Wraak

Inmiddels behoort Édouard Louis tot de spraakmakendste tegenstanders van de ‘neoliberale’ premier Macron. Zijn nieuwe boek is te lezen als een voetnoot bij zijn debuut, dat een aanklacht was tegen uitbuiting.

Bij Édouard Louis staan de ­‘heersende klasse en de overheerste klasse’ onverzoenlijk tegenover elkaar © Arnaud Delrue

Verleden jaar baarde de jonge Fransman Édouard Louis opzien met Geschiedenis van geweld, zonder lidwoord voor ‘geschiedenis’, waardoor het boek, hoewel uiterst persoonlijk, eerder de indruk wekt van een historische studie dan een roman. Die indruk wordt nog versterkt door het ontbreken van een genreaanduiding, vermoedelijk omdat de auteur nadrukkelijk liet weten dat er geen woord was verzonnen aan dit relaas. Toch is het de lezer ook vanaf de eerste bladzijde duidelijk dat Louis allesbehalve een naïeve bekentenisauteur is, sterker, dat hij op de hoogte moet zijn van de technieken van de moderne romankunst – en dat rechtvaardigt de aanduiding ‘roman’ op de achterflap.

Dat hij voor zo’n abstraherende titel heeft gekozen moet te maken hebben met zijn politieke ambities. Louis, gepokt en gemazeld in het werk van linkse sociologen als Bourdieu, Foucault en Eribon, maakt er geen geheim van dat zijn treurige jeugd in een straatarm Noord-Frans dorp veralgemeend kan worden, zijn geschiedenis is die van de uitgebuite arbeidersklasse. Vooral daarover gaat zijn debuutroman, Weg met Eddy Bellegueule, de naam waarmee hij twintig jaar eerder de wereld werd ingeschopt maar waarvan hij nu, als student in Amiens en vervolgens in Parijs, met vernieuwd – homoseksueel – zelfbewustzijn afscheid neemt, radicaal maar zonder rancune; uit alles blijkt dat hij zijn alcoholistische, racistische, grofgebekte, homofobe en er bij het minste of geringste op los timmerende vader vooral ook als slachtoffer van de omstandigheden ziet.

Maar dat gebeurt in deze twee boeken vooral impliciet, niet of nauwelijks in de klassiek-linkse terminologie waarvan het radicale politieke discours in Frankrijk nog steeds doordrenkt is. Inmiddels behoort Louis, onafscheidelijk verbonden met zijn vrienden Geoffroy de Lagasnerie en Didier Eribon, tot de spraakmakendste tegenstanders van de ‘neoliberale’ premier Macron. Zijn werk haalt enorme oplagen en wordt tot in Japan vertaald – terecht. Zijn derde literaire werkstuk, meteen na het Franse origineel hier op de markt gebracht onder de pertinente titel Ze hebben mijn vader vermoord, kan worden gelezen als een uitgebreide voetnoot bij zijn debuut, qua omvang – amper zestig pagina’s – ook eerder een boekje dan een boek. Het is geschreven in de jij-vorm, als een brief aan de vader, overigens zonder obligate reminiscenties aan Kafka; wel expliciet, via citaten, aan Ongezocht ongeluk (1972) van de jonge Peter Handke. Een opvallend verschil met Weg met Eddy Bellegueule is de aanwezigheid van de weinig subtiele socioloog in het slotdeel.

Aanleiding voor de brief is een bezoek dat Louis, opnieuw wars van fictieve spinsels, een maand eerder aan zijn vader heeft gebracht. Hij had hem een paar maanden niet gezien en blijkt hem niet te herkennen. De man is zwaarlijvig, kan nauwelijks nog lopen, heeft ’s nachts ‘een apparaat’ nodig om adem te kunnen halen, is er kortom beroerd aan toe. Hoewel nog maar net boven de vijftig, behoort hij tot ‘de categorie mensen die volgens de politiek vroegtijdig het loodje legt’, wat dat ook precies moge betekenen. Die belabberde gezondheidstoestand kan Louis noch diens lezer verbazen; nieuw is wel dat de vader een toontje lager is gaan zingen. Als hij na tien meter lopen buiten adem is en moet gaan zitten om bij te komen, verontschuldigt hij zich. ‘Dat was nieuw’, reageert de zoon, ‘verontschuldigingen van jou, daar moet ik aan wennen.’

‘Had je de betekenis van onze plaats op de wereld al op me overgedragen?’

Volgt een reeks pijnlijke herinneringen van de zoon aan de vader, en nu dus ook opgedist áán de vader, voorzien van een jaartal, maar niet-chronologisch. Het onbehouwen gedrag van vooral alle mannelijke figuren, de sfeer van dreiging en schaamte komen de lezer bekend voor, maar dat stoort niet, Louis weet de beklemming opnieuw overtuigend en in bondige details op te roepen. In zijn geheugen gebrand is bijvoorbeeld de herinnering aan de nacht kort voor Kerstmis waarin de oude auto van zijn vader, met kerstcadeautjes verstopt in de kofferbak, aan diggelen wordt gereden door een enorme truck, ‘alsof een vliegtuig zich in de grond voor ons huis had geboord’; de verantwoordelijke chauffeur stond erbij te kijken maar vluchtte in de nacht toen hij de door de ontploffing gealarmeerde vader gewaar werd.

Jammer is dan wel dat Louis, indertijd zeven jaar oud, dat fragment afsluit met een conclusie die gevaarlijk balanceert op de rand van de sentimentaliteit. Het beeld van de gefrustreerde, machteloos vloekende en scheldende vader blijft hem achtervolgen, zozeer zelfs dat hij zich nu afvraagt of die hem toen al had duidelijk gemaakt ‘dat we hoorden tot de mensen die van niemand hulp zouden krijgen? Had je de betekenis van onze plaats op de wereld al op me overgedragen?’ En alsof het succes van de zoektocht naar de verloren vaderliefde nog niet met genoeg tranen is bezegeld, voegt de briefschrijver daar de geïsoleerd gedrukte en daardoor met extra pathos geladen zin aan toe: ‘Ik heb vaak het gevoel dat ik van je hou.’

Dat gevoel wordt gevoed door het geloof dat de vader geen schuld heeft aan de misvormingen van zijn karakter. Hij schaamt zich als de zoon hem ‘confronteert met de schoolcultuur, de cultuur die (hem) had buitengesloten, die niets van je had willen weten’. Ook denkt de zoon dat de vader geen jeugd heeft gehad, net als zíjn vader moest hij op zijn veertiende of vijftiende de fabriek in, en dat betekende niet alleen ‘uitputtend werk’, maar ook een ‘aanloop naar de dood’. De wrekende socioloog neemt het nu compleet over van de fijngevoelige literator. De ‘heersende klasse en de overheerste klasse’ staan onverzoenlijk tegenover elkaar, als in de schreeuwerigste dagen van het westerse spandoekmarxisme, iets ertussenin bestaat niet meer. Sarkozy, Chirac en Macron hebben de ‘ingewanden’ van zijn vader ‘kapotgemaakt’, zijn ‘rug gesloopt’ – ‘ze hebben mijn vader vermoord’ en dat roept om wraak. Maar dat is literair én politiek een stap terug.