Robert Menasse © Brigitte Friedrich /Sueddeutsche Zeitung Photo / ANP

Paul Beers is niet zomaar een goede vertaler. Hij neemt ‘zijn’ auteurs onder zijn hoede, prijst hun werk aan bij uitgevers en lezers en behoedt henzelf, waar mogelijk, voor missers. Soms gaat zijn betrokkenheid nog verder. Van de Oostenrijker Robert Menasse (1954) verscheen zojuist zijn achtste vertaling, De Amerikaanse bril en andere verhalen, waarvan hij ook nog in hoge mate tekent voor de compositie.

In een ‘woord vooraf’ doet hij uit de doeken hoe hij de bevriende auteur aan een boek hielp waarvan helemaal geen Duits origineel bestaat.

Menasse schreef zijn verhalen in de pauzes tussen zijn grote romanprojecten, vermoedelijk zonder samenhangend idee voor een bundel. Hij stuurde ze successievelijk, met flinke tussenpozen, naar Beers, die ze vertaalde en in verschillende tijdschriften publiceerde. Maar bij het gereedmaken van de bundel stuitte hij op een merkwaardig probleem. Menasse had hem gevraagd de definitieve versies nog eens goed te bekijken, hij had er hier en daar nog wat aan gesleuteld. Dat bleek een eufemisme.

Beers constateerde tot zijn niet geringe verbazing dat van het verhaal De Amerikaanse bril nauwelijks meer dan de oorspronkelijke titel was overgebleven. In feite was de oude versie trouwens eerder een essay dan een verhaal, bovendien een zo goed essay dat het doodjammer zou zijn om het eenvoudigweg op te offeren. Hij stelde de auteur voor de vertaling met het essay te beginnen, met het gelijknamige verhaal te eindigen en twee korte teksten Beginnen en Eindigen te schrappen. Hetgeen Menasse als ‘een verdomd goed idee’ verwelkomde.

En verdomd goed is deze hele bundel. Het essay begint met de moord op John F. Kennedy, in maart 1963, waarvan de verteller zich, destijds amper zes jaar oud, weinig herinnert. Later beseft hij dat de moord de eerste gebeurtenis in zijn leven was die ‘een wereldwijde gevoelsreactie’ opriep, het ongeluk in Dallas zorgde voor de gelukkige ervaring van een onverdeelde ‘mensheid’.

‘Ik had het gevoel een ramp overleefd te hebben. Ik had de mooiste vooruitzichten’

Op 11 september 2001 was alles anders. ‘Geen spontane solidariteit als uiting van de soort’; de eindeloze herhaling van de vliegtuigen die de torens binnendringen, de instortende torens, de vluchtende mensen, de stof- en rookwolken had eerder een afstompend effect – ‘toen al kwam de meegeleverde verplichte geschoktheid en de representatieve ontzetting me enigszins artificieel voor’.

In het afsluitende parallelverhaal is het allemaal nog een paar graden erger. Kennedy is niet langer de wereldwijde verzoener, nu is hij primair de president die de oorlog in Vietnam begon, Cuba overviel en de wereld aan de rand van een atoomoorlog bracht; achter een zonnebril vermoedt de verteller nu betraande ogen en voor ‘het lijdende gezicht’ van zijn schijnzwangere vrouw kan hij geen enkel meegevoel meer opbrengen. Ze scheiden, hij wil ‘alleen maar weg uit Wenen’ en komt eind augustus 2001 voor een gastdocentschap aan in New York. ‘Ik had het gevoel een ramp overleefd te hebben. Ik had de mooiste vooruitzichten.’

Daarmee is het verbindende thema van de verhalen aangegeven: de relatie, of het ontbreken daarvan, tussen schokkende historische gebeurtenissen en hun weerslag op de individuele gevoelslevens. Aan bod komen onder meer de hongerwinter van 1944/’45 in Amsterdam, de pogroms van Rijkskristalnacht in de nacht van 9 op 10 november 1938, de val van de Berlijnse Muur eveneens in de nacht van 9 op 10 november, maar dan van 1989, de putsch in Chili en de moord op president Allende, eveneens op 11 september, maar in 1973, en de gewelddadige ontsporing van de extreem-linkse studentenbeweging in de jaren zeventig.

Die laatste komt een paar keer aan bod, altijd a posteriori, dus vooral als farce, ironisch en cynisch, en in een flitsende, ik zou haast zeggen ‘dialectische’ stijl. Opschepperijen van een veteraan van het studentenactivisme over ‘Parijs’ worden gepareerd met de bekentenis van een jongere vriend wiens levensloop pas bij de Val van de Muur ‘wortel heeft geschoten in de geschiedenis’, zij het dat hij, ‘negenentachtiger’, die nacht, nota bene zijn huwelijksnacht, met zijn vrouw in een hotelkamer in het mondaine kuuroord Bad Ischl voor de televisie zat en er verder ‘niets’ gebeurde.

In het verhaal De blauwe banden vertelt een Weense boekhandelaar over een bijna even opzienbarende gebeurtenis op 9 november 1977. Hij was jong en onzeker, ‘maar gefascineerd door de gekken’. De gekken, dat waren de predikers van een revolutionaire moraal die, als Oostenrijkse cel van de raf, de textielindustrieel Walter Palmer hadden ontvoerd. De jacht op de daders veroorzaakte zo’n schrik dat iedereen die daarvoor in aanmerking kwam zich als de bliksem ontdeed van alle verdachte, dus socialistische lectuur. Zo verdwenen ook complete edities van de verzamelde werken van Marx en Engels in de vuilnisbak, tot ergernis van de verteller, die per fiets de diverse activistische woongroepen bezocht en de boeken weer uit het afval redde.

Vijfentwintig jaar later krijgt hij, inmiddels boekhandelaar, bezoek van ‘een bureauchef van midden vijftig’, een man met het pappige gezicht van een alcoholist die zich verbaast over ‘de blauwe banden’, zoals de Oost-Duitse Marx-Engels-Werke onder kenners destijds genoemd werden. ‘Welhaast verliefd’ slaat hij deel veertig, het zogenaamde ‘Supplement 1’, open en zoekt naarstig naar sporen van gebruik – kennelijk was hij de voormalige eigenaar; hij had zijn naam zo stevig uitgegumd dat hij het papier bijna stuk had gewreven. Inmiddels heeft hij carrière gemaakt. Blijkens het kaartje dat hij achterlaat, werkt hij op het ministerie van Economische Zaken. Hij wil de hele uitgave terugkopen, maar dat gunt de boekhandelaar hem uiteraard niet. Nee, niet alles is te koop. Bij die ontknoping schoot de verteller in de lach. Mij overkwam hetzelfde.