Word ik conservatief?

Mijn vrouw zou kunnen denken dat ik in een technologische penopauze ben geraakt. Ben ik oud of word ik boeddhistisch?

DOOR EEN VERDACHTE samenloop van omstandigheden bevind ik mij voor het eerst sinds 1994 in een telefoonvacuüm. Dat was het jaar waarin ik studenten aan een Londense universiteit met gsm’s zag. De Nokia 2110 die ik toen kocht is teruggekeerd naar de grote recyclingfabriek in het elektronische hiernamaals en leeft voort in de herinnering van mijn kinderen als ‘die koelkast’.
Ik ken één telefoonloze. Hij is een man die de hele wereld over vliegt en nauwelijks beticht kan worden van conservatisme. Maar toen ik met hem afsprak op Gare du Nord en wilde bellen als ik aankwam, zei hij: 'Ik heb geen telefoon.’
Respect!
Waarom ik dat nou weer dacht, weet ik ook niet goed. Een diepgeworteld gevoel van verzet tegen alles? Ik moet tot vermoeiens toe altijd alles anders doen en ben opgehouden daarover te piekeren toen mijn vader uitlegde dat het waarschijnlijk genetisch is.
Lang geleden, toen hij in dienst was en tegen zijn zin tot tankcommandant was gebombardeerd (misschien het verkeerde woord in deze context) lag er op een dag een berg nieuwe tankoveralls op de appèlplaats. Een grote hoop groen textiel waaruit de kaki broekspijp piepte van de enige miskleur. Dat was natuurlijk de overall die mijn vader aanschoot. Hilariteit bij iedereen, stoom uit de oren van het opperhoofd du jour, dat iets brulde als: 'Möring, godgloeiende… Je weet toch wel dat die niet goed is!’ En mijn vader, in zijn rol als onnozele provinciaal, zei dat hij zich niet kon voorstellen dat de Koninklijke Nederlandse Landmacht een fout maakte… Waarna het uit de hand liep en mijn vader zijn verlof zag ingetrokken, van zijn tank werd getrapt en de rest van zijn diensttijd doorbracht als zandhaas in een schuttersputje, waar hij wachtte op Russen die nooit kwamen.
Ondertussen loop ik telefoonloos rond, omdat de ene van de trap is gevallen, een oude uit de la niet meer wakker gekust wil worden en ik net mijn abonnement heb omgezet naar sim-only, waardoor van een gesubsidieerde nieuwe geen sprake is. Dat was trouwens ook mijn bedoeling, want ik heb helemaal geen trek in een nieuwe.
En dat voor de man die destijds de eerste iPhone uit de VS liet komen en zich verder altijd gretig richting cutting edge begeeft.
Wat is er in godsnaam aan de hand? Mijn computer, die nu al vijf jaar oud is, wil ik ook niet vervangen. De auto heb ik vorig jaar al verkocht. En ik heb voor het eerst in decennia geen trek in nieuwe pakken en overhemden, terwijl de herfst er al stevig zit aan te komen. Als dit zo doorgaat loop ik straks rond in verstandige schoenen en van die broeken met zakken op de dij. Zonder telefoon om erin te doen.
Word ik conservatief? Ga ik de weg van oude mensen voor wie al het moderne gedoe niet meer hoeft? Of heb ik die benijdenswaardige boeddhistische staat bereikt waarin ik alles eindelijk afleg? Weg met de wereldse goederen? Vaart af van mij, bezit? Laat mij schoon, leeg en stil zijn?
Misschien.
Eigenlijk heb ik nauwelijks een telefoon nodig. Mijn belminutenoverschot reikt elke maand voorbij de vijfhonderd, omdat mijn telefonische contact met de buitenwereld bestaat uit de sms'jes van dochter (had een 9,2 op frans! x), naar zoon (we gaan nu eten!) en heen en weer met echtgenote (XXX). Zeg maar, contacten die je vroeger niet eens had.
Maar zonder telefoon voelt vreemd. Vage paniekgedachten fladderen als ik de deur uit ga. De kinderen kunnen mij niet bereiken! Wat als ik een ongeluk krijg… Eenzelfde soort angst als in een trein zitten en beseffen dat je vergeten bent een boek mee te nemen. En laat ik nu eerlijk zijn: ik ga verdomme toch geen telefoon vergelijken met een boek?
Ik geef toe dat ik, hoewel lusteloos, nieuwe telefoons heb bekeken. Mijn vrouw was erbij en had viooltjes in haar stem toen ze vroeg of 'deze dan niets is, lieverd’, want zij weet ook dat ik mij in een crisis bevind die niets te maken heeft met communicatiemiddelen. Ik vermoed dat ze tegen haar vriendinnen zegt dat haar man in een technologische penopauze is geraakt en dat zelfs het eten mij niet meer smaakt.
Er is een jiddisch sprookje over een oude man die op een avond wordt bezocht door de engel des doods en geschrokken uitroept dat het zijn tijd niet kan zijn. Zijn dochters zijn nog ongetrouwd, hij heeft zijn zaken niet afgewikkeld en zijn zoon is een wildebras die nog tot rust moet komen. In een onkarakteristieke opwelling van lankmoedigheid strijkt de engel des doods met zijn hand over zijn… eh… mantel en zegt dat hij later zal komen en zijn komst ruim op tijd aankondigt.
Als het zo ver is schrikt de oude man weer. Waar was de aankondiging? De dood zegt: 'Maar ik heb een heleboel tekenen gegeven! Herinner je je niet dat jij, die vroeger met smaak at, je eetlust verloor? En dat je tegenwoordig moe bent van de drukte en het gedoe om je heen en steeds zegt dat je alles al eens gezien en meegemaakt hebt? Heb je niet gemerkt dat je haren zijn uitgevallen en dat je vlekken op je handen hebt gekregen?’ De oude man knikt en richt zich op. 'Dood’, zegt hij, 'neem mij mee. Ik ben de Uwe.’
Misschien moet ik me zorgen maken.