Wraak is geen optie

Op de Frankfurter Buchmesse is Indonesië eregast. Alle aandacht dus voor Laksmi Pamuntjak, die het even schitterende als bloeddorstige verhaal van haar land vertelt – en de mythe rond de massamoord van 1965 durft open te breken.

Je hoeft Indonesië niet te kennen om door Amba of de kleur van rood meegesleept te raken. De roman zou eenzelfde internationale vlucht kunnen nemen als De vliegeraar van Khaled Hosseini dat deed, of Het huis met de geesten van Isabel Allende, Het glazen paleis van Amitav Ghosh. Diep in een lokale geschiedenis geworteld, maar leesbaar over de hele wereld. Want: onmogelijke liefde, tragische doden, een oorlog die tot in de kieren van het dagelijks leven kruipt, verscheurde families en een hoofdpersoon die haar leven lang een geheim met zich meedraagt.

Laksmi Pamuntjak (Jakarta, 1971) is kosmopoliet genoeg om over haar landsgrenzen heen te spreken. Ze studeerde op drie continenten, woonde in Singapore en Londen, ambieerde een loopbaan als klassiek pianiste, publiceerde essays en gedichten over Egon Schiele, Salvador Dali en Sylvia Plath, bracht drie edities uit van de Jakarta Good Food Guide en schrijft opiniestukken voor The Guardian en de Frankfurter Allgemeine.

Maar de geschiedenis en de mythes van Indonesië klinken wel door in haar roman, achter elke wending van het verhaal, als een bittere symfonie. Heb je daar oren voor, dan begrijp je waarom Tash Aw, de Maleisische schrijver die twee keer genomineerd werd voor de Man Booker Prize, zegt dat Amba wel eens een keerpunt zou kunnen zijn in de Zuidoost-Aziatische literatuur.

Op de Frankfurter Buchmesse in oktober is Indonesië eregast. Onder het motto ‘17,000 Islands of Imagination’, met een budget van tien miljoen euro en tweehonderd pas vertaalde boeken in de aanbieding bezet het land straks tweeduizend vierkante meter in het hoofdpaviljoen. De delegatie staat onder leiding van Goenawan Mohamad, de nestor van de onafhankelijke journalistiek en literatuur. Laksmi Pamuntjak, die ooit Mohamads verzamelde gedichten bundelde en naar het Engels vertaalde, wordt in de Duitse pers al klaargestoomd voor de rode loper. Ullstein Verlag zet zwaar in op Alle Farben Rot. Tijdens haar Europese tournee komt ze ook langs Amsterdam, voor het internationaal literatuurfestival Read My World, als de Nederlandse editie van Amba verschijnt. Welk verhaal gaan de nestor en de diva straks over Indonesië vertellen?

Indonesië staat op scherp. Zeventig jaar na de onafhankelijkheid is het een mirakel en een tijdbom tegelijk. Historisch is het land een unicum: op de onafhankelijkheid volgde geen burgeroorlog, de archipel van al die eilanden is ook na de dictatuur van Soeharto niet uit elkaar gevallen, de economie stortte niet in maar groeit nog altijd, de grootste moslimnatie ter wereld blijft een democratie. De veerkracht en de schoonheid van het land zijn onuitputtelijk. Maar: ook president Joko ‘Jokowi’ Widodo, vorig jaar in een storm van publieke euforie verkozen als de eerste president zonder banden met het oude regime, loopt vast op de corruptie, de almacht van de politie en de sharia die oprukt in de provincies. Hij houdt ijzig vast aan de doodstraf maar weifelt als er politiek en economisch moet worden doorgepakt.

En diep onder die hectiek ligt het donkere hoofdstuk van 1965. Na de schimmige coup die Soeharto aan de macht bracht werden er meer dan een miljoen mensen op verdenking van communisme vermoord en gevangen gezet. Die massamoord, jarenlang massaal verzwegen, ligt in het hart van Pamuntjaks roman. Er is een mythe omheen gebouwd die het gesprek verlamt waaruit een open samenleving zou moeten bestaan. En dus breekt zij de mythe af.

‘Op school, in de jaren zeventig’, schrijft Pamuntjak, ‘kregen we een eenzijdige versie van de geschiedenis. Het werd er bij ons categorisch ingestampt dat communisten atheïsten waren en vijanden van de Indonesische staat, dat de communistische partij verantwoordelijk was voor de moord op zes generaals van 1 oktober 1965, en dat alle communisten duivels waren. Jakarta bestond in die tijd uit gelijke delen olie-dollar-overmoed en verraden revolutie, met het rode gevaar nooit ver van het collectieve bewustzijn.’

