Profiel Abdullah Öcalan

Wraak is voor de hopelozen

Turkije wil een eind maken aan de oorlog tussen het Turkse leger en de Koerdische PKK. Dertig jaar strijd heeft voor beide partijen niets opgeleverd. Maar er is nog één obstakel: Abdullah Öcalan, de man die opstond om zijn volk te wreken.

HET VERHAAL VAN Abdullah Öcalan lijkt op dat van wijlen mijn oom. Die vertelde eens de volgende anekdote: ‘De hele dag had ik op het weiland gewerkt. Met enorme trek kwam ik thuis. Moeder was heerlijk brood aan het bakken. Toen ik een van de warme broodjes wilde pakken sloeg moeder met haar deegroller op mijn hand. “Je zou je moeten schamen. Ze hebben net je verre neef geslagen. Hoe kun je brood door je keel krijgen als je de aanval op je neef niet hebt gewroken.” Ik was hongerig als een wolf en ging op zoek naar de jongens die mijn verre neef hadden geslagen. Want ik wist dat zolang ik het pak slaag niet had gewroken moeder mij geen eten zou geven.’
Een dergelijk verhaal wordt ook verteld over Abdullah Öcalan. Zijn moeder zou hem hebben aangezet om wraak te nemen op jongens die een zwakke in het dorp hadden mishandeld. Daarna kreeg hij pas eten.
Het geldt voor Öcalan, voor mijn oom uit het noordoosten van Turkije en voor alle anderen in het Midden-Oosten: wraak nemen is de hoeksteen van de samenleving. Een noodzaak. Een man die zich niet wreekt op zijn vijanden is een schlemiel. Hij verdient het niet om met respect behandeld te worden. En zonder dat respect kun je in het Midden-Oosten beter doodgaan.
Mijn oom had geen vijanden die hij zijn leven lang heeft moeten bestrijden. Toen hij dacht dat hij van zijn pensioen kon gaan genieten in Izmir begaven zijn nieren het. Na een paar jaar lijden werd hij door ons en zijn buren ter aarde besteld. Mijn oom was geen Koerd en zijn achternaam was niet ‘De Wreker’. Hij heeft ook nooit gedacht dat hij op aarde was gekomen om een missie te volbrengen.
Een andere anekdote door mijn oom verteld: ‘Een vriend van mij had met zijn busje een ongeluk veroorzaakt waarbij drie Koerden doodgingen. Van de rechter moest hij een aantal jaren zitten. Toen riep hij opeens naar de rechter: “Maar meneer de rechter, het gaat wel om dode Koerden.” Hij wilde op het laatste moment nog strafvermindering.’ Die grappige oom van me zei ook: ‘Ze hebben tegen een ezel gezegd dat hij een Koerd is, de ezel ging huilen.’

DE ACHTERNAAM van Abdullah Öcalan, leider van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK), nu al tien jaar opgesloten in een cel op het West-Turkse eiland Imrali, betekent wél ‘De Wreker’. Öcalan had veel te wreken op de Turken. Eind jaren zeventig stroopte hij de mouwen op. Hij studeerde politicologie in Ankara en woonde veelvuldig vergaderingen bij van socialistische en communistische illegale bewegingen. Na een korte tijd van beraad besloot hij zijn eigen beweging op te richten. Hij vond een paar Koerden en Turken bereid mee te doen aan zijn avontuur dat moest leiden tot een onafhankelijk Koerdistan. Hij zou met zijn Koerdische Arbeiderspartij het pad bewandelen van Mao Zedong. Het Koerdische platteland zou in eerste instantie afrekenen met het Turkse leger en vervolgens zou Öcalan een socialistisch land stichten.
