NEDERLAND, LASTIGE LOYALITEITEN

Worstelen met Israël

Na decennia onvoorwaardelijke steun voor Israël is in ons land de solidariteit met Palestina groeiende. Maar misschien wel de grootste groep Nederlanders voelt zich bij geen van beide kampen thuis. Het gevolg is een naïeve stellingname tegen onverdraagzaamheid of haat. Dan toch liever echt partij kiezen?

Beiden hebben ze er eentje als een cape om hun schouders geslagen. De moeder loopt met de Palestijnse vlag, het dochtertje met die van Hezbollah. Het gele doek met de groene vuist die een kalasjnikov vasthoudt, steekt fel af tegen haar knalroze hoofddoekje. Samen met zo’n tweeduizend anderen demonstreren zij zaterdag in Amsterdam tegen de oorlog van Israël in Libanon en Gaza. Twee dagen eerder verzamelden enkele honderden mensen zich op initiatief van pro-Israëlische groepen bij de Dokwerker in Amsterdam «tegen terreur, voor een veilig Israël» en ter ondersteuning van «Israëls recht op zelfverdediging». pvda-europarlementariër Edith Mastenbroek werd uitgejouwd toen ze voor een wapenstilstand en onderhandelingen met Hezbollah pleitte. vvd-kamerlid Hans van Baalen kon op meer bijval rekenen met uitspraken als dat wie Israël medeschuldig acht aan het geweld «geen vent» is, maar «slappe knieën» heeft. Nederland worstelt als vanouds met Israël. De posities zijn aan het schuiven. De tijd dat spierballentaal als die van Van Baalen op algemene instemming kon rekenen is voorbij. Tot ver na haar oprichting steunde de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking de Israëlische staat onvoorwaardelijk. Die solidariteit wordt doorgaans verklaard vanuit de Tweede Wereldoorlog en de schaamte over het enorme percentage gedeporteerde en vermoorde Nederlandse joden. De Zesdaagse Oorlog in 1967 werd naderhand een keerpunt. Onder aanvoering van linkse anti-imperialisten groeide de solidariteit met de Palestijnse vrijheidsstrijd.

Inmiddels is die strijd van kleur verschoten. Islamistische bewegingen als Hamas en Hezbollah hebben het vacuüm opgevuld dat was ontstaan door het verdwijnen van de linkse, seculiere krachten. Die gewijzigde verhoudingen zijn ook in de pro-Palestijnse betogingen in Nederland zichtbaar. Islamitische allochtonen die zich verbonden voelen met de Palestijnse strijd drukken een stempel op de protesten, zoals zaterdag in Amsterdam. Toch is van een radicaal-islamitische taptoe geen sprake, enkele Hezbollah- en Hamas-vlaggen en wat onduidelijke leuzen in het Arabisch daargelaten. Veel mensen zwaaien met Palestijnse, rode en – waar komen die ineens vandaan? – Libanese vlaggen. De borden met «George Bush terrorist» en «Handen af van Libanon» domineren het straatbeeld. Als een jonge, modieus geklede man de microfoon in de geluidswagen grijpt en leuzen begint te roepen over Hezbollah wordt hij discreet weggeleid door enkele leden van de Internationale Socialisten, een van de organisatoren van de betoging. Op wantoestanden zoals tijdens de ontspoorde Palestina-demonstratie in 2002, toen allochtone jongeren een jood belaagden en Hotel Krasnapolsky inclusief een imam in vol ornaat met stenen bekogelden, zit niemand te wachten.

Het unheimische gevoel dat velen bekruipt bij het aanzien van het Palestijnse kamp is daarmee nog niet weggenomen, ook al leeft de woede over het buitensporige Israëlische geweld breed. De argwaan begint al bij de toon en de manier waarop over de kwestie gesproken wordt. SP-leider Jan Marijnissen zorgde deze week voor een komkommerschandaaltje met een vermeende vergelijking van het Palestijnse terrorisme met het Nederlandse verzet in de Tweede Wereldoorlog. Zijn boodschap – dat onderdrukking en uitbuiting vroeg of laat tot verzet leiden, en dat het afhangt van aan welke kant van de streep mensen staan of gesproken wordt over verzet of terrorisme – is terecht. Maar waarom nou weer die vergelijking met de Tweede Wereldoorlog? En waarom moest Gretta Duisenberg op de radio uitgerekend een grapje maken over het getal zes miljoen? Het is verbazingwekkend dat over het Israëlische optreden – hoe gruwelijk en verwerpelijk ook – nooit gepraat wordt in verhouding tot de feiten. Om de een of andere reden hebben mensen het bij dit conflict maar al te gauw meteen over «genocide», «etnische zuiveringen» of worden er onmiddellijk vergelijkingen met de shoah gemaakt. Vanwaar die ijver van veel Palestina-sympathisanten om het zionisme gelijk te stellen met fascisme of nazisme?

Er is nog iets belangrijkers. Protest tegen Israël gaat steevast vergezeld van onvoorwaardelijke solidariteit met Palestina en de strijd van «het» Palestijnse volk. Het is het onuitgesproken anti-imperialistische dogma van de vijand van de vijand die automatisch een vriend zou zijn. Dat was altijd al problematisch, ook in de solidariteit met vermeende linkse bevrijdingsbewegingen – Robert Mugabe in Zimbabwe is nu niet direct een lichtend socialistisch voorbeeld.

