HANS KEILSON, DAAR STAAT MIJN HUIS

Wraak en haat zijn niet de geëigende figuren

Hans Keilson heeft vooral oog voor het kleine, menselijke verhaal. Wat de oorlog betreft schrijft hij niet over groepen maar over individuen. Individuen, getekend door trauma’s.

Hans Keilson, Daar staat mijn huis, vertaald door Piet de Moor, € 9,90

In de Engelse Oscar-winnende bioscoophit The King’s Speech vertelt de koning aan zijn spraaktherapeut eindelijk, na vele sessies, waarom hij eigenlijk zo verschrikkelijk stottert. Het is een jeugdtrauma. Zijn kindermeisje hield van zijn oudere broer Edward (die koning werd totdat hij zo nodig trouwen moest met de Amerikaanse vamp Mrs. Wallis Simpson), en niet van hem. Als de kinderen ‘getoond’ werden aan hun ouders kneep ze hem heel hard, zodat hij huilen moest en zijn moeder hem gauw teruggaf aan het kindermeisje. Vervolgens strafte het meisje hem door hem niet te voeden, waardoor de koning zijn eerste levensjaren honger leed.

De film gaat over de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw, het tijdsbestek waarin ook de boeken van Hans Keilson zich afspelen. In zijn onlangs opnieuw in de belangstelling gekomen roman In de ban van de tegenstander (1959) draait het ook om een jeugdtrauma, die de latere opstelling van de hoofdpersoon verklaart. Als kind heeft hij postzegels vervalst en met een vriendje geruild. Nogal onschuldig, op het eerste gezicht. Bij zijn vader kijkt hij de techniek af om foto’s te manipuleren. Als vader de opdracht krijgt een hond en een poes lieflijk samen op de foto te zetten, maakt die ten einde raad een montagefoto. ‘Op die afdruk zitten Boetie en Hoetie dan heel vredig samen.’ De jongen gaat voor de postzegels met zijn drukletterdoos in de weer, ‘het technische probleem woog voor mij zwaarder dan het morele’. De vervalsing wordt ontdekt en het kind wordt gestraft doordat hij, anders dan gebruikelijk, géén klappen van zijn vader krijgt. Dit is ernstig. Hij ontdekt dat het kwaad ook in hemzelf huist.

Die kijk op het kwaad, als een menselijke karaktereigenschap, bepaalt zijn houding in de aanloop van de Tweede Wereldoorlog. Het lukt hem niet Hitler als het ‘onmenselijke kwaad’ te zien en het idee van een rechtlijnige vijandigheid of slachtofferschap van zijn vrienden aan te hangen. Hitler, in de roman overigens neutraal met B. aangeduid, is zijn persoonlijke tegenstander. Maar niet door te worden als hij, juist door werkelijk mens te blijven. Het tegenstander-zijn schept een band, die in de ogen van de ik-persoon wederzijds is. ‘B. moet van mij bezeten zijn!’ roept hij uit, zoals hij over B. zegt: ‘Hij was mijn alles!’ Het is ‘een kus van mond op mond’. De lijflijke ontmoeting met de Führer is een van de hoogtepunten van de roman. B. wordt in een open auto door de stad gereden, uitzinnige mensenmenigten juichen hem toe. Daartussen staat de naamloze ik-figuur, joods, beoogd slachtoffer, en ‘in de ban van de tegenstander’. Op het moment dat de twee oog in oog met elkaar staan, waarschuwt B. de kinderen die rond de auto rennen, opdat ze niet onder de wielen terechtkomen: ‘Kinder, Kinder.’ Het is een hartverscheurende scène, omdat de lezer beseft dat deze kinderen later als kanonnenvoer gediend hebben.

In The King’s Speech staat de hoofdpersoon, de koning, ook op een cruciaal moment oog in oog met Hitler. Die komt in de film op een authentiek journaalverslag in beeld, juist op het moment dat de koning zijn spraakgebrek overwonnen heeft. De persoonlijke groei die de koning met hulp van zijn spraaktherapeut heeft doorgemaakt, stelt hem in staat om Engeland de oorlog in te leiden. Het ogenblik dat de koning Hitler op de film ziet, heeft daardoor de status van een ontmoeting tussen twee sleutelfiguren uit de geschiedenis. Persoonlijke tegenstanders.

In de ban van de tegenstander verscheen in 1959 in Duitsland, en werd daar nauwelijks opgemerkt. In de Verenigde Staten, waar het nu opnieuw ontdekt is door een lovende recensie in The New York Times, haalde het boek al in 1962 de top-tien van Time Magazine. In Israël verschenen vernietigende kritieken. ‘Nederlandse vertalingen van Keilsons romans zijn niet meer in de handel’, eindigt een interview in De Groene Amsterdammer uit 1995. Het heeft nog vijftien jaar en een omweg via de VS gekost voordat een uitgeverij in Nederland de handschoen oppakte.

