Wosterling was niet in Pare-Pare

Het blijft een heikel punt: de Nederlandse misdragingen in Indonesië. Twee jonge journalisten werpen nieuw licht.

Na vele decennia om de hete brij van Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië heen gedraaid te hebben, zijn sinds ongeveer een jaar alle ogen gericht op Kwatta. Definitief keerpunt was de publicatie van De brandende kampongs van Generaal Spoor van Rémy Limpach, eind september vorig jaar. Met dit boek, zo staat overal te lezen, werd ontegenzeggelijk aangetoond dat tijdens de ten onrechte zo genoemde politionele acties structureel geweld werd gebruikt. Dit besef bracht de Nederlandse overheid ertoe geld vrij te maken voor een onderzoeksprogramma. Dat programma werd onlangs gepresenteerd en stelt zich ten doel, aldus een omschrijving op de website van het Niod, ‘antwoord [te] geven op de vragen over aard, omvang en oorzaken van structureel grensoverschrijdend geweld in Indonesië, bezien vanuit een bredere politieke, maatschappelijke en internationale context’.

Dankzij de hernieuwde belangstelling verschijnt er zo veel dat we voorlopig uit de voeten kunnen. Waarvan akte in de vorm van twee fraaie boeken, van jonge (respectievelijk uit 1987 en 1989) onderzoeksjournalisten die niet bang zijn voor intellectueel of daadwerkelijk avontuur, goed hun huiswerk doen én, niet onbelangrijk, weten wat schrijven is.

Om voor de hand liggende redenen is Massa-executies op Sulawesi: Hoe Nederland wegkwam met moord in Indonesië van Eindhovens Dagblad-journaliste Manon van den Brekel het felst – over het optreden van de Nederlanders welteverstaan. Die felheid zit al in de titel. Daarin wordt niet alleen van executies maar ook van moord gesproken. Dit komt ook doordat het verhaal geheel verteld wordt vanuit het perspectief van de Indonesische bevolking. Van den Brekel maakte daartoe in 2016 een uitvoerige reis door Sulawesi (Celebes), sprak tientallen mensen, bezocht plekken, keek en luisterde. Het resultaat is een verhaal als een aanklacht, met weinig oog voor nuancering, veel woede en meer verdriet.

Medium 2025 010 014
Nederlandse patrouille in Zuid-Celebes © Kavelaars / NIMH

Langzamerhand kent iedereen het verhaal over Raymond Westerling, de man die verantwoordelijk wordt gehouden voor de grootste oorlogsmisdaden die Nederlanders kort na de oorlog in Indonesië begaan zouden hebben. Maar er is meer, veel meer en ook daarvoor staat Westerling symbool. Hoe onterecht dat is, ontdekte Van den Brekel in de havenstad Pare-Pare, halverwege Zuid-Celebes. Daar staat op een plaquette dat troepen onder leiding van ‘Wosterling’ hier op 14 januari 1947 om 9 uur ’s morgens 23 mannen doodschoten. De namen van die mannen (plus van de enige overlevende) staan eveneens op het monument, dat ook nog voorzien is van een afschrikwekkend tableau vivant, het wapen van Indonesië en andere versieringen. Maar Wosterling, lees Westerling, was op die dag helemaal niet in Pare-Pare, hij verbleef op de thuisbasis in Makassar, meer dan 150 kilometer zuidelijker. Anderen zijn dus verantwoordelijk geweest voor deze moord. Westerling kreeg hem simpelweg in de schoenen geschoven omdat iemand verantwoordelijk moest zijn en men niet wist wie.

Bij vervolging zouden ‘alle gruwelen aan Nederlandse en Indonesische zijde bedreven, worden opgerakeld’

Niettemin weten we wel degelijk wie verantwoordelijk waren voor de toenmalige executie in Pare-Pare. Dat zijn de drie mannen van wie Van den Brekel in dit boek het spoor volgt, dezelfde mannen die in de fameuze Excessennota uit 1969 (de vorige opdracht van de Nederlandse regering met betrekking tot de misdragingen in Indonesië) aangeduid worden als majoor X, kapitein Z en onderluitenant Y. Van den Brekel ‘ontdekte’ (volgens mij niet als eerste) in het Nationaal Archief dat achter deze initialen de namen Jan Stufkens, Berthold Rijborz en Jan Vermeulen schuilgaan. Zij ‘deden hetzelfde [als Westerling] en gingen daarbij nog veel gewelddadiger te werk’, schrijft zij. ‘Bovendien maakten zij meer slachtoffers, in een kortere periode.’ Massa-executies in Sulawesi is het journalistieke verslag van deze misdaden – plus van eerder onderzoek ernaar én de verhulling ervan. Fijne kost biedt het boek vanzelfsprekend niet. Na enige tijd krijgen de moorden, gek maar waar, zelfs iets monotoons. Want het is inderdaad iedere keer hetzelfde verhaal. De Nederlandse soldaten, het dorp, de verzamelde bewoners, degenen die eruit gepikt worden, de executies, het genadeschot, de herinneringen van de overlevenden, het terugvinden van de plek, het weinige dat van een en ander op papier bewaard is gebleven.

