Wraakengelen in new york

Mishandeling, illegale aanhouding, weigering van contact met een advocaat - in de ‘cop show’ zijn de mensenrechten ver te zoeken. Vooral in ‘NYPD Blue’, een Amerikaanse politieserie die de werkelijkheid verontrustend nauwkeurig weerspiegelt.

DE REALITEIT, 4 februari 1999. De elite-eenheid van New York’s finest is in de Bronx op zoek naar een verkrachter met het signalement: zwarte jongen, vermoedelijk gewapend. De in burgerkleding patrouillerende rechercheurs zien hoe de 21-jarige Amadou Diallo zijn flat binnengaat. Terwijl zij naar hem toe lopen, lijkt hij naar zijn achterzak te grijpen. Ze trekken hun pistolen en beginnen te schieten; 41 kogels worden afgevuurd, negentien treffen doel. Het slachtoffer overlijdt ter plekke. Amadou Diallo is geen verkrachter en hij heeft evenmin een wapen bij zich - hij blijkt een onschuldige straatventer te zijn. Diallo, een Afrikaanse immigrant, is samen met een andere immigrant, Abner Louima, het symbool geworden van racistisch politiegeweld in Amerika. Twee jaar geleden werd Louima na een ruzie in een discotheek gearresteerd en naar een politiebureau in New York gebracht. Tijdens een ondervraging in een toilet stopte een rechercheur het uiteinde van een gootsteenontstopper in Louima’s rectum en daarna in zijn mond. New York staat op zijn kop. De afgelopen maanden demonstreerden duizenden mensen voor One Police Plaza, het hoofdkantoor van de New York Police Department (NYPD), tegen wat ze noemen een epidemie van racisme, geweld en machtsmisbruik bij de politie. De politieke carrière van burgemeester Rudi Guiliani, wereldberoemd dankzij zijn succesvolle anti-misdaadbeleid van zero tolerance, lijkt voorbij. De ironie is dat hij er binnen enkele jaren in is geslaagd New York te veranderen van een broeinest van criminaliteit in de veiligste grote stad van Amerika. In het licht van de zaken-Louima en - Diallo moeten New Yorkers een vrij problematische relatie met de werkelijkheid hebben ontwikkeld. De twee incidenten, die de gemoederen in Amerika nog lang bezig zullen blijven houden, hadden net zo goed verhalen kunnen zijn uit de tv-serie NYPD Blue. Week na week zijn kijkers getuige van dergelijk racistisch gedrag, van lichamelijke en geestelijke mishandeling van verdachten en het niet toestaan dat een verdachte contact heeft met zijn advocaat. En wat het verschil is tussen de werkelijkheid en de serie, tussen jezelf en de spiegel waarin je kijkt, moet langzamerhand onduidelijk zijn. DE FICTIE. In de eerste reeks afleveringen van NYPD Blue, lang voor de zaak-Louima en de zaak-Diallo, blijkt al dat rechercheur Andy Sipowicz door en door racistisch is. Hij weigert zijn leidinggevende, een zwarte man, lieutenant Arthur Fancy, te respecteren en hij noemt de Griekse familie van zijn vriendin ‘happy go lucky sheepherders’. In latere afleveringen (bijvoorbeeld de reeks die nu in Nederland te zien is) gedraagt Sipowicz zich beter tegenover andere, niet-blanke bevolkingsgroepen. Maar het is nog steeds glashelder dat dat voor hem een strijd is - wat de voortdurende raciale spanning in de serie typeert. In een NYPD Blue-aflevering stoppen rechercheurs Gregory Medavoy en James Martinez voor een verkeerslicht. Een andere auto stopt naast ze. Wanneer Medavoy naar de chauffeur, een zwarte man, kijkt, wordt die om een of andere reden woedend. Hij richt een pistool op de twee rechercheurs. Op zijn beurt trekt James Martinez zijn wapen en hij schiet de man dood. Dan zien Medavoy en Martinez de omstanders: allemaal zwarten. Een van hen roept: 'Did you see that? The cops shot that man for nothing!’ Er breken rellen uit. De rechercheurs moeten vluchten. Ze rennen voor hun leven. DE SERIE NYPD Blue is een meesterwerk, het hoogtepunt van het Amerikaanse televisiedrama. Dat heeft zich zodanig ontwikkeld dat een aantal hedendaagse series wat vorm en inhoud betreft hetzelfde kwaliteitsniveau heeft bereikt als film. Maar het medium televisie maakt het maatschappelijke effect van deze series sterker dan bij film. NYPD Blue houdt de kijkers - en de maatschappij - een spiegel voor, de spiegel van de realiteit. En wie weerstaat de verleiding in de spiegel te kijken, elke avond weer, ook al dreigt hij verblind te worden door een blik in de hel? Tussen verwoeste gebouwen en krioelende Chinese draken bewegen de hoofdpersonages binnen de staccato-blik van de camera. Een zwarte politie-inspecteur en zijn team