen en ten tweede dat Nederlanders gewoonlijk hun eigen mogelijkheden om goed Engels te spreken en schrijven overschatten. Ook door de wol geverfde, internationaal opererende politici als Jan Pronk munten niet uit door hun goede Engels. Prins Charles maakte eens de treffende opmerking: ‘The new international language is bad English.’

Wij Nederlanders zijn zo graag kosmopolitisch bezig en zien dan onze oogkleppen aan voor een verrekijker. Die fixatie op het Engels leidt bij sommige universiteiten tot absurde maatregelen, zoals de verplichting aan uitwisselingsstudenten uit het buitenland om uitsluitend Engelstalige colleges te volgen, ook als ze het Nederlands goed beheersen. Pels wil, evenals voormalig minister Ritzen, de universiteiten nog verder verengelsen. Een heilloze inzet.

Er is uiteraard niets op tegen als Nederlandse wetenschappers óók in het Engels publiceren, integendeel. Maar met kortzichtige gidsgebaren streeft Pels naar wetmatigheid: alle academische publicaties in het Engels, bijdragen aan het publieke debat in het Nederlands. Om optimaal van voornoemde diversiteit te kunnen profiteren is een dergelijk tweesporenbeleid niet noodzakelijk en mogelijk zelfs funest. Essentieel is dat de groep met zijn geschiedenis en gewoontes zich kan beroepen op een gemeenschappelijke drager: de cultuurtaal.

Pels’ ideaal van een Engelstalig Europa is onrealistisch. Kunstmatig opgelegde uniformiteit resulteert op kortere of langere termijn altijd weer in diversiteit. Nuchter beschouwd is dat noch een verarming, noch een verrijking. Het is een gegeven.

Jan Pekelder en Kees Snoek zijn respectievelijk hoogleraar Nederlandse taalkunde en hoogleraar Nederlandse letterkunde en cultuurgeschiedenis aan de Sorbonne in Parijs