Crisis in de politiek Op zoek naar leiderschap

Wordt Nederland onregeerbaar?

In het land klinkt de roep om leiderschap, in Den Haag leeft bezorgdheid over toenemend wantrouwen. Bij de volgende verkiezingen lijkt een coalitie van drie partijen niet mogelijk. Leidt dat samen tot een ontwrichting van ons democratisch systeem?
Verderop in deze kleine special bij het begin van het politieke seizoen: Mark Bovens nuanceert de vertrouwenscrisis en Frank Ankersmit maakt zich zorgen over ons tandeloze parlement.

Medium aukje politiek

TOEN GEERT WILDERS, leider van de Partij voor de Vrijheid, halverwege augustus aankondigde in twee gemeenten mee te gaan doen aan de komende gemeenteraadsverkiezingen ging een radioverslaggever de straat op. Wat de gewone man ervan vond dat Wilders’ PVV, die bij de Europese verkiezingen zo goed had gescoord, nu niet doorpakte. Eén reactie is me bijgebleven: ‘Ze moeten dat gajes eens aanpakken.’
Op wie dat ze sloeg, was direct duidelijk: de politici. Maar nog steeds zit ik erover na te denken wie de geïnterviewde man bedoelde met dat gajes. Voor de goede orde, dat sloeg niet op Wilders en de zijnen.
Zou de man er buitenlanders in zijn algemeenheid mee bedoelen, of alleen zij die hun buurt terroriseren? Sloeg het wat hem betrof dan ook op dierenactivisten die bonthandelaren met geweld bedreigen? Of had hij bankdirecteuren voor ogen die grote bonussen opstrijken en als het fout gaat bij de staat hun hand ophouden? Of de directeur van de Staatsloterij die meer verdient dan minister-president Jan Peter Balkenende, maar niet eens een reclametekst eenduidig kan opstellen? Of hooligans die een dance-feest bewust verstieren? Of… – vult u maar in!
Wie het ook geweest mogen zijn, in dat ene zinnetje lijkt in ieder geval het paradoxale te zitten waarmee de Nederlandse politiek wordt geconfronteerd. Het dédain in het woordje ‘zij’ staat voor de afkeer van de politiek en het wantrouwen tegenover kabinet en parlement. Maar diezelfde politici moeten wel alle problemen en ergernissen oplossen. Die man zei eigenlijk: ik moet ze niet daar in Den Haag, maar ik verwacht wel leiderschap van ze.
Wat die afkeer van de politiek en de daarbij horende elite betreft: het relativerende goede nieuws is dat er historisch gezien niks nieuws onder de zon is. De Nijmeegse hoogleraar politieke geschiedenis Remieg Aerts komt in zijn dit jaar uitgekomen boek Het aanzien van de politiek tot de volgende conclusie: ‘Het slechte imago beperkt zich niet tot de laatste twee eeuwen en is evenmin een louter Nederlands verschijnsel.’ Aerts houdt politici voor dat het juist andersom is en dat een geliefd politicus de uitzondering is. Het blijkt ook pas sinds de jaren zestig te zijn dat afzijdigheid van de kiezers als probleem wordt gedefinieerd. Zo’n historisch perspectief lucht op.
Maar voor de politici van nu duurt die opluchting waarschijnlijk maar even, want wat heb je er als hedendaags CDA- of PVDA-bestuurder aan als je ziet dat de kiezers zich in groten getale afkeren van jouw partij en van het kabinet waar jouw partij deel van uitmaakt. Of als je als VVD’er – ook nu jouw partij een tijdje geen bestuurlijke vuile handen hoeft te maken – ziet dat dit geen electorale winst oplevert. Eigenlijk weten politici van menige partijpolitieke kleur niet meer wat de kiezers willen, omdat ze eerst bij de LPF van wijlen Pim Fortuyn onderdak hebben gezocht, toen bij de SP zijn neergestreken, kort daarna bij Rita Verdonks Trots op Nederland hun heil leken te gaan zoeken en nu bij Geert Wilders zijn aanbeland.
De enige grote lijn lijkt te zijn: wie regeert, verliest zeker.