Öcalan maakte eind jaren zeventig een lange reis door het Koerdische gebied in Turkije en probeerde steun te verkrijgen voor zijn nieuwe beweging. Ironisch genoeg waren het niet zijn eigen werkzaamheden die de PKK tot een groot leger van opstandelingen maakten, maar de activiteiten van de Turken zelf. In 1980 pleegden Turkse generaals een staatsgreep. Een van de doelen van deze coup was het vernietigen van alle aspecten van de Koerdische cultuur en identiteit.
Een mijlpaal in het Koerden-vraagstuk is dan ook de beruchte Diyarbakir-gevangenis. Vooraanstaande Koerden, of ze nu wel of niet politiek bewust waren, werden na de staatsgreep in deze gevangenis gegooid. Duizenden Koerden werden hier jarenlang blootgesteld aan de meest vreselijke martelingen. Ze moesten hun Koerdische identiteit opgeven. Ze werden op mensonterende wijze behandeld. Urenlang moesten ze in het riool staan. Water was schaars, dus moesten ze dagenlang met die stank rondlopen. Slapen was verboden. Ze moesten blaffen als een hond als de officieren dat wilden. Elke dag werden ze geslagen, totdat ze geen tanden meer over hadden. En nog veel meer van dit soort praktijken. Wie levend uit de gevangenis kwam had geen andere keuze dan zich te melden bij de PKK van Abdullah Öcalan. Ze brandden van wraak.
De wraak die ze zouden nemen zou niet alleen de periode van die laatste coup behelzen, maar de hele periode sinds de jaren twintig waarin Turkse machthebbers niets vuriger hadden gewenst dan de ‘achtergebleven’ Koerden te assimileren. In de negentig jaar dat de Turkse republiek bestaat was het hoogste doel: één natie, één land. Iedereen moest Turk zijn. Een andere taal dan het Turks mocht er niet gesproken worden. Koerden die zich tegen deze politiek verzetten werden achter slot en grendel geplaatst, gemarteld of gedood. De Turkse veiligheidsmensen maakten duizenden slachtoffers. Meer dan drieduizend dorpen zijn in de fik gezet om in de oorlog tegen de PKK de Koerdische militanten te isoleren van voedsel.
De Turk op straat raakte uiteindelijk ook in de ban van deze staatsideologie, zodanig dat hij geen Koerdisch in zijn nabijheid tolereerde. Koerden mochten er niet zijn. De Koerden die wél assimileerden en zich Turk noemden, werden misschien vanwege deze obsessie omarmd. Ze konden het zelfs tot premier schoppen, zolang ze zich maar geen Koerd noemden.
Gesteund door het Turkse beleid slaagde Abdullah Öcalan er dus in een leger te vormen dat sterk genoeg was om het Turkse leger het leven zuur te maken. Zelf zat hij in Syrië. Van daaruit gaf hij leiding aan de guerrilla’s, die niet alleen uit jonge plattelanders uit het Koerdische gebied in Turkije bestonden, maar ook uit Koerdische studenten uit Turkije en Europa. De rotsachtige bergen in Noord-Irak en het zuidoosten van Turkije boden de ideale natuuromstandigheden voor een guerrillaoorlog. Met z’n vier- of vijfduizenden konden ze het almachtige Turkse leger elke keer behoorlijk treffen.
De afgelopen twintig jaar hebben beide kanten elkaar hard geraakt. In 1999 sprak men over meer dan dertigduizend slachtoffers. Turkije had er schoon genoeg van. Syrië moest een eind maken aan het huisvesten van de ‘babymoordenaar’ Öcalan, anders zou er oorlog komen tussen Turkije en het Syrië van Hafiz Esad. De Syrische president had al genoeg aan zijn hoofd met Iran en Israël en had geen zin om een nieuw front te openen in het noorden van het land. De aanwezigheid van Öcalan in Syrië was voor de Syriërs gunstig tijdens de grensgeschillen met Turkije, maar nu was het toch echt tijd voor de Koerdenleider om te verkassen.
