Een sterke afgang van Ger Thijs

Wraak als lollige lectuur

Ger Thijs

Een sterke afgang

Uitg. L.J. Veen, 191 blz., € 14,50

Liet Herman Brusselmans in de roman Uitgeverij Guggenheimer (1999) zijn protagonist een autorit lang nakauwen op een stukje tepel van Monika van Paemel («bij de seks wil ik wel ’ns m’n bijters gebruiken»), in Ger Thijs’ roman Een sterke afgang moeten de borsten van Jeltje van Nieuwenhoven het ontgelden. Het vrouwelijk lichaam blijkt wat dat betreft altijd weer tot ongekende aanhankelijkheidsbetuigingen te inspireren. Let wel, anders dan zijn Vlaamse collega heeft Thijs zijn slachtoffer een nom de plume gegeven. Ietje. «Haar naam doet een schattige kleuterleidster verwachten, maar ze is een formidabele dame. (…) Ze lijkt op zijn ongetrouwde tantes van vroeger. Die gingen naar het klooster en werden al gauw moeder-overste, hoofd van een meisjespensionaat, directrice van de mms. Zulke vrouwen gaan tegenwoordig in de politiek, met behoud van hun ballenbijtende gestrengheid waar het mannelijk masochisme zo dol op is. Hoewel de goede observator haar ooglid weleens ziet trillen van ongeloof als al die mannen zich door haar steeds maar weer het zwijgen laten opleggen.»

Een dergelijk goed observator, om niet te zeggen genadeloos, toont Thijs zich in deze roman over de neergang van een theater directeur. Theaterdirecteur? Was Thijs niet zelf een tijdlang verbonden aan de Koninklijke Haagse Schouwburg, als artistiek leider van het Nationale Toneel? En is hij daar niet voortijdig vertrokken in een sfeer van achterklap en frustratie? Was Jeltje van Nieuwenhoven toen niet voorzitster van het bestuur van het een of ander? Werd Ger Thijs niet opgevolgd door Johan van Doesburg, die met die bril en dat lange haar, van dat stuk van Fassbinder ja?

In Een sterke afgang is Van Doesburg zonder veel moeite te herkennen in de even onsmakelijke als onbetrouwbare regisseur Jeroen Brocken, getooid met «Woody Allen-bril» en haarborstel, eeuwig met zijn kapsel in de weer, een spoor van plukken haar achter zich latend.

Wraakzucht mag niet een van de sjiekere drijfveren van het schrijverschap zijn, ze kan wel lollige lectuur opleveren. Een sterke afgang is ook nog eens meer dan dat. Op de allereerste plaats verhaalt de schrijver toch van de universele en tijdloze tragiek van de strevende mens, wiens hoogmoed voor de val zal komen. Thijs’ strever, René Lambert (spreek uit: Lambère), is moeiteloos te plaatsen in gezelschap van Vedder en Anijs, de grote kleine luiden in Publieke werken (1999) van Thomas Rosenboom. De romans ademen een zelfde soort burleske humor en een vergelijkbaar sadistisch genoegen in het afstevenen op de onontkoombare ondergang van de dramatis personae.

Anders echter dan bij Rosenboom is in de roman van Thijs een ondertoon van persoonlijk ressentiment te proeven. Zijn woede zal hem hebben verleid een sleutelroman te schrijven waarin ook voor de niet zo goede verstaander bepaalde personages te herleiden zijn tot bestaande figuren. Nu zijn in de literatuurgeschiedenis vanonder een dikke laag stof talloze voorbeelden op te diepen van romans die, zijnde niet meer dan wraakoefeningen, een even heftig als kort leven beschoren waren. Thijs ontspringt deze dans, simpelweg omdat hij, naast voormalig artistiek leider, schrijver is en weet heeft van stijl, dosering en opbouw. Al eerder gaf hij blijk van zijn sardonisch vertelvermogen in een geestige roman over een theatermaker die wordt uitgenodigd voor een Kafka-festival in de Verenigde Staten, en die er ter plekke achterkomt dat het feit dat niemand daar enige weet heeft van dit gebeuren misschien wel de kern van het festival uitmaakt (Het openluchttheater in Oklahoma, 1993).

Ook zijn voorlaatste roman, Het konijnenmaal (2000), waarin Festen-achtige gezinstrauma’s tijdens de jaarlijkse paasdis boven tafel komen, was een sterke mengeling van pathetiek en zwarte humor. Het is dezelfde toon die in Een sterke afgang doel treft, misschien nog ietsje sterker. De beschreven toneelwereld, vol gefnuikte ambities en geknakte ego’s, is de uitvergroting van welke creatieve wereld dan ook waarin geld, macht en talent met elkaar rivaliseren. Waarin een theaterdirecteur ervan droomt om Joegoslavische huurmoordenaars in te schakelen opdat een bestuursvoorzitster voorgoed het zwijgen wordt opgelegd, en hem «de twee lillende bollen» bezorgd zullen worden als bewijs van de volbrachte daad. Want, zoals hij in zijn toenemende razernij overdenkt: «Als liefde een motief is, is haat er natuurlijk ook een.»