ER ZIJN VELE wetenschappelijke analyses die dit gedrag van de kiezer proberen te verklaren. De Franse politicoloog Bernard Manin heeft het de ‘toeschouwersdemocratie’ genoemd: politici zijn het personeel van de kiezer en die verwacht dat dit personeel diensten levert. Is die dienstverlening onvoldoende, dan uit de kiezer zijn onvrede daarover met zijn stem.
Volgens Aerts heeft de verzorgingsstaat de toeschouwersdemocratie in de hand gewerkt doordat zij zich ook opstelde als een dienstverlenend apparaat. Hierbij sluit een typering aan die de Nederlandse criminoloog Hans Boutellier eens heeft gegeven van de moderne burger: dat is een bungee jumper. Die burger wil lekker vrij en gevaarlijk kunnen springen, maar het touw van de overheid moet wel alle risico’s opvangen. Dat die bungee jumpende burger vervolgens teleurgesteld raakt, is niet verwonderlijk. In de eerste plaats is de verzorgingsstaat onbetaalbaar gebleken en duwt daarom de verantwoordelijkheid terug naar de burger. Dat leidt tot gemor.
Bovendien is die overheid macht kwijtgeraakt – veelal bewust – aan derden, zowel aan supranationale instellingen als aan de markt, semi-autonome organisaties zoals woningbouwcorporaties, en non-gouvernementele organisaties. Dus de burger klopt in veel gevallen aan bij een overheid die helemaal niet meer over het aangedragen probleem gaat of er in ieder geval niet meer alleen over gaat. Hetgeen ook weer leidt tot onvrede.
Of dit allemaal al niet ingewikkeld genoeg is, zijn die hedendaagse problemen ook nog eens ongetemde problemen, zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat drie jaar geleden noemde in het rapport De lerende overheid. Daarmee doelde de WRR op vraagstukken waarvoor niet onmiddellijk een krachtdadige oplossing voorhanden is, omdat we waar het zowel onze technische kennis als ons waardeoordeel daarover betreft nog moeten zoeken naar een antwoord. Denk bijvoorbeeld aan klimaatverandering, gentechnologie in de voedselindustrie of medisch ethische vraagstukken. Ook dit leidt tot gemor, want dat duurt allemaal zo lang en oogt niet bepaald daadkrachtig.
In een artikel in het essayboek De grote kloof van het wetenschappelijk bureau van GroenLinks borduren de sociologen Dick Houtman, Peter Achterberg en Jan Willem Duyvendak als het ware op dat laatste door als ze verklaren waarom debatten tegenwoordig verhitter zijn en waarom er in Nederland minder sprake is van consensuspolitiek dan voorheen. Zij wijzen erop dat hedendaagse vraagstukken niet meer zoals vroeger voornamelijk economische problemen zijn waarbij we elkaar in de oplossing ervan gemakkelijk halverwege tegemoet kunnen komen. Wat bij onenigheid over zoiets als de hoogte van een uitkering nog wel kan, het sluiten van een compromis, lukt niet bij een discussie over euthanasie of het dubbele paspoort. Want een beetje euthanasie bestaat niet en anderhalf paspoort ook niet. Na besluitvorming over dit soort onderwerpen zullen er dus altijd ontevreden kiezers overblijven.
Bovenstaande analyses overziend lijkt het paradoxale in het zinnetje van de geïnterviewde man helemaal niet meer paradoxaal. Het is eerder andersom: juist omdat de burger zo is gefocust op de overheid, de politiek en het ambtelijk apparaat, is zijn afkeer ook zo groot. Want alleen in een persoon of instelling waarvan je veel verwacht, kun je teleurgesteld raken.