Hans Keilson is inmiddels 101 jaar oud en heeft zojuist zijn herinneringen gepubliceerd onder de titel Daar staat mijn huis. In 1936 vluchtte hij uit Duitsland en vond uiteindelijk onderdak in Bussum, waar hij nog steeds woont. In zijn memoires schrijft hij dat hij maar weinig kon meenemen uit Duitsland, maar wel de boeken van Sigmund Freud. Zijn werk (‘geen werk, maar míjn werk’, schrijft hij) als psychiater was het begeleiden van joodse kinderen ‘die door de shoah wees geworden waren en in wie ik, door me om hen te bekommeren, mijn eigen verweesd-zijn doorleefde’. Hij tekent herinneringen op aan zijn jeugd in Freienwalde, zijn vader, een joodse textielhandelaar, zijn vrome, mooie moeder, zijn vlucht, de onderduik en de eerste jaren van zijn naoorlogse ballingschap. Ontroerende fragmenten zijn het van een groter levensverhaal, waarnaar de lezer alleen maar nieuwsgieriger wordt. Zijn werk als psychiater blijft buiten beschouwing, terwijl ik daar graag over gelezen zou hebben. In het interview in De Groene Amsterdammer met de toen 85-jarige Hans Keilson gaat het daar wel over. ‘Wat voor de kunstenaar geldt, geldt ook voor de therapeut: hij moet zich eerst een eigen beeld kunnen vormen van het trauma, voor hij kan beginnen de patiënt te begrijpen’, omschreef interviewer Ralf Syring (zelf kinderarts die onder meer onderzoek deed naar getraumatiseerde kinderen in de Gaza-strook) Keilsons werkwijze als schrijver én kinderpsychiater. Keilsons wetenschappelijke onderwerp is het trauma bij kinderen die het concentratiekamp of de onderduik overleefden. Daarbij gaat het hem om de psychische schade die is toegebracht in de oorlog, maar ook om de ‘sequentielle Traumatisierung’: de trauma’s die daar vervolgens bij kwamen door de vaak tekortschietende opvang. Uit zijn onderzoek blijkt dat ook die trauma’s grote consequenties hebben gehad voor de verdere ontwikkeling.
Het jeugdtrauma als drijfveer voor latere keuzes, als wegwijzer voor de levensloop, is een concept dat al lang verlaten lijkt, in de psychiatrie en in de literatuur. Freud is uit de mode, ook in de literatuur. Maar waarom lopen zo veel lezers dan weg met Keilsons ‘herontdekte’ boeken? Is Freuds mensbeeld misschien toch aantrekkelijker dan we hebben gedacht? Je hoeft deze maanden maar een krant of tijdschrift open te slaan om te lezen over het idee dat bijna alle gedrag van de mens ‘opgeslagen’ zou liggen in het DNA en in de hersenen. Het verkeer tussen de hersenhelften en de opdrachten die de hersenen geven aan ons denken en ons lichaam schijnen de vrije wil ver vooruit te zijn. Die vrije wil sukkelt zo’n beetje als een demente tante achter de familie aan! Opvoeding kan nog maar een paar procent van een mens bepalen, de rest ligt al vast. Het is een soort predestinatie-après-la-lettre. Is dit doorgerationaliseerde mensbeeld wel vruchtbaar? Voor veel lezers niet, dat blijkt wel uit de belangstelling voor Keilsons boeken. Want hierin gaat het juist om vrije keuzes die het individu maakt.

Dat individualisme is verankerd in Keilsons opvoeding en leven. Net als de ik-persoon van In de ban van de tegenstander mocht Keilson van zijn joodse ouders meezingen in het protestantse kinderkoor in zijn geboortestad Bad Freienwalde aan de Oder. Hij werd later met twee andere joodse kinderen weggestuurd. Hij publiceerde begin 1933 bij uitgeverij Fischer zijn debuut Das Leben geht weiter, over de neergang van een joodse winkelier tijdens de Weimar-republiek. Volgens Syring was Keilson ‘de laatste joodse auteur die voor de oorlog bij een gerenommeerde uitgever debuteerde’. Zijn boek werd snel na verschijnen verboden en verbrand.

In Amsterdam aangekomen, in 1936, voelde hij zich een vreemdeling, maar dat ‘was niet hetzelfde als afgewezen zijn’. Ook hier weer individuele keuzes: Keilson sloot zich niet aan bij de groep émigres, maar zocht juist Nederlandse contacten. Als verklaring voor de verschillen tussen Duitsers en Nederlanders noemt hij het water en de handel. Het water is voor Nederlanders een constante dreiging van buitenaf, terwijl Duitsers altijd hun dreigingen binnenshuis hebben gezocht. En waar de prototypische Duitser de militair was, is dat in Nederland de handelaar. En die is niet uit op de dood van zijn tegenstander, maar op concurrentie. Wraak en haat zijn niet de geëigende figuren in In de ban van de tegenstander. ‘Wat vergis je je toch als je gelooft dat de dood een soort straf is. (…) Gelukkig zag ik tijdig hoe dom zo’n gedachte is. Dat ik dat inzag, ook daarvoor dank ik mijn vijand.’

