Woordkunstenaar

In zijn installaties van woorden schrijft Lawrence Weiner op wat de kijker zich zou kunnen voorstellen. Iedereen ‘ziet’ iets anders.

Medium weiner zonder  restaurant

In de tekstwerken van Lawrence Weiner omschrijven de woorden de hoedanigheid van voorwerpen, van de verhoudingen tussen die voorwerpen en van de omstandigheden waarbinnen die verhoudingen zich voordoen. Dat is een wat omslachtige beschrijving van wat er in Weiners oeuvre gebeurt. Eigenlijk zijn de individuele werken zelf nooit zo ingewikkeld – als je er niet te veel achter gaat zoeken. Een vroeg werk is het volgende: One Quart Exterior Green Industrial Enamel Thrown on a Brick Wall. Daarbij zouden we ons een druipende vlek kunnen voorstellen van groene buitenlak op een bakstenen muur. Maar we kunnen het ook bij de tekst laten. Een beginselverklaring heeft Weiners werk van begin af aan begeleid. Wat betreft de manieren van gebruik van een tekst wordt daar gezegd: 1) de kunstenaar kan het ding zelf maken, 2) het kan worden gefabriceerd en 3) het kan ook niet worden uitgevoerd. Welke van die drie mogelijkheden wordt gekozen, maakt de kunstenaar niet uit en hangt af van wat een eigenaar ermee wil.

In dezelfde tijd dat Weiner dat werk met de groene verf formuleerde, midden jaren zestig, maakte zijn collega Carl Andre sculpturen door, bijvoorbeeld, houten balken kruislings op elkaar te stapelen. Wat Weiner deed, gebeurde met hetzelfde eigengereide gemak. Daarover kun je veel filosoferen (wat ook gebeurt), maar toen zulke dingen ontstonden was het vooral hun strakke eenvoud die ons overrompelde. Ik herinner me uit die tijd ook de witte reliëfs, met rechte zaaglijnen, van onze Ad Dekkers. Die worstelde daarin met de zware last van de abstractie van Mondriaan. In de ontroerende moeizaamheid van die reliëfs kon je dat ook voelen. Daarmee vergeleken had de onbekommerde vrijheid waarmee Andre die sculpturen maakte iets onbeschaamds – alsof hij geen rekening had te houden met de historische waarden in de kunst. En inderdaad, in de artistieke ontwikkeling van zijn Europese collega’s (zoals bijvoorbeeld Richard Long of Jan Dibbets) kon je vaak een zekere behoedzaamheid bespeuren waardoor hun werk er beschouwelij __k_ er_ uitzag. In dit verband het volgende: eind jaren zeventig sprak ik met Gerhard Richter over de monochroom grijze schilderijen die hij toen maakte. Een vergelijking kwam op met Robert Ryman (uit Tennessee) voor wie, wist ik, een wit schilderij maken een praktische, fysieke exercitie was: verf met een penseel over een oppervlak bewegen en daarbij aandachtig blijven kijken naar wat er gebeurt. Maar, zei Richter, ik krijg bij grijs het zilvergrijs van Velázquez niet uit mijn kop of het steengrijs van gotische kathedralen.

Over zulke dingen breken Carl Andre en Lawrence Weiner zich het hoofd niet. Hun werk werd geboren toen er in Amerika een sterk besef gaande was dat alles maar eens opnieuw moest worden ontdekt; bij het begin beginnen. Door de procedures met de dingen zo eenvoudig en praktisch te houden, wisten zij in hun kunst, ontketend en voorbij aan het gewicht van de geschiedenis, een nieuwe, grenzeloze vrijheid in zicht te krijgen. Ik weet zeker dat Andre niet aan Brancusi dacht toen hij die blokken hout begon te stapelen. Zulke verbindingen werden later bedacht. Met woorden werken heeft Lawrence Weiner niet bedacht. Dat overviel hem.

In de grenzeloosheid van de taal is een werk ontstaan dat het tegendeel is geworden van karig (wat het eerst was). Hoewel het maar woorden zijn (en nadrukkelijk geen poëzie) buigt een werk als The Salt of the Earth Mingled with the Salt of the Sea alle kanten op. Het is voor ieder die het leest (ziet) iets anders. Ik zag het in 1984 in Antwerpen. Het werk verbeeldt dus de weidse ruimte van de Westerschelde. Zo zit het in mijn hoofd vast – als Mondriaans beroemde Pier and Ocean, ook een Zeeuws schilderij. Naarmate heel geleidelijk het gebruik van taal in Weiners werk vrijmoediger en schilderachtiger werd, begon ook de presentatie ervan (in de regie van de kunstenaar zelf) ruimtelijk theatraal te worden. Het kleurrijke tafereel met woorden gestapeld in gekleurde balken en zelfs met slierten lijn, op een muur in het Stedelijk, is een echte mise-en-scène in het statige decor van het museum. In onze taal: verspreide materie/ tot een bekende dichtheid gebracht met/ het gewicht van de wereld/ puntig. Nu ga ik niet zeggen hoe ik het lees. U moet zelf kijken. Ik zie een eindeloze schakeling van wisselende associaties. Overigens moest ik wennen aan dit soort installaties van woorden, met kleuren en typografische ornamenten, toen de kunstenaar ermee begon. Maar dat is waar ongebreidelde verbeelding naartoe beweegt, dacht ik toen, voorbij woorden in zwart-wit die in het gelid staan. Kleuren bewegen nu – en Weiner is met de tijd meegegaan. Als een slang, of als kruipolie, heeft zijn kunst steeds, overal tussendoor, een weg weten te vinden. Het infiltreert en wil zich niet vastleggen. Die slinkse lenigheid, in de ruimte ook van de taal, is er nog steeds.


PS Op 21 september opent in het Stedelijk Museum in Amsterdam een tentoonstelling met ontwerpen van Lawrence Weiner