DE KLOOF mag dan van alle tijden zijn en het huidige zwermgedrag van de kiezer in grote lijnen verklaarbaar, daarmee zijn de zorgen onder politici over wat er gaande is in democratisch Nederland niet weggenomen. Een van die zorgen is hoe dat moet na de komende Kamerverkiezingen als de kans groot is dat drie partijen niet voldoende zijn om een kabinet te vormen dat kan bogen op een meerderheid in de Tweede Kamer. Wordt Nederland dan onregeerbaar?
Historisch gezien zou het geen nieuwigheid zijn als in 2011 vier partijen een coalitie vormen. In de jaren tussen 1959 en 1966 gebeurde dat bijvoorbeeld ook. Behalve de VVD maakten toen drie christelijke partijen, KVP, ARP en CHU, deel uit van de regering. Die drie laatste gingen in de tien jaar daarna echter op in het CDA en hebben – zeker met de blik van nu – dicht bij elkaar gestaan. Dichter dan nu de SP en de PVDA, of dan de VVD en de PVV.
Maar de grotere extremen in het politieke landschap zijn niet het enige waardoor formeren nu ingewikkelder kan zijn dan pakweg vijftig jaar geleden. Naast een links-rechts-verdeling op sociaal-economisch terrein is er inmiddels ook een conservatief-liberale verdeling gekomen als het gaat om culturele vraagstukken. Die twee verdelingen gaan niet gelijk op – zo is de linkse SP conservatief als het om culturele vraagstukken gaat – en lopen soms ook dwars door een partij heen, zoals bij de PVDA.
Maar de grootste zorgen in Den Haag gelden Wilders en zijn PVV. De bezorgdheid over zijn aantrekkingskracht op de kiezer lijkt verder te gaan dan alleen het eigenbelang van aan macht en invloed verliezende gevestigde partijen. Als de weerzin van Wilders tegen Den Haag en de linkse elite omschreven zou kunnen worden als een revolte, dan is de vraag – zoals oud-premier Piet de Jong dat eens heeft verwoord – of achter die revolte gezonde klachten schuilgaan.
In het boek Op zoek naar leiderschap van hoogleraar Paul ’t Hart en politiek journalist Marcel ten Hooven zegt De Jong, minister-president in het woelige deel van de jaren zestig, dat hij het toenmalige verzet tegen de bestuurlijke mores en daarmee tegen de bestuurlijke elite terecht vond. Na de plotse opkomst begin deze eeuw van Pim Fortuyns LPF, ook te zien als een revolte, luidde de analyse achteraf dat het verwijt aan de politieke elite dat deze te lang niet naar de dagelijkse problemen van de gewone, autochtone Nederlander had geluisterd, gezonde kritiek was.
Wilders gaat in zijn kritiek nog weer een stap verder dan Fortuyn. Feitelijk zegt de PVV-leider dat de rest van de Haagse kliek niet wil inzien dat de islam en daarmee de in Nederland wonende moslims een probleem zijn. Niet iedereen vindt dat nog gezonde kritiek. Een veel gehoorde klacht is dat Wilders tweespalt zaait in de samenleving door één groep als zondebok aan te wijzen. Dat zou potentieel gevaarlijk zijn.
Daarnaast speelt Wilders, met zijn afkeer van Den Haag en door te doen alsof hij niet zelf ook bij die Haagse elite hoort, in op een breder levend wantrouwen in de samenleving tegen alles wat het gezag vertegenwoordigt; dan gaat het niet alleen meer om politici, maar ook om politiemensen, ambulancepersoneel, tramconducteurs, artsen, leraren, scheidsrechters en bankdirecteuren. Dat wantrouwen gaat volgens sommigen verder dan wat een goede, ouderwetse, erbij horende kloof kan verduren.
In een recent interview in Vrij Nederland noemde PVDA-minister van Binnenlandse Zaken Guusje ter Horst dat groeiende wantrouwen, dat volgens haar grotendeels is gebaseerd op onderbuikgevoelens, een zorgelijke ontwikkeling. Eerder had ze al eens gezegd dat het mode is om af te geven op de overheid: ‘Een maatschappij functioneert alleen als er een zekere mate van vertrouwen is en die is in Nederland voor een deel weg.’
Dat sluit aan bij een uitspraak van de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, Paul Schnabel. In een interview met Christen Democratische Verkenningen, een uitgave van het wetenschappelijk bureau van het CDA, zei hij vorig jaar dat ‘vertrouwen als ordenend principe heeft plaatsgemaakt voor wantrouwen’. Hij voegde daaraan toe dat uit onderzoek van zijn instituut blijkt dat vooral onder laagopgeleiden het gevoel dat men zich door niemand iets laat zeggen sterk is.
De filosoof Ger Groot trekt dat wantrouwen breder de samenleving in. In een artikel in het boek De vertrouwenscrisis schrijft hij dat het moderne individu een wantrouwend individu is geworden en dat een vrije maatschappij al gauw een achterdochtige maatschappij is.