Literair gezien is Komedie in mineur misschien wel Keilsons ‘gaafste’ boek. Een novelle die twee heel gewone mensen gedurende een aantal maanden volgt: Wim en Marie. Brave mensen die in de oorlog besluiten ‘iets goeds’ te doen: ze stellen hun huis beschikbaar voor een onderduiker. Het probleem begint als Nico, de joodse onderduiker, overlijdt. Hoe komen ze op een respectvolle manier van het lijk af zonder zelf tegen de lamp te lopen? De spanning is prachtig opgebouwd, en de plot hangt subtiel af van een klein detail (dat ik hier niet verklappen zal). De opbouw doet hier en daar aan W.F. Hermans’ verhalen denken, hoewel Keilson duidelijk meer van zijn personages houdt dan Hermans van de zijne.

In de ban van de tegenstander is een rijker boek: een mengeling van verhaal en herinneringen. Het heeft de kracht van de authentieke stem en is vooral indrukwekkend waar het oog heeft voor het gewone leven. In het boek zit een huiveringwekkende scène op een joods kerkhof. In een opschepperige sfeer vertelt een jonge nazi over een ‘opdracht’ om het kerkhof te vernielen. De ik-persoon, die verliefd is op de zus van een van de nazi’s en wiens joods-zijn zorgvuldig níet genoemd wordt, hoort toe. Het verslag van de vernieltocht is buitengewoon gedetailleerd. Je zou verwachten dat de bende vooral als groep geportretteerd wordt: de jongens lopen die kant op, trappen de grafstenen omver, vernielen de steles. In plaats daarvan worden ze juist een voor een, als aparte personen, in al hun verschillendheid beschreven. Er is de sportman, die het vooral als een fysieke uitdaging en kwelling lijkt te zien. Er is de stotteraar, ook wel ‘meisjesjongen’ genoemd, die bang is voor het donker. Er is de weesjongen, wiens geweten opspeelt en die de opdracht ‘de doden te vermoorden’ alleen uitvoert ‘omdat het moet’, maar die uiteindelijk de fanatiekste blijkt. En er is de leider, die gewond raakt doordat er een boomtak in zijn gezicht zwiept. Onspectaculaire verwonding voor een leider – subtiel laat de schrijver zien hoe zijn personage daarmee worstelt. Keilson heeft juist deze jongens in hun eigenheid willen tonen; allen hebben ze hun geschiedenis, hun verhaal, hun jeugdtrauma.

Keilson lijkt altijd meer oog te hebben voor het kleine, menselijke verhaal: de vervalste postzegel, de zwiepende tak, het kleine detail dat in Komedie in mineur de plot voortstuwt. Via het detail kan de lezer zich voorstellen hoe het was, hoe gewoon het was ook. Hij wil geen grote lijnen schetsen. Zo ook is zijn keuze te verklaren om nergens in het boek het woord ‘joden’ te gebruiken, of ‘Duitsers’ of ‘nazi’s’. Daarmee zouden het groepen worden in plaats van individuen. En zo ook is te begrijpen waarom de ik-persoon zich niet aansluit bij de zionisten, waar hij toch begrip en hulp en vechtlust had kunnen opdoen. Hij wíl niet in groepsgedrag vervallen, hij wil als individu staan tegenover dat andere individu, als ‘ik’ tegenover B.

In de ogen van zijn vader kan maar één kracht het opnemen tegen B.: de genade van God. Maar: ‘Evenmin als ik wist wie de man was die vader onze vijand noemde, wist ik wie God was over wiens genade vader sprak. Ik kende hen geen van tweeën. (…) Vanaf dat ogenblik lag er over mijn jeugd een dubbele schaduw.’ De jongen moet het niet van God hebben, maar van zichzelf. Dat voelt hij sterk als hij door zijn voetbalvriendjes, die met krantenfoto’s van B. in hun boeken rondlopen, letterlijk uit het elftal wordt geschopt. ‘Ik wist dat ik was uitgestoten, dat ik alleen op mezelf was aangewezen.’ En liever dan als slachtoffer profileert hij zich als ‘de aanstichter’, ook al is dat een waandenkbeeld. Het individu, getekend door zijn jeugdtrauma. Dat is Keilsons mens.

Komedie in mineur, Vertaald door H. Sanders; herzien door Frank Schuitemaker, Van Gennep, 127 blz., € 13,95. In de ban van de tegenstander_, Vertaald door M.G. Schenk; herzien door Frank Schuitemaker, Van Gennep, 240 blz., € 19,90_