Midden in het boek staat een vijftiental fraaie portretten van, vanzelfsprekend oude, Indonesiërs met wie Van den Brekel tijdens haar onderzoek gesproken heeft. Ze tonen steeds dezelfde pose, een vergelijkbare achtergrond, eenzelfde uitsnede en sterk gelijkende gezichtsuitdrukkingen. Als ik deze laatste zou moeten omschrijven, zou ik zeggen: het midden tussen verdriet, berusting, boze vastbeslotenheid – en misschien ook een beetje opluchting de ellende overleefd te hebben.

Boosheid en vastbeslotenheid betreffen de weigering zich bij de gebeurtenissen van destijds neer te leggen. Dat doet Van den Brekel evenmin. Vandaar haar laatste hoofdstuk, getiteld ‘Geen straf voor massamoord’. Het vertelt hoe de gebeurtenissen eerst in de media, daarna in het parlement en uiteindelijk in enkele onderzoeksrapporten uit de doeken werden gedaan. Dankzij deze bronnen zijn de feiten sinds lang grotendeels bekend. De ministerraad van het kabinet-Drees III wijdde er zelfs een paar besprekingen aan. Maar vooral de verantwoordelijke kvp-minister van Binnenlandse Zaken, Louis Beel, was fel tegen vervolging, omdat dan ‘alle gruwelen aan Nederlandse en Indonesische zijde bedreven, worden opgerakeld’. Bij stemming bleek dat de meerderheid van het kabinet dit met hem eens was. Men besloot niet tot vervolging over te gaan.

Onaanvaardbaar, ongehoord, onbegrijpelijk, zeggen wij nu in koor. Voor dit moreel onaanvaardbare maar historisch verklaarbare voorbehoud vind je veel materiaal in het fraaie boek Tabé Java, tabé Indië: De koloniale oorlog van mijn opa van Ronald Nijboer dat, zoals de titel al aangeeft, een volstrekt ander, ja zelfs tegengesteld perspectief hanteert. Hierbij beschikte de auteur over prachtig materiaal: het dagboek van zijn in 2008 overleden grootvader Evert-Jan, plus zo’n driehonderd brieven, foto’s, knipsels en meer. Uit dit alles komt een wereld c.q. wereldbeeld te voorschijn dat anno 2017 de haren te berge doet rijzen. Niet dat daarover in dagboek en brieven van grootvader veel wordt verteld. Verhalen over gruwelijkheden betreffen uitsluitend de misdaden die door de republikeinen werden begaan (daarvan bewaarde Evert-Jan ook foto’s). Hierdoor wordt het optreden van hem en de kameraden steevast voorgesteld als reactie, als poging om de bevolking en de Chinese minderheid te beschermen en als de vereiste plichtbetrachting van een koloniaal toezichthouder (‘politionele actie’). Maar verder? Een passage uit een brief van grootvader Evert-Jan aan zijn broer die eveneens in Indonesië zat, spreekt boekdelen. ‘Maar wat ik jou hier geschreven heb laat dat s.v.p. niet over het water waaien dat ze het bij ons thuis gewaarworden, want je snapt toch wel dat ik het daar zo niet naar toe schrijf als naar jou. (…) En nu wil ik ook gaarne hebben dat jij het ook niet doet. Dat is afgesproken hè.’

Zeventig jaar nadien hebben wij besloten ons niet langer aan dit soort afspraken te houden. Dat is verstandig, goed en terecht, maar bergt ook het gevaar van het groot gemak in zich. Want Evert-Jan en 99 procent van zijn kameraden waren geen schoften, zo blijkt ook weer uit dit boek, ze waren gewone Nederlandse jongens in bijzondere omstandigheden. En in dergelijke omstandigheden gebeuren dingen die het daglicht niet verdragen. Dat is geen excuus, wel een verklaring.