IN OP ZOEK naar leiderschap waarschuwt ook CDA-minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Piet-Hein Donner voor kritiek op de politiek die ontaardt in permanente azijnpisserij. Een gezagscrisis die daar het gevolg van kan zijn, kan volgens hem leiden tot een democratische crisis. En juist dan is volgens Donner de kans op een koerswisseling gering, terwijl verandering van koers toch juist het doel is van de kritiek: ‘Dat is de dubbelzinnigheid van ons politieke bestel. Je kunt pas zonder risico op chaos wisselen van koers als je dat binnen vaste patronen doet.’
Donner heeft het in dat boek, weliswaar nog terugkijkend op wat Fortuyn teweeg had gebracht, over het wegebben van het besef dat democratie niet simpelweg betekent dat de dagmeerderheid beslist. Interessant zou zijn te weten of de idee wat democratie behelst, dan wel vermag én vraagt, inderdaad veranderd is.
De roep om één bepaald soort leiderschap lijkt daar soms wel op te wijzen: stond er maar eens een sterke man op die met de vuist op tafel slaat. Die dat gajes aanpakt, om het eens in de woorden van de geïnterviewde man uit het begin van dit artikel te zeggen. Dat is echter geheel tegengesteld aan langdurig praten, overleggen en compromissen sluiten, dé kenmerken van de Nederlandse democratie en nodig om in een diverse en complexe samenleving een maatschappelijk vraagstuk op te lossen.

DE VRAAG of de huidige kloof een gezonde kloof is met kiezers die vanaf de ene kant misschien geen leuke, maar daarom nog wel gezonde kritiek spuien op de elite aan de andere kant van de engte, wordt dus niet door allen met een volmondig ja beantwoord. Maar er zijn ook andere geluiden.
In het afsluitende artikel in de essaybundel De grote kloof is GroenLinks-leider Femke Halsema samen met de voormalige partijwoordvoerder Tom van der Lee minder bezorgd. Zij vinden het huidige verhitte debat in de Nederlandse samenleving geen bedreiging voor de parlementaire democratie. Volgens hen is die in de kern gezond genoeg om daar tegen te kunnen.
Ook de Nijmeegse hoogleraar Aerts relativeert. In een gesprek wijst hij erop dat Nederland in zijn parlementaire geschiedenis ook andere partijen heeft gekend die voorstander waren van een radicaal ander systeem, zoals de NSB en de Communistische Partij. Volgens hem waren die radicaler dan Wilders nu. Bovendien bestaat er volgens hem in een democratie geen norm voor te radicaal.
Desondanks komt zowel Halsema als Aerts met aanbevelingen. De geschiedenis leert immers ook dat elke keer als groepen opstaan tegen de elite, de elite daar altijd op zal moeten en willen reageren. Tenslotte is het een machtsstrijd.
Waar Halsema komt met aanpassingen zoals het recht op een referendum, het kunnen stemmen op een specifieke coalitie en kiesrecht voor jonge en nieuwe Nederlanders, pleit Aerts voor politici die de publieke opinie durven te trotseren, respect hebben voor de beperkingen van rechtstatelijke aard en voor het compromis als kenmerk van bestuur in een pluriforme samenleving. Piet de Jong overigens redde het in de jaren zestig door te handelen zoals hij bij de marine had geleerd. Verend opvangen, was zijn devies.
Toch nog even terug naar de kiezers die menen dat een charismatische leider orde op zaken moet komen stellen. Dat druist eigenlijk tegen hun eigen belang in. Want dat soort leiderschap is, zo wordt uitvoerig beschreven in Op zoek naar leiderschap, in wezen niet democratisch, dus van luisteren naar het volk is feitelijk geen sprake. Bovendien is het instabiel, want als de leider wegvalt, blijft er niks over. Laat de kiezer nu juist wél willen dat er naar hem wordt geluisterd, maar niet zitten wachten op instabiliteit en de daarmee gepaard gaande onzekerheid.