Abdullah Öcalan was inmiddels een man van middelbare leeftijd. Aan zijn dikke buik te zien deed hij niet mee met de trainingen van zijn militanten. De manier waarop hij zijn gevolg om zich heen verzamelde en spelend met zijn harige buik onderricht gaf over onder meer de relatie tussen man en vrouw en seksualiteit deed denken dat hij inderdaad het pad van Mao bewandelde, zij het niet om een socialistisch land te stichten, maar om met volle teugen te genieten van een comfortabel leven waarin hij door zijn omgeving als een god werd behandeld.
In de twintig jaar dat Öcalan zijn leger had gevormd hadden de Koerden van de PKK zich niet alleen met vechten beziggehouden, maar ook met drugshandel. In Europa persten ze hun landgenoten af en ze deinsden er niet voor terug om Koerden die ook een onafhankelijk Koerdistan wilden, maar zonder de weg van Öcalan te volgen, te elimineren.

TWINTIG JAREN waren er verstreken. Öcalan was niet meer de jeugdige idealist. Een onafhankelijk Koerdistan gloorde niet eens in de verte. Dertigduizend mensen hadden hun leven verloren. En Öcalan moest zijn spullen pakken en vertrekken uit het comfortabele Syrië.
Eerst dacht iedereen dat de ‘guerrillaleider’ zich gewoon bij zijn mannen in de bergen van Noord-Irak zou voegen. Maar aangezien de leefomstandigheden in deze bergen niet dezelfde waren als in Damascus pakte Öcalan het vliegtuig en streek neer in Griekenland. De Grieken waren bang voor de woede van de Turken, dus moest hij ook daar weg. Nadat hij een tijd in Italië had doorgebracht, zocht hij zijn heil in Kenia en hoopte daar onderdak te vinden voor de rest van zijn leven. Wie tijdens deze legendarische vlucht bleef hopen dat de man – voor wie zoveel Koerden het leven hadden gegeven – uiteindelijk het vliegtuig zou pakken, in Ankara zou landen, parmantig naar de veiligheidsmensen zou lopen en heldhaftig de volgende woorden zou uitspreken: ‘Jullie zoeken mij, hier ben ik, in plaats van te vluchten verkies ik het om hier dood te gaan’, kwam bedrogen uit.
Uiteindelijk werd de held van de Koerden in Kenia door Amerikanen opgepakt en aan de Turken uitgeleverd. De eerste woorden van de volksheld in het vliegtuig waren: ‘Ik ben bereid om Turkije van dienst te zijn. Mijn moeder was ook een Turk.’ Enkele maanden later werd Öcalan in Turkije berecht. In de rechtbank bleef hij Europa zwart maken, hij prees het Turkse leger de hemel in en zei alles wat hij diende te zeggen om de doodstraf te ontlopen.
Ondanks deze gênante medewerking van de wreker van weleer bleven de Koerden van hem houden. Sommigen staken zichzelf in brand om tegen de arrestatie van hun idool te protesteren. En de Koerden houden nog steeds van ‘Apo’. Zoveel dat Öcalan, ook al zit hij al tien jaar in zijn Turkse cel, nog steeds de scepter zwaait over de PKK en het Koerdische gebied in Turkije.
Elke woensdag krijgt hij bezoek van zijn advocaten. Via hen laat hij weten wat de Koerden moeten denken en hoe ze moeten handelen in politieke kwesties. Een tijdlang las hij boeken over ecologische ontwikkelingen in de wereld en hij ontwikkelde de theorie ‘ecologische democratie’. In die tijd was bijna elke Koerdische ziel in Turks Koerdistan een voorstander van ecologische democratie. Als Öcalan voor een federatief Turkije is, dan zijn de Koerden dat ook. Is hij voor de handhaving van de uniestaat, dan geloven de Koerden daar ook in. Koerden zijn trouw aan hun leider. Hoe schaamtevol zijn laatste jaren ook waren, Koerden weigeren dat in te zien. Hij is de man die geen fouten kan maken, want hij heeft een volk gewroken dat tot in het merg is gediscrimineerd, onderdrukt en beledigd. Iemand moest opstaan, het wapen in de hand nemen en in woede terugschieten.