Van een progressieve bevrijdingsstrijd is tegenwoordig in het Midden-Oosten sowieso geen sprake. Tot welke problemen die nieuwe situatie leidt voor tegenstanders van de westerse buitenlandpolitiek is de afgelopen jaren veelvuldig gebleken. Hoe je te verzetten tegen de oorlogen in Irak en Afghanistan zonder impliciet regimes als dat van de Taliban of Saddam Hoessein te steunen?

Door het nog altijd sluimerende antisemitisme komt dat probleem nergens zo dwingend aan de orde als in de Palestijnse kwestie. Deze «bevrijdingsstrijd» wordt beheerst door islamistische groepen als Hamas, Jihad en Hezbollah. In hoeverre zal van bevrijding sprake zijn voor joden, Palestijnse vrouwen, homo’s en religieuze minderheden als zij het voor het zeggen krijgen? «Solidariteit met Palestina» is in die context een wat al te makkelijke leuze. Solidariteit met welk Palestina?

Gesteld voor zo’n keuze tussen de duivel en Beëlzebub wensen veel Nederlanders begrijpelijkerwijs geen partij te kiezen. De gevolgen daarvan zijn echter ook niet mis. De publieke opinie wordt beheerst door Midden-Oosten-moeheid, afzijdigheid of in het beste geval een even naïef als apolitiek humanitair standpunt. Dat uit zich in de media in de vorm van «gebalanceerde» reportages die op zogenaamd neutrale wijze de zinloosheid van het geweld en bloedvergieten aan beide kanten tonen (zie pagina 20). De politiek weet daar getuige de slappe verklaringen van de laatste weken weinig aan toe te voegen. Zo deden de leiders van de G8 tijdens de recente top in Sint-Petersburg een geheel overbodige oproep het geweld van beide kanten te staken. De «extremistische krachten» moeten hun aanvallen op Israël stoppen, en dat land moet «uiterste terughoudendheid» betrachten.

Met de werkelijkheid heeft dat weinig te maken. Die werkelijkheid is dat Israël de economische ontwikkeling van de Palestijnse gebieden onmogelijk maakt door wegblokkades, de bouw van een «veiligheidsmuur» en afsluiting van de toegang over water en door de lucht. Als reactie op de ontvoering van enkele militairen heeft Israël de laatste weken de volledige bevolking van de Gazastrook en Libanon in gijzeling genomen door middel van voortdurende bombardementen op onder meer woonwijken en een elektriciteitscentrale en het vernietigen van de infrastructuur.

Dat zo’n situatie van uitzichtloosheid en armoede verzet oproept is inderdaad vanzelfsprekend. Dat duurzame vrede onder die omstandigheden niet mogelijk is, staat net zo goed buiten kijf, hoe hard de anders zo deskundige commentatoren en politici bij iedere nieuwe overlegronde of handreiking ook roepen dat dit wel eens de langverwachte doorbraak zou kunnen zijn. En dat de Palestijnen in zo’n situatie bij democratische verkiezingen niet voor de door het Westen gewenste kandidaat kiezen, hoeft ook geen verbazing te wekken. Een gematigde politicus als president Abbas krijgt geen enkele speelruimte om op sociaal vlak iets voor zijn bevolking te doen, laat staan dat hij zich kan verzetten tegen de Israëlische bezettingspolitiek.

Maar erkenning van die feiten hoeft nog niet automatisch te resulteren in een liefdesverklaring aan alle vormen waarin dat verzet tot uiting komt: zelfmoordaanslagen op onschuldige burgers, antisemitisme en een groeiend islamitisch fundamentalisme. Het bezwaar dat de Palestijnen door zulke kritiek alleen maar verder in de armen van de fundamentalisten worden gedreven, houdt geen stand. Kritiekloze solidariteit kan net zo goed leiden tot legitimering en daarmee tot versterking van religieus fanatisme.

Toch blijken de oude reflexen lastig uit te roeien. Toen Israël twee jaar geleden Hamas-leider sjeik Yassin liquideerde, werd ook in Nederland direct een herdenking voor hem georganiseerd. Het zijn dat soort onbezonnen initiatieven die de voorzichtige pogingen tot nuancering, bijvoorbeeld door te stellen dat het bestaansrecht van Israël ook voor haar critici in Nederland buiten kijf staat, overschaduwen.

Misschien ontbreekt het de «enerzijds-anderzijds-solidariteit» aan emotionele aantrekkingskracht. Feit is dat ze in de praktijk maar moeilijk van de grond komt. De nationale vlaggen domineren op de pro-Palestijnse betogingen. Kritische kanttekeningen bij het islamisme of de plannen om de staat Israël te vernietigen en de joden de zee in te drijven zijn schaars. Op een druilerig Museumplein doet Jaap Hamburger van Een Ander Joods Geluid zaterdagmiddag desondanks een poging. Kritiek op Israël is geen keuze meer maar morele plicht, zo stelt hij in zijn toespraak, juist ook voor hen die zich betrokken voelen bij Israël en daar solidair mee zijn: «Het is het onontkoombare gevolg van echte solidariteit. Solidariteit gaat niet alleen over een volk, of een regering of over een land, maar in de eerste plaats over de beginselen die het land in acht neemt.»

Mooie woorden. Maar ondertussen staan dat meisje met de Hezbollah-vlag en haar moeder ook te luisteren. Hoeft er in het kader van de kritische solidariteit dan niets gezegd te worden over hun beginselen? ●