Wortel schieten

Paul Kingsnorth schrijft om te overleven © Kenneth O’Halloran / Writer Pictures / HH

De Engelse schrijver Paul Kingsnorth trekt zich met zijn vrouw en twee kinderen terug op het Ierse platteland om wortel te schieten. De planeet is niet meer te redden, constateert de voormalige milieuactivist en oprichter van de ecologiebeweging Dark Mountain, dus waarom nog langer meningen verkondigen over ecologische rampen die niet meer te keren zijn? Liever zoekt hij zijn heil op een stukje boerenland waar hij wél controle over heeft. Spitten, fruitbomen planten, groenten verbouwen en z’n kinderen zelf opvoeden, dat is het plan. De gedroomde idylle sneuvelt echter al bij aankomst in Ierland. Hoezo wortelen in een huisje van beton op een betaalbare B-locatie in een hechte Ierse gemeenschap die opkijkt van vreemde snuiters? Kingsnorth weet zich geen raad terwijl de echte crisis nog moet beginnen. Want ook zijn meest trouwe bondgenoten, de woorden, laten hem in de steek na de verhuizing.

De sluimerende midlifecrisis die hij in Ierland dacht te bezweren verergert door de oversteek. In Savage Gods spaart Kingsnorth zichzelf en de lezer niet. Hij maakt ons deelgenoot van angsten, twijfels en filosofische overpeinzingen over cultuur en taal. De schrijver kan maar moeilijk aarden in Ierland. ‘Soms heb ik de indruk dat de plek me observeert, nieuwgierig. Hij is hier al een tijdje. Wat voert hij in zijn schild?’ Wist Kingsnorth het maar. Overdag spit hij in zijn tuin en ’s nachts, als zijn gezin slaapt, graaft hij in zijn geest, desperaat op zoek naar woorden en inspiratie. Maar ‘plekken zoals deze geven geen woorden aan mensen zoals ik’.

De notities die ’s nachts op losse velletjes verschijnen vormen de weergave van zwalkende gedachten. Kingsnorth schrijft allang niet meer om de lezer te behagen, maar om te overleven. De woorden bieden geen troost meer, zoals vroeger. In Ierland zijn de rollen omgedraaid en willen de woorden iets van de schrijver, maar wat?

Het hedendaagse Engels waarvan Kingsnorth zich bedient is sterk beïnvloed door het protestantisme. Het is een leugenachtige taal die rept van hard werken, doorzetten, carrièreladder beklimmen, spullen kopen en verkopen, geld doorsluizen van onder naar boven. Ecocide wordt verpakt in fraaie termen als ‘kansen’ en ‘ontwikkeling’, ondertussen vernietigt men waardevolle ecosystemen teneinde aan iets lelijks geld te verdienen. Kingsnorth denkt terug aan zijn tijd in de hooglanden van West-Papoea, toen hij als undercover-journalist op sleeptouw werd genomen door verzetsstrijders. Onderweg stopten de mannen op een bergkam om het regenbos toe te zingen. Wat trof was de vanzelfsprekendheid waarmee dit alles plaatsvond. Geen langdurig overleg of uitleg achteraf, het was voor de Papoea’s een gegeven dat het bos hun lied waardeerde. De mannen spraken niet over maar mét het bos.

Overdag spit hij in de tuin, ’s nachts graaft hij in zijn geest

Dat wil Kingsnorth ook, maar zijn malende hoofd piekert daar niet over. Waar is het misgegaan? Hij hoopte in Ierland belangrijke boeken te schrijven, maar moet constateren dat taal niet op commando meeverhuist. Vocabulaire en grammatica zijn verbonden met het landschap en de cultuur waaruit ze zijn ontstaan. Zo is het Ierse Gaelic een ervaringstaal waarin vogels, veen en wolken tot mensen spreken. Schrijver Tim Robinson, die jaren geleden de oversteek maakte van Engeland naar Connemara aan de westkust van Ierland, leerde Gaelic en beschrijft in zijn boek Connemara hoezeer klank, intonatie en betekenis van woorden zijn gevormd door natuurkrachten, door zompige veenlagen en ruige kusten waarop de Atlantische Oceaan stukslaat. Robinson hoort in het Gaelic de gil van de zegge en het gierende beuken van de wind op de rotsen.

In Europa hechten we aan de rede, schrijft Kingsnorth. ‘Zwart op wit’ afspraken en getekende contracten kennen we legitimiteit toe en we staan er nauwelijks bij stil welke implicaties dat heeft voor niet-schriftelijke culturen. Een plechtige belofte over verdeling van land moet het altijd afleggen tegen een door de bezetter opgemaakt contract waarin beloftes met een streek van de pen teniet worden gedaan. Kingsnorth citeert activist Russel Means, een Dakota, die in 1980 een speech gaf die hij niet op schrift wilde stellen omdat het geschreven woord als wapen is ingezet tegen zijn volk in de strijd om land. Geschreven tekst weerspiegelt de logica van Newton en mist volgens Means timbre, intonatie en een spirituele component.

Prikkelende bespiegelingen over taal en cultuur wisselen in Savage Gods af met de particuliere sores van een man in crisis. De vraag is waarom Kingsnorth zo’n probleem maakt van een normaal leeftijdsverschijnsel: de overgang van jeugdige Sturm und Drang naar man met verantwoordelijkheden. Halverwege het boek verklaart een sleutelpassage de obsessieve zoektocht naar houvast. Kingsnorth’ vader, ook een controlfreak, pleegde zelfmoord toen hij de regie over zijn leven verloor, en zijn zoon vreest eenzelfde lot. Die wetenschap verleent het boek met terugwerkende kracht urgentie en diepgang.

Kingsnorth vindt soelaas in de mythologie. Goden doen hun intrede, en de begrippen water en vuur. De eerste helft van een mensenleven staat in het teken van vuur, ambitie en ontdekkingsdrang. In de tweede helft, water, maken persoonlijke ambities plaats voor gemeenschapszin. De metafoor werkt voor Kingsnorth, die zich lijkt neer te leggen bij het opdrogen van de woordenstroom en accepteert wat hem te doen staat: de vragen leven in plaats van te overdenken.


Paul Kingsnorth treedt 31 oktober op bij Crossing Border in Den Haag