Uitzendbureau in Rotterdam ©  Robin Utrecht / ANP

‘Per direct een keukenhulp gezocht.’ ‘Kom jij werken bij de leukste bar in het centrum?’ ‘Ga jij ons brood verkopen?’ Nederland is nog maar nauwelijks uit de coronacrisis of de volgende crisis dient zich aan: IT, detailhandel, logistiek, transport, zorg, onderwijs en de horeca kunnen niet aan personeel komen. Winkels, restaurants en cafés zijn vaak op maandag en soms zelfs dinsdag dicht vanwege personeelsgebrek, onlangs reden er minder treinen vanwege een tekort aan verkeersleiders en leerlingen moesten weken op hun schoolboeken wachten door een gebrek aan krachten in het distributiecentrum. Op de intensive cares zijn minder plekken beschikbaar vanwege te weinig verpleegkundigen en leraren geven les aan dubbele klassen omdat er geen collega’s zijn. De personeelsschaarste dreigt de economische groei te dempen.

Het is een internationaal verschijnsel. In Engeland hebben de supermarkten lege schappen door een gebrek aan vrachtwagenchauffeurs. De kerstkalkoenen kunnen niet geslacht worden vanwege het personeelstekort, zelfs de feestdagen dreigen in gevaar te komen omdat er niet genoeg speelgoed in de winkels zou liggen in december. In sommige staten in de VS verdubbelen werkgevers het loon om nieuwe mensen te trekken.

Inmiddels heeft Nederland meer dan driehonderdduizend onvervulde vacatures, en dat is het topje van de ijsberg. Veel werkgevers nemen niet eens de moeite om hun openstaande plek officieel aan te melden. De werkloosheid is inmiddels gedaald naar 3,2 procent. In grote delen van het land zijn er zelfs meer vacatures dan werklozen, blijkt uit cijfers van het cbs. Utrecht is koploper met 130 openstaande banen op honderd werkzoekenden, gevolgd door Noord-Brabant, Zeeland en Gelderland. Alleen in Groningen, met zeventig banen op honderd werklozen, hebben werkgevers nog volop keus.

Waar komt deze post-corona-schaarste vandaan? Is het een kortdurend verschijnsel of iets permanents? Wat zijn mogelijke oplossingen? Het zijn vragen waarmee niet alleen individuele werkgevers worstelen, maar ook de sociale partners en de politiek. De antwoorden kunnen grote consequenties hebben: moeten we allemaal méér gaan werken om economische groei mogelijk te maken? Of zorgt de schaarste juist voor meer werknemersmacht en dus betere arbeidsvoorwaarden?

Café De Doelen in Amsterdam-Centrum is een bruin café, de stamgasten komen er al generaties en praten plat Amsterdams, het personeel is vriendelijk maar recht voor z’n raap en een rekening delen, daar doen ze niet aan. Gasten zijn er genoeg, personeel niet. Medewerkers maken diensten van tien uur. Eigenares Daphne Triest bouwt ’s morgens in haar eentje het terras op. ‘Sinds corona is het echt rampzalig’, vertelt ze. ‘Ik krijg vooral veel jonge mensen die weinig ervaring hebben of geen Nederlands spreken. Ik zit zelf in een soort overlevingsmodus, ik werk zes dagen per week, twaalf tot veertien uur per dag, en als ik het rooster niet rond krijg, ontkom ik niet aan vroege sluitingstijden.’

De corona-onzekerheid speelt hier volgens Triest een grote rol in: ‘Ik kan mensen geen vast contract aanbieden, omdat ik niet weet wat er gaat gebeuren. In de eerste lockdown betaalde ik nog zestien mensen uit, en in de tweede nog twaalf, maar ik kan me gewoon niet nog een veroorloven.’

‘Wij hebben iedereen met een proefcontract of een aflopend contract moeten laten gaan’, zegt Linda Oppelaar, general manager bij Black & Blue Restaurant Group, een keten van vier goedlopende restaurants in de hoofdstad. ‘Heel veel mensen zijn toen compleet iets anders gaan doen: bij een callcenter, bij de ggd, of volledige omscholing, terwijl ze al hun hele leven in de horeca werkten.’ Een terugkeer naar de horeca zit er dan vaak niet meer in en zelfs de aanmeldingen voor onder meer de koksopleiding lopen terug. ‘Naast de oude kern ontstaat er een kleine nieuwe generatie.’

