Worsteling

Tot hoe ver gaat de vrijheid van godsdienst? Het nieuwe kabinet heeft alvast een boerkaverbod aangekondigd.

VRAAG NIET waar ik precies naar op zoek was, misschien was het naar houvast, maar in verband met dit themanummer over de islam in Nederland ben ik gaan uitzoeken hoe vaak de woorden islam, islamitisch of islamisering opduiken in parlementaire documenten. Wat bleek? Tussen 9 november 1995 en 9 november 2000 was dat 150 keer. In de vijf jaar daarna was het aantal gestegen naar 448. In de afgelopen vijf jaar zette die groei door en ging de teller tot 842 keer. Met enige ironie zou je kunnen zeggen dat er sprake is van de islamisering van het Haagse debat.
De eerste keer dat vanaf november 1995 het woord islam in een parlementair stuk opduikt, is bij de discussie over de vraag of er in Nederland een eigen imam-opleiding moet komen. Die hele discussie is doordrenkt van de aanname dat een imam meer is dan alleen een geestelijke. Hij moet ook een rol spelen in de integratie van de nieuwkomers uit onder meer Turkije en Marokko in onze samenleving. Enige kennis bij de imam van het Nederlands, onze wetten, waarden, normen en gebruiken is dan nooit weg, is de redenering.
Met het oog op de geschiedenis kun je zeggen: typisch Nederlands. Mensen definiëren als groep op basis van hun geloof, hen vervolgens het liefst aanspreken via hun geestelijken, en van daaruit van alles proberen te regelen. Maar paste dat midden jaren negentig nog wel bij het Nederland van die tijd? Wij waren zelf inmiddels al een eind op streek met de ontzuiling, de individualisering en het ons bevrijden van de knellende band van kerk en geloofsgemeenschap.
Bij onze worsteling met de integratie van een steeds groter wordende groep allochtonen grepen we dus eigenlijk terug op oude middelen. Wíj waren het die de nieuwkomers aanspraken via hun geloof. Wíj benaderden hen als moslims, terwijl wij er zelf niet meer aan moesten denken als protestant, katholiek of jood te worden aangesproken in zaken waar het geloof er niet toe doet.
Zouden wij er op die manier aan hebben bijgedragen dat pvv-leider Geert Wilders en zijn partijgenoten nu spreken over de islamisering van Nederland en dat veel kiezers daar in mee gaan? Menig probleem waar de pvv dat etiket islamisering op plakt, heeft niks met het geloof te maken. Als twintig rotjochies een buurt het bloed onder de nagels uithalen, is dat immers niet uit naam van de islam.
Geert Wilders maakt ironisch genoeg eigenlijk gebruik van het oude verzuilde denken en dan ook nog voor een groep mensen wier geloof hij niet eens accepteert als geloof. Hij smeedt het in het verleden beproefde middel tot emancipatie om tot een wapen dat hij inzet tegen mensen.
Ook zonder overal het etiket islamisering op te plakken heeft Nederland het al moeilijk genoeg met de komst van moslims en daarmee van de islam naar ons land. Praten over wat de vrijheid van godsdienst in de praktijk behelst, werd ineens weer actueel toen er een nieuwe groep gelovigen kwam die vindt dat homoseksualiteit bestraft moet worden of dat vrouwen hun haren niet mogen laten zien en soms zelfs hun gezicht ook niet. Op het moment dat we zelf dachten dat soort denken achter ons gelaten te hebben, was het er weer.
Tot hoe ver gaat de vrijheid van godsdienst eigenlijk? Dat is een vraag die we opnieuw moeten beantwoorden. Gaat die vrijheid tot en met de hoofddoek voor een elfjarig meisje? Tot en met de niqaab, boerka of chadari? Tot en met het verketteren van homoseksualiteit? Tot en met het zich afzetten tegen mensen van een ander geloof? Of tegen afvalligen van het eigen geloof?
De vrijheid te geloven impliceert dat je ook de vrijheid hebt om niet te geloven of iets anders te geloven dan je buurman. Dus de laatste twee vragen lijken simpel te beantwoorden. Je kunt niet tolerant zijn ten opzichte van intolerantie. Toch zijn de vragen in de praktijk ingewikkeld. Dat blijkt wel uit de rechtszaak tegen Wilders. Zaait hij nou haat met zijn uitspraken over de islam of vallen die onder de ook in de wet vastgelegde vrijheid van meningsuiting? Wat kan de staat doen als ouders hun afvallige zoon niet meer willen zien of hun openlijk lesbische dochter de toegang tot het ouderlijk huis ontzeggen? Toch moeilijk een bezoekregeling opleggen.
Politici kunnen wel telkens openlijk stelling nemen als ze merken dat er sprake is van gewetensdwang, zoals de partijleider van GroenLinks, Femke Halsema, dat onlangs in een lezing noemde. ‘Godsdienst is niet vrij als deze gepaard gaat met gewetensdwang en met een groot aantal leefregels en voorschriften die moeten worden nageleefd om respect van geloofsgenoten te krijgen.’ Progressieve politici hebben volgens haar in het verleden te weinig uitgedragen dat dat niet samengaat met wat wij in Nederland verstaan onder vrijheid van godsdienst. 'Ze laten zich in het defensief drukken door de harde, dikwijls discriminerende taal van Wilders.’
En hoe zit het met het hoofddoekje en de gezichtsbedekkende sluier, die in Nederland meestal boerka wordt genoemd? Ook daar worstelen we mee. De hamvraag is natuurlijk: hoe vrij zijn de vrouwen die ze dragen, doet een elfjarig meisje uit zichzelf zo'n doekje op het hoofd?
Het nieuwe kabinet heeft een boerkaverbod aangekondigd. Wie daar openlijk vóór is, staan twee verwijten te wachten. Dat hij met zo'n verbod de vrijheid van godsdienst geweld aandoet, en de vraag waarom hij een wet wil als er maar zo weinig vrouwen een boerka dragen. De wedervraag is dan: bij hoeveel vrouwen wil je wel een wet? Maar belangrijker is dit argument: een samenleving mag zeggen dat ze in de openbare ruimte wil dat iedereen kan zien wie hij tegenover zich heeft.