Medium u1496847

De mythe deed zijn werk. Angst maakte de massamoord onbespreekbaar. Jaren later, in 2009, toen een onderzoek op de Universiteit van Jakarta uitwees dat meer dan de helft van de studenten zelfs nog nooit van de gebeurtenissen in 1965 had gehoord, wist ze zeker dat ze Amba moest schrijven.

Amba zelf, de hoofdpersoon van de roman, is genoemd naar de prinses uit de Mahabharata – en ook die mythe breekt Pamuntjak open. Ook deze Amba blijft alleen achter als de twee mannen van wie ze houdt haar allebei afwijzen. Maar anders dan de prinses uit de eeuwenoude sage neemt de Amba van Pamuntjak geen wraak. De schrijfster zet de cyclus van bloedvergieten en trauma’s die vroeg of laat moeten uitbarsten stil. Haar heldin gaat niet op oorlogspad, haar communisten verzoenen zich met hun lot.

Laksmi Pamuntjak schreef al in The Diary of R.S., een bundel kunstbeschouwingen uit 2006: ‘Gaandeweg leerde ik begrijpen dat mythes net zo werken als de langdurige blik die kunst van je vraagt. Er ontstaat een ruimte waarin je de lege plekken mag invullen, verbindingen kan leggen, uit niets iets maken. Je begeeft je in de open ruimte van zijn mogelijkheden, je diept een glimp op van zijn raadsels, zijn geheime leven, je overdenkt de eeuwige gloed van wat verborgen blijft.’

En dus neemt ze de vrijheid om haar personages zelf hun levensloop te laten kiezen, ongebonden door de wetten van de mythe. Amba weigert aan te nemen dat haar naam een vloek is, die altijd moet leiden tot wraak en bloedvergieten: ‘Want is het niet zo dat alle verhalen bestaan om nogmaals te worden geschreven?’

Laksmi Pamuntjak zet haar kleurenliefde opzij om diep in het grijs te kijken

Pamuntjak is hierin duidelijk opgevoed door haar leermeester Goenawan Mohamad, die de gewoonte had iedere nacht om drie uur op te staan om de koran te bestuderen – niet op de leefregels maar op de poëtische kracht van het boek. Zijn vraag: blijft de traditionele, ontspannen islam, verweven met boeddhistische wijsheid en Javaans animisme, intact – of wordt Indonesië een islamstaat naar Arabisch model, met sharia en al? Als heilige geschriften niet meer dan wetboeken waren, redeneert hij, dan leefden we al eeuwen in barre droogte. ‘Maar als we geloven dat religie geen dwang kent, als we open staan voor een leven binnen de poëzie van Gods woorden, dan moeten we de mens zijn vrijheid toevertrouwen.’

De nestor die de islam ’s nachts onderzoekt op zijn poëzie en tolerantie voor het verschil, de diva die de vrijheid neemt om staande mythes als de Mahabharata en 1965 open te werken – wordt dat straks het verhaal van Indonesië op de Buchmesse?

Soeharto, het leger en de jonge knokploegen van de Nahdlatul Ulama, de grootse moslimorganisatie van het land, gingen in 1965 genadeloos tekeer tegen iedereen die verdacht werd van communistische sympathieën. Daarna werden twaalfduizend van de gevangenen die het overleefden verbannen naar het Molukse eiland Buru, waar ze jarenlang dwangarbeid verrichtten op de onontgonnen heuvels. Van hen was Pramoedya Ananta Toer de bekendste. Hij schreef er de klassiek geworden romancyclus Aarde der mensen. Eerst vertelde hij de verhalen ’s avonds aan zijn medegevangenen. Pas later, toen hij papier kreeg, schreef hij ze op. Zijn boeken waren onder Soeharto lange tijd verboden, de schrijver zelf leefde in huisarrest. Pas sinds de reformasi van 1998 kwamen langzaam maar zeker de verhalen over 1965 en Buru vrij.