Het personeelstekort komt niet uit de lucht vallen. In 2019 voorspelde het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (roa) al een grote vraag naar personeel. Tussen 2019 en 2024 moeten er zo’n 1,6 miljoen werkenden vervangen worden, in dezelfde periode verwacht men ruim drie miljoen baanopeningen. Deze uitbreidingsvraag en vervangingsvraag zorgen voor een groei van 24 procent over alle beroepsklassen heen.

Die structurele ontwikkelingen worden versterkt door een enorme vraag naar personeel na de coronacrisis – in 2021 zelfs 63 procent meer dan in 2020, constateert uitzendbureau Randstad. Vooral binnen de horeca, maar ook in het transport is er een grote stijging van het aantal vacatures te zien. De vraag naar vrachtwagenchauffeurs en magazijnmedewerkers is zelfs verdubbeld. Dit zijn vakgebieden die hard zijn getroffen door coronamaatregelen als lockdowns, hinder bij landsgrenzen en het stilliggen van rijopleidingen en -examens.

‘Ons beroep dreigt verloren te gaan’, sombert Uri van Unen, vrachtwagenchauffeur bij Hagen Beton. Met een bezorgd gezicht neemt hij een slok van zijn koffie aan een tafel in een bouwkeet in Amsterdam-Oost. ‘Ik zou het geweldig vinden als mijn dochter later chauffeur wordt, maar er is geen scholing voor het beroep, en dat is een probleem.’

Vroeger werd het beroep doorgegeven van ouder op kind, zegt Ria Hagen, directeur bij Hagen Beton. ‘De chauffeurs namen hun kinderen mee naar de bouw. Die vonden dat geweldig, zij reden mee en liepen rond en kregen zo het vak mee, maar nu doen we dat niet meer vanwege de veiligheid.’ Tegenwoordig willen bijna alle ouders dat hun kind advocaat of arts wordt. ‘Het praktiseren van een ambacht heeft in de afgelopen decennia te weinig aandacht gekregen. Dat is een verlies voor de maatschappij, want waar vind je tegenwoordig nog een goede stratenmaker?’

Flexwerkers uit de horeca met corona-ontslag staan niet te trappelen om terug te keren

Waarom wil niemand nog chauffeur worden? Van Unen weet het antwoord wel. Hij wijst op de onaantrekkelijke vacatures van grote distributiebedrijven, met lange en onregelmatige werkdagen. Daarnaast wordt er weinig betaald. ‘Jonge mensen willen tegenwoordig snel en veel verdienen. Als je begint als chauffeur zit je in een erg lage loonschaal en het duurt vaak lang voordat je een beetje op niveau komt. Je moet je bewijzen, daarmee ben ik het helemaal eens. Voor mij was het ook een uitdaging om een vrachtwagen van tien meter lang en dertig ton te besturen. Maar de lage aanvangssalarissen vormen wel een drempel.’

Vier jonge economen in dienst van de vakbond fnv schreven onlangs een analyse over de personeelsschaarste met de titel ‘Waarom meer werken niet de oplossing is voor de vele vacatures’. Hun conclusie: de Nederlandse arbeidskrapte komt niet doordat we te weinig werken, maar doordat bepaalde sectoren te onaantrekkelijk geworden zijn om in te werken. De reële uurlonen daalden hier het afgelopen decennium – in de horeca zelfs met zeven procent – terwijl het aantal flexcontracten sterk toenam. Kortom, de sectoren die nu moord en brand schreeuwen hebben het aan zichzelf te wijten. Als ze beter werk bieden en beter betalen, dan komen de mensen vanzelf.

Het tegenargument dat producten te duur worden en werkgelegenheid verloren gaat, wordt voor een vakbond op een opmerkelijke manier weersproken: ‘Dat is niet erg’, stelt de notitie: ‘Die verdienmodellen voegen simpelweg niet genoeg waarde toe en die energie kunnen we op andere plekken hard gebruiken.’ Zoals vele ontslagen horecapersoneelsleden nu werk vonden bij de teststraten en de ggd-afdelingen die besmettingsbronnen moeten achterhalen.

We moeten afscheid nemen van slechtbetaald werk en mensen opleiden voor maatschappelijk nuttige banen met betere arbeidsvoorwaarden. Het is een toekomstbeeld dat ook de Britse premier Boris Johnson vorige week voor het congres van de Conservatieve Partij ontvouwde tijdens zijn toespraak over de ‘geboorte van een nieuw soort economie’, waar bedrijven hogere lonen betalen in plaats van te steunen op ‘laagbetaalde arbeiders’.