ANNO 2009 willen de Turken een eind maken aan het bloedvergieten. Ze willen dat de PKK de wapens inlevert, in ruil daarvoor lijken ze onderwijs in het Koerdisch te willen accepteren, afdelingen Koerdisch op de universiteiten te willen openen, Koerdische namen van dorpen en steden terug te willen geven, de verdreven boeren tegemoet te willen komen met schadevergoedingen, enzovoort. Maar over de omstandigheden van Öcalan wordt niet gepraat. En hier precies wringt de schoen. Koerden willen graag hun culturele rechten, maar nog liever willen ze dat hun leider op z’n minst uit zijn isolement wordt gehaald en naar een gewone gevangenis wordt gebracht, het liefst in het Koerdische gebied. Op iets langere termijn moet de PKK-leider een soort huisarrest krijgen en zijn dagen net als Nelson Mandela destijds in een villa doorbrengen.
Er moest ooit wraak genomen worden, dat is goed te begrijpen. Niet alleen de verschrikkingen van het Turkse leger moesten worden gewroken, maar ook de Turkse meerderheid die net zo dacht als mijn oom. Koerden moesten zich laten gelden. Maar wraak is en blijft de bezigheid van hopelozen. Behalve een korte verbetering van de gemoedstoestand brengt het niets goeds. De Koerden zijn uiteindelijk gevangenen geworden van deze wraak en van de man die de wraak namens hen heeft genomen.
In de dertig jaar dat de guerrilla’s van de PKK vechten in de bergen heeft Turkije, vooral het laatste decennium, een sprong gemaakt in de richting van Europa. Het EU-proces heeft ervoor gezorgd dat er niet alleen buitenlandse investeringen kwamen, maar ook meer democratie, meer vrijheid van meningsuiting, meer verscheidenheid en meer mensenrechten. De Koerden weten niet te profiteren van deze ontwikkelingen. Waar het woord van één man wet is, is het een illusie om te denken dat de Koerden een maatschappij kunnen creëren die in de buurt komt van westerse maatstaven. Zelfs het bestaan van een Koerdische partij die geen directieven van Öcalan aanneemt, wordt als groot verraad beschouwd. De duizenden militanten zullen dan ook zeker niet hun wapens inleveren om te bouwen aan een gewoon leven in Turkije. Tenzij Abdullah Öcalan hun hiertoe het bevel geeft.
Hoe uit deze impasse te geraken? Een Turkse columniste schreef eens: ‘Öcalan mag geen televisie kijken in zijn cel. Het is niet verwonderlijk dat hij op z’n minst tv wil kijken. Als een televisietoestel ervoor zorgt dat een enkel mens minder zal sterven, dan wil ik wel persoonlijk betalen voor een televisie voor Öcalan. En wel eentje met HD-technologie.’
Öcalan heeft tien jaar in volledig isolement gezeten. De Turken moeten over hun hart strijken en betere omstandigheden creëren voor de Koerden-leider. Het kan best zijn dat zij de man enorm haten, maar voor het grootste deel van de Koerden is hij een halfgod. En die Koerden leven ook in Turkije. De impasse kan om te beginnen worden doorbroken met een televisietoestel, de bezorging van alle kranten en een paar gevangenismaatjes. Een paar jaar later mag Apo misschien vrouwelijk bezoek ontvangen, want we weten van de filmpjes uit zijn tijd in Syrië dat hij erg op vrouwen gesteld is. Hij heeft niet de tweede Mao kunnen worden, maar hij kan tenminste wel zijn laatste jaren doorbrengen met het vertellen van anekdotes. Zoals mijn oom dat vroeger ook deed.