Wraak is een ijskoud gerecht

‘ZODRA IK iemand zie, begin ik hem automatisch te ontdoen van zijn haar, dan van zijn wangen, zijn ogen, als van iets zonder nut, als van iets dat me zelfs verhindert tot in zijn wezen door te dringen, en ik stel me zijn hoofd voor als niets anders dan een schedel en tanden (de enig onveranderlijke onderdelen ervan). Begrijpt u? Het is alsof ik in het rijk van het calcium terecht ben gekomen.’

Zelfs overdag ontsnapt de Italiaanse generaal niet meer aan de lange nachtmerrie die zijn dagtaak is. De hooggeplaatste officier uit De generaal van het dode leger, Ismail Kadare’s eerste roman - een inmiddels internationaal erkend meesterwerk dat in 1963 in Albanië verscheen en dat zopas in het Nederlands werd vertaald - heeft de opdracht om de lijken van de Italiaanse soldaten op te graven die twintig jaar eerder tijdens de Italiaanse bezetting in Albanië gevallen zijn. De generaal doet dat in het gezelschap van een dubieuze priester, een landgenoot die het Albanees machtig is en enkele Albanese arbeiders die door de autoriteiten in Tirana met de opgravingen zijn belast. Wat voor de generaal begint als een ‘edele opdracht’ neemt steeds meer de vorm van een tragikomedie en uiteindelijk van een groteske aan.
ALS ZIJN opdracht een jaar later is voltooid, is de generaal, die het aan de vooravond van zijn vertrek naar Italië in hotel Dajti in Tirana op een kolossaal zuipen heeft gezet, psychisch helemaal ontredderd. De macabere missie heeft hem onderuit gehaald. Nochtans is hij geen groentje. Hij is een man van middelbare leeftijd, heeft militaire ervaring en heeft tijdens de oorlog in Afrika gediend. Maar zijn opdracht in Albanië blijkt gaandeweg van een slopende zinloosheid te zijn: 'Het eerste wat verdween was onze trots, weldra was er niets plechtigs meer aan dit alles, ten slotte verdwenen mijn laatste illusies, en nu trekken we hier rond temidden van volstrekte onverschilligheid, onder raadselachtige en spottende blikken, als zielige oorlogsnarren, meer te beklagen dan allen die in dit land gevochten en het onderspit gedolven hebben.’
Bovendien komen die dode soldaten via de flarden van een zestal dagboeken zelf aan het woord en breken ze, meer nog dan de vijandige Albanezen zelf, het zelfrespect van de generaal. De doden smeken als het ware om met rust te worden gelaten, om te blijven liggen in de aarde waarin ze, vaak anoniem, alleen aan hun medaillon herkenbaar als dode Italianen, begraven zijn.
DE WERELD van de generaal brokkelt af. Hij is naar Albanië gekomen in de overtuiging dat de Albanezen allemaal boerenkinkels zijn, rovers die met het geweer in de hand geboren zijn en die, aangezien ze elkaar in bloedige vetes uitmoorden, gedoemd zijn om als volk te verdwijnen. De Italiaanse priester die hem vergezelt (is hij geen spion?) steunt hem in die overtuiging. Meer nog dan de generaal is die priester - een belerende geheelonthouder - banaal en, in al zijn onverschilligheid, afstotelijk. Hij is een man zonder eer of gevoel. Als op een bepaald ogenblik een Engelse piloot door de Albanese arbeiders wordt opgegraven, komt de priester met een teleurgesteld gezicht van het geopende graf gelopen. ’(“Moeite voor niks”, zei hij moe. “Het was er geen van ons.”(’ Vervolgens geeft de harteloze priester de gravers het bevel om de Engelsman weer in de grond te stoppen, eraan toevoegend: 'We kunnen niets voor hem doen.’ De doden behoren immers Italianen te zijn. Maar ook als de overblijfselen van zijn landgenoten opgegraven worden, zien we de priester nooit iets ondernemen wat bij zijn functie past. Hij leest de generaal wel de les als die weer eens aan de fles is, maar nooit komt het in de priester op om een spontaan gebed te zeggen bij het graf van een dode.
De generaal zelf is gewoon ietwat dom en naïef, verblind door zijn vaderlandse gevoelens. Naarmate het verhaal vordert, blijkt de zoektocht van de generaal overigens niet zozeer de gewone soldaten te gelden, als wel de overblijfselen van een zekere kolonel Z., de leider van het Blauwe Bataljon, een strafeenheid. De resten van alle hoge officieren zijn sinds lang overgebracht naar Italië, alleen het lijk van kolonel Z. is nog niet opgedolven in Albanië. De familie van de dode wacht in spanning op het resultaat van het opsporingswerk van de generaal, want in het vaderland heeft die familie een marmeren tombe voor de kolonel laten bouwen.
Maar ook de legende van de eervolle kolonel Z. die twintig jaar na zijn dood nog altijd door Betty, zijn weduwe, wordt beweend, stuikt als een kaartenhuis in elkaar. Er wordt gesuggereerd dat de priester een affaire heeft met de weduwe. Tot daar aan toe. Maar verder bestaat de verdenking dat die mooie weduwe, die amper twee weken met de kolonel was getrouwd toen hij naar Albanië vertrok, alleen met haar raaskallende schoonmoeder blijft aanpappen omwille van een erfenis.
Kolonel Z. wordt in de loop van het verhaal ontmaskerd als een schurk, die tijdens de Italiaanse veroveringstocht brandschattend door de Albanese dorpen trok, onschuldige mensen eigenhandig opknoopte en kinderen onder de ogen van hun moeder verkrachtte. De generaal, die dit verhaal tijdens een huwelijksfeest voorgeschoteld krijgt, is helemaal van de kaart wanneer hij verneemt dat kolonel Z. om die reden door een Albanese vrouw is vermoord. Tijdens die bruiloftsnacht, waarop de generaal tot ontzetting van de priester ongenood verschijnt, graaft de inmiddels oude vrouw het lijk van de kolonel op en werpt ze de zak met zijn overblijfselen voor de voeten van de gehate gast. Als een dief in de nacht loopt de generaal er gebogen mee weg, 'vernederd door zijn last, als droeg hij alle schande en het gewicht van de aarde op zijn rug’.
DE TOON die Kadare in De generaal van het dode leger aanslaat is zoals gebruikelijk lijzig en beeldend. Nergens zegt de schrijver expliciet hoe wreed de oorlog is, hoe hij met al zijn vernietigende kracht blijft nawerken, hoe de wraak van de nabestaanden als een ijskoud gerecht gegeten wordt, hoe zinloos het is om de doden postuum nog eens op te delen in slechte tegenstanders en voortreffelijke landgenoten. Kadare vertelt gewoon wat er zoal gebeurt.
Zoals altijd in zijn latere romans is het klimaat meteen mistroostig, valt er alleen maar regen en natte sneeuw uit de sombere lucht. En toch schemert er hier en daar een stukje wereld dat een tegenbeeld vormt van het macabere universum waarin de generaal verzuipt.
Her en der duikt even een verliefd koppel op dat bestand is tegen de ijzige wind, die misschien alleen maar in de verbeelding van de generaal bestaat: 'Op een van de banken aan de rand van de weg zaten een jongeman en een meisje zij aan zij. Zij keek dromerig voor zich uit, met haar hoofd tegen de schouder van haar metgezel, die haar knieën streelde. “Laten we naar beneden gaan”, zei de generaal. “Er staat een koude wind.”’