Wormgaten en tijdreizen

Stephen Hawking, Het heelal. Vertaald door Ronald Jonker, uitgeverij Bert Bakker, 245 blz., 359,90 (heruitgave)
OOIT HEBBEN Kees van Kooten en Wim de Bie er nog een sketch aan gewijd. Gezeten achter hun desk bespraken ze Het heelal van de theoretisch natuurkundige Stephen Hawking. Van Kooten en De Bie hadden alleen nog moeite met hoe dat nu precies zit met die ster waarvan alle materie is samengedrukt in een gebied zonder enig volume, waardoor de dichtheid van de materie en de kromming van de ruimte-tijd oneindig groot worden. Dat snapten ze niet helemaal. En, verdorie, ook leek af en toe de Tweede Hoofdwet van de Thermodynamica te worden geschonden! Het was uiteraard een parodie op de hype die Het heelal in die tijd - rond de jaren 1987-‘88 - was geworden, en dat nu in een schitterende heruitgave is verschenen.

INDERTIJD zijn er miljoenen exemplaren van Het heelal verkocht. Harry Mulisch, die er altijd blijk van heeft gegeven geen raad te weten met getallen, zou zeggen: misschien nog wel meer boeken dan er deeltjes zijn in Het heelal.
Dat succes werd natuurlijk mede bepaald door de persoon Stephen Hawking. Hij lijdt aan de ziekte van Charcot, een aandoening van de motorische zenuwcellen. De gedoodverfde opvolger van Albert Einstein is daardoor van top tot teen verlamd. Communiceren doet hij via een spraaksynthesizer, terwijl hij zijn abstracte wetenschap louter en alleen ìn zijn hoofd bedrijft. In zekere zin is hij lichaamloos; Hawking ìs ‘geest’.
Vermoedelijk is het vooral dit laatste, die totale 'vergeestelijking’ van de geniale wetenschapper, wat zo tot de verbeelding spreekt. Zelfs de Engelse tabloids zagen reden zich op Het Fenomeen te storten, toen hij van zijn eerste vrouw scheidde, onder andere vanwege religieuze geschillen, waarna hij hertrouwde met zijn vaste verpleegster. De wiskundige Roger Penrose, co-auteur van Hawking, bedenker van een 'onmogelijke’ vijfvoudige vlakverdeling en schrijver van het befaamde De nieuwe geest van de keizer, komt qua populariteit nog niet in de buurt van Hawking.
Er circuleerden overigens al enige tijd geruchten dat er een heruitgave van Het heelal zou verschijnen. De vraag is natuurlijk of er van de heruitgave van A Brief History of Time, zoals de oorspronkelijke titel luidt, wederom miljoenen exemplaren zullen worden verkocht. Dat is te betwijfelen.
In werkelijkheid bestaat er natuurlijk geen miljoenenpubliek voor zoiets als een virtueel graviton. De vraag is dan ook hoeveel kopers Het heelal indertijd inderdaad gelezen èn begrepen hebben, of dat het vooral een boek voor op de salontafel was (zoals extreem het geval was met het beroemde Gödel, Escher, Bach van Douglas Hofstadter).
Mocht er echter weer een formidabele hoeveelheid exemplaren van Het heelal over de toonbank gaan, dan is dat niettemin zeer terecht. Juist diegenen die het indertijd wèl hebben gelezen, maar niet alles helemáál begrepen, zullen dat nu waarschijnlijk een stuk beter kunnen: het boek wemelt van toelichtende kleurengraphics, vervaardigd door de Londense computerkunstenaar Ron Miller. Dit is dermate grondig en fraai gedaan, dat Het heelal naast een 'leesboek’ nu ook een 'kijkboek’ is geworden. Vooral als het over elementaire deeltjes en het 'onzekerheidsprincipe’ van Heisenberg gaat (van een deeltje kan niet èn de positie èn de snelheid worden gemeten), verduidelijken de graphics veel. Terwijl de tekst, virtuoos vertaald door Ronald Jonkers, van een helderheid is die je in boeken van dit soort maar zelden tegenkomt.
BIJ HERLEZING valt ook weer Hawkings preoccupatie met het 'Godsbewijs’ op. Eigenlijk doet het bijna komisch aan. Je kunt namelijk gewoon zeggen dat voor het bestaan van God niet één aanwijzing bestaat, en het daarbij laten. Zo niet Hawking. Met name in de hoofdstukken 'De unificatie van de natuurkunde’ en 'Conclusies’ tracht hij aan te tonen dat hoe je het ook (vanuit de natuurkunde) bekijkt, voor God de Schepper geen rol kan zijn weggelegd.
Dergelijke opmerkingen waren koren op de molen van de Nederlandse gelovige natuurkundige prof. A. van den Beukel. Kort na het verschijnen van Het heelal schreef hij De dingen hebben hun geheim. Gedachten over natuurkunde, mens en God. Van den Beukel maakt zich in dit boek erg boos over atheïstische wetenschappers als Hawking. Zijn voornaamste 'God-ja-argument’ is dat in feite alles geloof is. Zelfs de uitspraak dat er morgen weer een dag zal zijn, berust op geloof. Er is immers geen spoor van bewijs dat de dag van morgen zich wederom zal aandienen! Van het falsificatieprincipe van de wetenschapsfilosoof K. R. Popper heeft Van den Beukel kennelijk nog nooit gehoord: 'Alle “vandagen” hebben een “morgen”, hier is één “vandaag” dat geen “morgen” heeft, dus zullen niet àlle “vandagen” een “morgen” hebben.’ Zolang er echter nog geen 'vandaag’ is gesignaleerd dat geen 'morgen’ heeft, mogen we in ieder geval for the time being veilig aannemen dat er morgen weer een dag zal zijn. En wat betreft de natuurwetenschap merkt Van den Beukel op: 'De natuurwetten weerspiegelen de trouw van God, die daardoor een leefbaar bestaan voor de mens heeft mogelijk gemaakt.’ Hier staat zo ongeveer dat de natuurwetten er al waren, en dat God zo vriendelijk is geweest zich aan die wetten te houden - maar dit terzijde.
HOEWEL Het heelal wat de tekst betreft vrijwel ongewijzigd is gebleven, is er maar liefst een geheel nieuw hoofdstuk over wormgaten en tijdreizen aan toegevoegd. In de eerste versie van zijn boek schrijft Hawking nog nadrukkelijk dat reizen in de tijd tot de onmogelijkheden behoort. In de nieuwe versie van Het heelal drukt hij zich wat voorzichtiger uit.
Weliswaar benadrukt hij dat zijn oude logische argumenten nog steeds geldig zijn, maar ook dat hij daarin één ding niet heeft verdisconteerd: de mogelijkheid van een gekromde ruimte-tijd door middel van het creëren van wormgaten die interstellaire afstanden aanzienlijk zouden verkleinen. Dit is niet de plaats om uitgebreid in te gaan op de argumenten pro en contra. Wie wil weten of reizen in de tijd in principe mogelijk is, leze Het heelal. Hawking schrijft er bovendien heerlijk nuchter en geestig over. De opmerking over de mogelijkheid van tijdreizen die hij aan het slot van het hoofdstuk plaatst, is tekenend voor de luchtige (maar zeker niet oppervlakkige!) manier waarop hij ingewikkelde kwesties beschrijft: 'De mogelijkheid voor reizen in de tijd blijft dus nog open. Maar ik durf er niet op te wedden. Stel je voor dat ik een oneerlijke tegenstander tref, die de toekomst al kent.’