Woorden zijn zwak, daarom dansen we

De hoofdpersonen uit J.M. Coetzee’s De schooldagen van Jezus zijn vergeten wie ze waren en waar ze vandaan kwamen. Zelf voelde de schrijver zich ook nooit ergens thuis.

Medium hh 17597984

Er is altijd al iets aan de hand geweest met de schrijfstijl van J.M. Coetzee. Die is kraakhelder, maar nooit heel soepel. De zinnen staan er, er is geen woord dat je niet begrijpt, maar toch voelt zijn stijl stroef. Er staan geen mooie woorden in, geen fijn allitererende adjectieven, geen poëtische metaforen. Hij houdt afstand, zoekt de lezer niet op. Het voelt aan alsof Coetzee met zijn dorre stijl zijn romans extra serieus wil maken, alsof hij nergens een glimpje humor of warmte of ironie wil toelaten in zijn doorwrochte allegorische verhalen (zoals Wachten op de barbaren) of zijn vernietigende sociale romans (In ongenade). James Wood noemde Coetzee’s stijl ooit ‘intelligently starved’: bewust uitgehongerd. Zijn magere romans ‘voeden zich met uitsluiting’, je krijgt altijd het gevoel dat wat er niet staat misschien wel belangrijker is dan wat er wel staat.

Op de eerste plaats ligt het voor de hand dat dat een kwestie is van het temperament van de auteur, of tenminste: het lijkt te kloppen met de anekdote van een collega die meer dan tien jaar met Coetzee samenwerkte en hem in al die tijd één keer heeft zien lachen. Misschien is het maar goed dat Wikipedia niet vermeldt waar hij dan om lachte. Dat houdt het mysterie in stand.

De Zuid-Afrikaanse letterkundige David Attwell komt met een andere verklaring. Vorig jaar verscheen zijn boek Het universum van J.M. Coetzee bij Cossee in vertaling, een voortreffelijk leesbare studie naar het werk en de thematiek van de Nobelprijswinnaar. Coetzee’s Engels ‘lijkt enigszins op wiskunde’, schrijft Attwell. Dat heeft op de eerste plaats met zijn persoonlijke verhouding tot de taal te maken. Die is geenszins vanzelfsprekend. Zelf heeft hij wel eens geopperd dat hij wellicht helemaal geen moedertaal heeft. Zijn grootouders van vaderskant waren Afrikaans-sprekende anglofielen die niet bepaald pasten in het calvinisme en etnische nationalisme van Zuid-Afrika, terwijl zijn grootouders van moederskant nogal een antipathie voor Afrikaners hadden. Thuis schoot de gesproken taal heen en weer, de ene zin Afrikaans, de andere zin Engels. Het gevolg is, stelt Attwell, dat Coetzee spreekt met een accent dat geen Zuid-Afrikaan zou kunnen plaatsen, iets wat tussen Brits-Engels, Afrikaans-Engels en zelfs Amerikaans-Engels in zweeft: ‘Het zou Received Pronunciation volgens het boekje kunnen zijn, maar zijn medeklinkers hebben een Amerikaanse zachtheid.’

Nu is het interessant om te weten hoe Coetzee spreekt, aangezien je het hem niet snel live zal horen doen (Coetzee is een notoire non-interviewee), maar volgens Attwell verklaart het ook waarom Coetzee’s stijl zo onderdrukt lijkt, zo nadrukkelijk ingetogen en geconstrueerd. Attwell citeert uit een kladversie van zijn autobiografische roman Zomertijd (2009): ‘Engels was hem aangeboren, het was “van hem”, maar zonder erover na te denken. Toen heeft hij als volwassene die fortuinlijke onbewustheid verloren. De taal wordt steeds meer een vreemde entiteit die hij moet binnengaan. Hij wordt, in zijn gedachten, een persoon zonder een taal, een lichaamsloze geest.’

Coetzee’s taal lijkt, vervolgt Attwell, ‘op wat Frans uiteindelijk voor Samuel Beckett werd. Wat opmerkelijk is in Coetzee’s geval is dat hoewel hij opgroeide met Engels (in tegenstelling tot Beckett, wiens Frans was aangeleerd), de natuurlijke band met die taal geleidelijk verdween. Het Engels van Coetzee is daarom ontdaan van de identiteitskenmerken van het Engels-zijn.’ Het is een Engels dat geen Engels is, geen Amerikaans, geen Zuid-Afrikaans. Coetzee’s taal heeft een eigen klank, een eigen kleur. Attwell, die als eerste academicus toegang kreeg tot Coetzee’s dagboeken en manuscripten, gaat nog verder en geeft verschillende voorbeelden waaruit blijkt dat Coetzee weliswaar in het Engels schrijft, maar een syntaxis – de opbouw van zinnen – hanteert die eerder Afrikaans is.