‘Het probleem is dat veel werknemers niet in een positie zitten die het mogelijk maakt om voor zichzelf op te komen’, stelt Jacob-Jan Koopmans van de fnv. ‘Veel personeel werkt maar een paar jaar en heeft een nulurencontract. Daarom vinden veel werknemers het niet waard om lastig te doen, ook omdat ze dan gemakkelijk ontslagen kunnen worden.’ Een algemene verhoging van het minimumloon zou een oplossing zijn voor sectoren waar werknemers weinig macht kunnen uitoefenen. De discussie die nu tussen de overheid en de vakbonden wordt gevoerd gaat dan ook over de verhoging van het minimumloon. Door het te verhogen ten opzichte van het mediaanloon (zoals van elf naar veertien euro) zouden banen in bijvoorbeeld de horeca aantrekkelijker worden gemaakt.

Veel van dat loon komt dan weer uit bij de werkgever, verwacht Koopmans: ‘Jongeren zullen dat extra geld voor een groot deel uitgeven in cafés en winkels. Dat is weer een economische stimulans.’

Het is een redenering die werkgeversvereniging awvn slechts gedeeltelijk kan volgen. ‘Natuurlijk is het niet goed als mensen met een fulltimebaan in armoede leven’, zegt algemeen directeur Raymond Puts, ‘dus we zijn niet tegen het verhogen van het minimumloon. Dat kan niet alleen van werkgevers komen, de overheid kan er ook door belastingverlaging voor zorgen dat mensen meer nettoloon overhouden.’

Dat bedrijven die niet genoeg waarde toevoegen moeten sluiten, vindt Puts te kort door de bocht: ‘In sommige sectoren zijn marges nu eenmaal klein. Moeten binnensteden leeg komen te staan omdat mensen alles online kopen?’ Volgens de awvn moeten Nederlanders vooral méér gaan werken om de schaarste aan te pakken. ‘Er staan honderdduizenden mensen langs de kant die met wat meer begeleiding wel degelijk kunnen werken. Veel parttimers zouden best wat meer willen werken als ze daar meer aan overhouden en als het goed georganiseerd kan worden.’

Reken niet te veel op de uitbreiding van het aanbod, waarschuwen echter de fnv-economen. Het aantal jaarlijks gewerkte uren stijgt sinds 1975, behalve in tijden van crisis. In Europa bevindt Nederland zich in de middenmoot. De afstand met nummer 1 Zweden is helemaal niet zo groot. De Zweed werkt weliswaar bijna drie uur per week meer, mogelijk door bijvoorbeeld gratis kinderopvang en uitgebreide naschoolse opvang, maar dat wordt grotendeels tenietgedaan door de Fika, de gewoonte om twee keer per dag gezamenlijk een kwartier koffie te drinken en het juist helemaal niet over het werk te hebben. In Nederland is de arbeidsproductiviteit de hoogste van Europa, waardoor we helemaal geen tijd meer hebben voor dat soort collegiale gezelligheid.

We stuiten in Nederland op de grenzen van de flexibilisering van de arbeidsmarkt, constateert De Nederlandsche Bank in een recente notitie. Twintig procent van alle werknemers heeft een tijdelijk contract en zeventien procent is zzp’er. Deze doorgeschoten flexibilisering is vanuit economisch perspectief niet altijd efficiënt, constateert dnb. Te veel flexibilisering zorgt voor minder scholing en een lagere productiviteit. Bovendien ontstaat een tweedeling op de arbeidsmarkt, waarbij bijvoorbeeld het brutosalaris van de flexwerkers gemiddeld 35 procent lager ligt dan dat van de vaste krachten, en alle economische onzekerheid bij de flexwerkers wordt neergelegd. Zo is het werkgelegenheidsverlies in de coronacrisis ‘volledig voor rekening gekomen van werknemers met een flexibel contract’.

Het is ook niet verwonderlijk dat de flexwerkers met corona-ontslag niet staan te trappelen om terug te keren naar de sectoren, zoals horeca en logistiek, die hen zo gemakkelijk lieten gaan. Perk de flexibele arbeid in en maak het aanbieden van vaste contracten voor werkgevers aantrekkelijker, adviseert de Bank dan ook.

Ook bij werkgevers lijken inmiddels de geesten rijp voor meer zekerheid en meer salaris. Voor de horeca zou het in ieder geval een oplossing zijn, denken Triest en Oppelaar, de leidinggevenden van De Doelen en Black & Blue Restaurant Group. ‘Ik denk dat we van ons personeel meer kunnen verwachten als we ze meer betalen’, zegt Oppelaar. Het gaat ook om waardering, vindt Triest: ‘Vooral van jonge mensen wordt veel misbruik gemaakt. We hebben vroeger altijd een luxeprobleem gehad: voor jou tien anderen. Maar dat is voorbij.’