Amba of de kleur van rood begint en eindigt op Buru, waar Amba op haar zestigste komt zoeken naar de sporen van haar geliefde Bhisma, de jonge arts die ze tijdens het oproer van 1965 kwijtraakte en nooit meer terugzag. Hij was opgepakt en naar het eiland verbannen, waar hij ook na de vrijlating van de gevangenen bleef wonen, ver van de bewoonde wereld, ervan overtuigd dat zijn mythische naam alleen maar voor nog meer rampspoed zou zorgen als hij ooit terugkeerde tussen de levenden. De mensen op het eiland zagen hem zelden. Hij stond bekend als een mysterieuze genezer, die alleen opdook in geval van nood. Uiteindelijk maakte hij nog het begin mee van de Molukse oorlog in 1999. Hij werd vermoord toen hij te hulp kwam bij een schietpartij.

Pamuntjaks Bhisma is kleurenblind. Niet alleen ziet hij geen verschil tussen groen en rood, de kleuren van islam en communisme, hij ziet alles in tinten van grijs. In een van de brieven die Amba op het eiland terugvindt in een holle boomstronk schrijft hij haar: ‘Hier in Buru zijn de dingen, als in een lange schemering, nooit zwart of wit. Dit is een plek van eeuwig grijs.’

Dat grijs is de crux in de roman. Laksmi Pamuntjak zelf leeft van kleur. Dat lees je af aan haar kleding en sieraden, aan haar wellustige beschrijvingen van de Indonesische keuken, aan hoe Amba opleeft als ze op het trieste eiland stuit op een markt met hoog opgestapeld fruit. Maar die kleurenliefde zet ze opzij om diep in het grijs te kijken. Haar personages blijven lang in mysterie gehuld; pas gaandeweg ontstaan er uit de eerste schetsen steeds completere tekeningen. Uit de schemering van Buru licht ze de namen en gezichten op van de mannen die er jarenlang onvindbaar leefden. Van onder de mythe van 1965 haalt ze de levensverhalen te voorschijn van echte mensen die vermalen werden in het woedende zwart-witdenken van die tijd.

Medium img 4770

Dat denken is niet weg. Amba wordt op Buru ondervraagd door politiemannen die haar nieuwsgierigheid naar de politieke gevangenen van destijds niet vertrouwen: ‘Typische bureaucratische apparatsjiks, mannen tussen begin dertig en begin vijftig die zijn opgegroeid met de anticommunistische propaganda van Soeharto: al die leugens in de geschiedenisboeken op school, de absurde verhalen over bloeddorstige communistische vrouwen die de geslachtsdelen van fatsoenlijke mannen afzaagden. Dit zijn mannen die ordehandhaver worden omdat ze te dom zijn voor iets anders, mannen die in hun leven nooit andere boeken hebben gelezen dan debiele schoolboeken en die de afkorting voor de Indonesische communistische partij – pki – nog steeds niet kunnen uitspreken zonder zich verplicht te voelen afschuw te tonen.’

Maar tegenover zwart-wit en dom kan ook iets anders komen te staan. Het grijs van Bhisma, die zich terugtrok in de schemering van Buru. De momenten van empathie die er ook waren tussen bewakers en gevangenen.

Amba is misschien vooral een boek dat weigert te geloven in het absolute, het onomkeerbare. In The Guardian schreef Laksmi Pamuntjak, die haar broer verloor aan een drugsverslaving, een pleidooi om de drugshandelaars op Bali gratie te verlenen: ‘De doodstraf is een uitdrukking van de absolute macht van de staat, en ik geloof dat er een grens moet bestaan aan het mandaat van een regering. De wet is een systeem van regels die door mensen zijn opgesteld, en de mens is niet alwetend.’

‘Al te veel helderheid kan gevaarlijk zijn’, merkte Goenawan Mohamad op in een interview. ‘Fundamentalisme is altijd voor helderheid. Het baseert zich op verschil, maar eindigt ermee het om zeep te helpen. De moord die een einde maakt aan de meervoudigheid.’ Daarom wijst hij elke definitieve identiteit af. Wat mensen gemeen hebben is juist het onzuivere, het bij toeval samengestelde. ‘Indonesië is nog altijd een onvoltooide samenleving. Maar is dat niet precies het ideaal? Een gemeenschap die permanent in de maak is.’

Straks in Frankfurt zullen de glazen tinkelen. Laksmi Pamuntjak zal haar kleurigste jurk aantrekken als de rode loper is uitgerold. Maar laat je niet in de luren leggen. Het verhaal van Indonesië is even schitterend als bloeddorstig, en het is nog lang niet af.


Beeld: (1) Gevangenen die ervan worden verdacht communist te zijn. Indonesië, 1965. Foto Betmann / Corbis / HH; (2) Laksmi Pamuntsjak.