Doet dit alles ertoe als u Coetzee’s nieuwe roman leest, De schooldagen van Jezus, die zoals altijd eerder in de Nederlandse vertaling verschijnt dan in het Engelse origineel?

Ja, in dit geval zeker. Want De schooldagen van Jezus is een vervolg op De kinderjaren van Jezus (2013), dat zich afspeelt in een ongedefinieerde wereld waarin vluchtelingen hun geschiedenis en hun taal moeten vergeten, voordat ze hun nieuwe land in mogen gaan. De kinderjaren van Jezus was en is een buitengewoon mysterieus boek, een roman die alles van een allegorie weg heeft, alleen zonder verklarende sleutel wordt geleverd. In een land dat Novilla heet, en dat misschien wel het hiernamaals is, komen twee vluchtelingen aan, de man Simón en de jongen Davíd. De man wordt als voogd voor de jongen aangewezen. Beiden hebben geen herinneringen aan hun verleden, en krijgen een nieuwe taal te leren, Spaans. De maatschappij van Novilla is goedaardig, rationeel, passief, bijna aseksueel en sterk georganiseerd. Simón krijgt werkt als stuwadoor, hun leven is simpel. En toch kunnen Simón en Davíd niet wennen; hun individualisme botst op de collectieve geest van Novilla. Ondertussen gaan ze op zoek naar Davíds moeder, die ze zich allebei niet herinneren, maar waarvan Simón overtuigd is dat ze haar instinctief herkennen als ze haar zien. Zo vinden ze Inés en met z’n drieën besluiten ze Novilla weer te verlaten en verder te trekken, als de opstandige Davíd van school dreigt te worden gestuurd.

Misschien moet je de link met Jezus accepteren als een van de onbeantwoorde vragen die in deze roman zitten

Zo samengevat klinkt het boek helderder dan het was om te lezen. De roman bevat nauwelijks psychologie, of reflectie door de personages, en bestaat voor het grootste deel uit dialoog tussen de nieuwkomers en de inwoners van Novilla. De verwijzing naar Jezus in de titel blijft schimmig op zijn best, al lijkt hij direct op Davíd te slaan, die of een autist is of een wonderkind. Hij weigert zich aan te passen aan andermans logica; wordt woedend dat hij niet zijn eigen woorden mag verzinnen; haat het dat hij boeken niet mag lezen zoals hij wil, met zijn eigen verzinsels erop geprojecteerd.

De schooldagen van Jezus gaan precies verder waar De kinderjaren ophouden. Inés, Simón en Davíd komen aan in Estrella, een provinciestadje, waar ze aanvankelijk werk en onderdak vinden op een boerderij tussen de seizoenarbeiders. Davíd – die zo vaak mededeelt dat Simón niet zijn echte vader is, dat het pijnlijk wordt – gaat naar een bijzonder opleidingsinstituut. Hier leert hij – tot de schrik van Simón – niet de wetten van de grammatica en de wiskunde, maar leert hij, bijvoorbeeld, door dans zich te verhouden tot grote getallen. Een lerares geeft de ouders bij een dansvoorstelling een inkijk in hun filosofie: ‘Woorden zijn zwak – daarom dansen we. In de dans roepen we de getallen van waar ze leven tussen de verre sterren naar beneden. (…) Sommige van u – ik zie het aan uw blikken – blijven sceptisch: Wat zijn dat voor getallen waar ze het over heeft die tussen de sterren verblijven? mompelt u bij zichzelf (…). Mijn antwoord: de getallen waaraan u denkt, de getallen die we gebruiken als we kopen en verkopen, zijn geen echte getallen maar hersenschimmen. Ze zijn wat ik mierengetallen noem. Mieren, zoals we weten, hebben geen geheugen. Ze worden uit stof geboren en keren weder tot stof. Vanavond, tijdens het tweede deel van de voorstelling, zult u onze jongste leerlingen de rol van mieren zien spelen, de mierenoperaties zien voltrekken die we de lagere rekenkunde noemen, de rekenkunde die we gebruiken voor huishoudelijke berekeningen en dergelijke.’

Voor Davíd is het een puur geluk. Hij blinkt uit in de vage vakken, hij leeft zich volledig uit in iedere dansvoorstelling. Voor de pragmatische Simón is dit een vage, zweverige gruwel, die alleen nog maar omineuzer wordt door de aanwezigheid van Dmitri, de conciërge van het naast de school gelegen museum. Dmitri nodigt Davíd uit op zijn kamer, laat hem foto’s van naakte vrouwen zien, verlangt naar de juf van de school, een verlangen dat al snel een fatale afloop krijgt.

Dringt zich in dit boek dan wel een duidelijkere Jezus-vergelijking op? Nou, de juf van Davíd heet Ana Magdalena, maar Maria Magdalena werd niet verkracht en vermoord door een Romeinse conciërge. Je zou in Simón een Jozef kunnen zien, als man die zorgt voor een eigenzinnig kind dat niet van hem is. En Jezus zit dan in Davíd verstopt, als kind dat op een bepaalde manier verlicht is, in zijn onnavolgbare logica verheven van de volwassenen om hem heen. Vanuit de cel verheerlijkt Dmitri Davíd als een oncorrumpeerbare ziel: ‘Kinderen komen op de wereld met een intuïtief gevoel voor wat goed en waarachtig is, zegt hij, maar verliezen dat gevoel als ze gesocialiseerd zijn. Davíd is volgens hem een uitzondering. Davíd heeft zijn aangeboren gaven in zijn zuiverste vorm behouden. Daarom respecteert hij Davíd – vereert hij hem zelfs of, zoals hij zelf zegt, herkent hem. “Mijn soeverein, mijn koning” noemt hij hem, niet zonder enige spot.’ >

Maar daar stopt de vergelijking. En misschien moet je ook niet verder willen zoeken. Met Davíd heeft Coetzee een raar, razend interessant personage geschapen, een die volgens zijn eigen logica leeft, soeverein is, onmogelijke filosofische vragen stelt over hartstocht, de dood, vlees eten, moord, taal en de sterren, op onmogelijke momenten. Misschien moet je de link met Jezus accepteren als een van de onbeantwoorde vragen die in deze roman zitten.

Dit neemt niet weg dat De schooldagen van Jezus een concretere roman is dan De kinderjaren, waarvan je je met recht kon afvragen of het gepubliceerd zou zijn als de naam op de omslag niet die van Coetzee was. Maar misschien is die naam Coetzee het meest voorname aanknopingspunt voor de lezer. In het boek van Attwell, en in de biografie van J.C. Kannemeyer, komt duidelijk naar voren dat hij zich nooit ergens thuisvoelde. Niet in Zuid-Afrika, niet in Londen en Amerika als student, niet als kosmopolitische, gevierde schrijver – en sinds 2002 woont hij in Adelaide, Australië. In zijn eigen autobiografische romans, Jongensjaren, Portret van een jongeman en Zomertijd, beschrijft Coetzee hoe zijn nieuwe ervaringen in andere landen hem steeds minder geschikt leken te maken voor het volgende land waar hij naartoe ging.

Zoiets is ook het thema van de Jezus-romans. De gemeenschappen waar het samengestelde gezin doorheen trekt bestaat uit mensen zonder geschiedenis, die er volledig in zijn geslaagd te vergeten wie ze waren en waar ze vandaan kwamen. Hun realiteit is een gegeven, iets wat ze zonder meer accepteren. Voor Inés en Simón is dat niet zo simpel; niet dat ze zich herinneren wie ze eerst waren, maar ze zijn zich bewust van het feit dat hun identiteiten een opgelegde constructie zijn. Davíd gaat nog een stap verder: hij weigert op de eerste plaats de taal te accepteren. Hij spreekt de taal, hij denkt in de taal, maar hij weet diep van binnen dat het zijn taal niet is, dat de woorden net zo goed anders kunnen zijn en hetzelfde betekenen. Hij zoekt iets wat taal overstijgt.

Misschien zijn deze Jezus-romans pogingen op een nieuwe manier onder woorden te brengen wat Coetzee al zoveel jaar onder woorden brengt, en zijn het romans over wat je niet kunt achterlaten, wat je niet kunt vergeten, wat een nieuw leven in de weg zit. In zekere zin is dat het verhaal van Coetzee’s leven. Maar uiteindelijk is dit ook maar een theorie. Coetzee legt niets uit. Uw gok is zo goed als die van mij. Hij presenteert je een fijn, klein, gaaf verhaal dat in al zijn helderheid geen antwoorden of verklaringen geeft. De truc is, zeggen we dan, het raadsel te vergroten. Het is Coetzee’s verdienste dat het raadsel het hele boek in beslag neemt.


David Attwell, Het universum van J.M. Coetzee, Cossee, 320 blz., € 24,95. Vertaald door Joost Poort