rechercheurs: een zwaarlijvige racist, een Latino met een passie voor duiven, een bloedmooie vrouw met een geschiedenis van seksueel misbruik. Hun wereld: een landschap van fel verlichte wolkenkrabbers in de schemering; het geluid van woedende slagen van straattrommelaars; rookwolken die in een tunnel hangen. Deze wirwar van stadsbeelden leidt de kijker de diepte binnen, een metrotunnel in. Uit het donker doemt, begeleid door onheilspellende muziek, het insigne van de New Yorkse politie op: de oplossing voor de chaos. De (precies één minuut durende) titelbeelden van NYPD Blue zijn ingenieus gemonteerd, met beeld en geluid in een harmonieus ritme waardoor het geheel een poëtische kwaliteit krijgt. Het thema van de serie doet aan William Butler Yeats denken: 'Things fall apart, the centre cannot hold/ And everywhere the ceremony of innocence is drowned.’ NYPD Blue is in Nederland bij de NCRV en Fox (herhalingen) te zien. Eerstgenoemde omroep voelde zich geroepen de serie de flauwe, betekenisloze titel New York Police te geven, waardoor het belang van de originele titel ernstig wordt miskend. NYPD Blue verwijst naar twee belangrijke culturele iconen. Ten eerste naar het New York Police Department (symbolische kleur: blauw) dat als NYPD zowel in het echt als in talloze televisieseries en films een begrip is geworden. Ten tweede naar een andere politieserie van dezelfde producent, Hill Street Blues, dat begin jaren tachtig de renaissance van het genre televisiedrama inluidde. Beide titels refereren aan het blues-gevoel van de serie. Maar in NYPD Blue gaat dat veel verder dan melancholieke mijmeringen over overleven in de betonnen jungle. Het gaat om misdaad als symptoom, als gevolg van een disfunctionele maatschappij en als uiting van de donkerste kant van de mens. Zondaars zitten, zonder een kans op vergiffenis, gevangen in de claustrofobische werkelijkheid van een letterlijk en figuurlijk vervallen metropool. DE LAATSTE JAREN lijkt het publiek niet genoeg te kunnen krijgen van dit soort politieseries. Hoe dat komt, vraagt ook John Leonard, Amerikaans tv-criticus, zich af. In zijn boek Smoke and Mirrors: Violence, Television and Other American Cultures stelt hij dat de archetypische private eye - de creaties van Raymond Chandler en Dashiell Hammett - de blauwdruk is geweest voor de huidige generatie televisierechercheurs. Met als gevolg dat de dienders op televisie dezelfde minachting voor de regels van de rechtsstaat aan de dag leggen als hun voorbeelden uit het Amerikaanse hardboiled literaire misdaadgenre. Leonard oppert nog een mogelijke reden voor de populariteit van politieseries: Amerika zou een bange natie zijn geworden die zozeer naar law and order verlangt dat ze 'verliefd is op uniformen en handboeien’. Hij verwerpt deze mogelijkheid meteen weer, maar één blik in de spiegel laat zien dat zijn hypothese niet ver bezijden de waarheid is. Meer nog dan Yeats, en zijn gedicht 'The Second Coming’, lijkt de geest van John Milton rond te waren in NYPD Blue, in die wereld waar de collectieve zondeval compleet is en, anders dan in Miltons Paradise Lost, de wraak van de engelen - gekleed in het blauw van de NYPD - volledig. John Milton schreef: 'Justice in her very essence is all strength and activity; and hath a sword in her hand, to use against all violence and oppression on the earth.’ Dit is terug te vinden in Paradise Lost, waarin Miltons God de engelen Michael en Gabriel gebruikt om de afvalligen, Satan en zijn volgelingen, zonder mededogen te vervolgen en te straffen. Dat Adam en Eva dezelfde onvoorwaardelijke bestraffing wacht, blijkt uit het gesprek tussen God en de Zoon. Laatstgenoemde voorkomt echter dat de mensheid wordt verdoemd. Het is niet moeilijk om wraakengelen te zien in zowel de rechercheurs van burgemeester Guiliani als in die van NYPD Blue. Engelen en rechercheurs zijn allebei instrumenten van een hogere autoriteit. Zoals het idee van 'divine justice’ in Miltons verzen een vernietigende finaliteit heeft, zo is er in het New York van Guiliani en van NYPD Blue geen ruimte voor onderhandeling. Wekelijks zien we een gevallen stad, paradijs en hel tegelijk, waar de krachten van Goed en Kwaad elkaar in epische gevechten bestrijden. Niet alle wraakengelen assimileren even goed in het dogma van zero tolerance en divine justice. In de eerste reeks NYPD Blue-afleveringen vermoordt rechercheur Janice Licalsi een maffiabaas en zijn handlanger in koelen bloede. Haar minnaar, rechercheur John Kelley, neemt haar in bescherming en probeert haar ervan te overtuigen dat haar misdaad gerechtvaardigd was: zij heeft de maatschappij verlost van twee slechte mensen. Maar Licalsi’s geweten knaagt. Zij raadpleegt een priester, die haar adviseert haar zonde tegenover haar bazen op te biechten. Wanneer zij dat doet, is John Kelley furieus op de priester. Maar tijdens een confrontatie met de priester vraagt deze aan Kelley: 'How is your conscience, John?’ De priester krijgt geen antwoord van John Kelley. IN EEN RECENTE dubbelaflevering worden rechercheurs Bobby Simone (Jimmy Smits) en Andy Sipowicz (Dennis Franz) naar een plaats van delict ontboden. Tussen vervallen gebouwen ergens in het hart van de stad zien we de sportschoenen van een kind onder een doodskleed uitsteken. De visuele stijl van de scène en vooral de muziek suggereren dat het hier om een onvergeeflijke misdaad gaat. De nerveuze camera maakt het allemaal inderdaad messy en onzeker, waardoor het geheel fragmentarisch wordt, bijna alsof dat wat er te zien is, te verschrikkelijk is om bedaard in beeld te brengen. Alleen harde, onnatuurlijk klinkende techno-klanken zijn hoorbaar. De rechercheurs bewegen geluidloos, als geesten in een nachtmerrie. We zien hoe Simone het stoffelijk overschot fotografeert met iets wat lijkt op een goedkope vakantiecamera - een ultieme bevestiging van verloren onschuld. Want een levenloos kind fotograferen is een perverse contradictio in terminis. Voor de kijker ligt de complexiteit van de relatie tussen de wraakengelen en hun omgeving hierin dat zowel de rechercheurs als de criminelen iedere zweem van onschuld kwijt zijn, waardoor de grens tussen hen vervaagt. Zoals in Yeats’ gedicht: 'The best lack all conviction, while the worst/ Are full of passionate intensity.’ Tijdens de ontmoeting tussen de ouders van de achtjarige Brian en rechercheurs Simone en Sipowicz verdenken ze instinctief de vader. Hij toont nauwelijks emotie wanneer hem de foto van het lijk van zijn zoontje wordt getoond. Zijn vrouw stort in: 'Nothing is going to heal this, it’s too terrible.’ De scène waarin de vader opbiecht dat hij de moordenaar van zijn zoon is, heeft een miltoniaans karakter. De personages bespreken, mijmerend, de mogelijkheid van vergiffenis en de gevallene, de vader, probeert zijn zonde te rechtvaardigen. Hij verkrachtte en vermoordde zijn zoontje teneinde te voorkomen dat diens leven een 'grotesk insanity’ wordt: 'I wanted to protect him from evil.’ Hiertoe heeft hij God aan zijn kant, meent hij. 'I don’t presume that I can communicate with God. But can you believe in a God who did not want his child protected?’ Hij pleit ervoor dat Simone hem doodt. Simone weigert - zij bevinden zich in het politiebureau - maar uit zijn houding van gecontroleerde woede blijkt zonneklaar dat hij dat het liefst wél zou willen doen. Voor de moordenaar geen vergiffenis of loutering. En voor de kijker is er ook geen uitweg, er wordt geen geruststellende oplossing geboden, er is geen closure, zoals in vele andere dramaseries. In de laatste scène trekt de camera terug en naar boven, zodat de kijker omlaag kijkt, naar waar de rechercheurs vertwijfeld staan - even verloren als de stad en haar moordenaars. DAT DE MAKERS van de vadermoord-dubbelaflevering de kijker geen voorgeschiedenis van het kind geven - geen scènes waarin hij speelt, waarin hij lachend door zijn ouders wordt gefotografeerd, zelfs geen beeld van hoe hij eruitziet - verhoogt de betekenis van het slachtoffertje. Het is alsof zijn moord de ergste denkbare misdaad is, de finale misstap die kan worden begaan in een toch al verdoemde maatschappij. Hoe verleidelijk is het dan niet om je als rechercheur te laten gaan? Kinderen zijn vaak slachtoffers in NYPD Blue en de connectie tussen het effect van al die verloren onschuld en een reactionaire benadering van politiewerk is gauw gemaakt. Sipowicz, ontboden naar een plaats waar een kinderlijkje ligt: 'I see too much of this now.’ In Amerika zijn allerlei christelijke organisaties woedend op NYPD Blue vanwege de 'perversiteit’ van sommige seksscènes. Onder druk van de adverteerders moest een aantal zenders de serie zelfs uit hun programmering schrappen. Een blote bil hier, een flits van een tepel daar - uit den boze! Maar niemand rept over beelden van kinderschoenen die onder doodskleden uitsteken. Over de perversiteit daarvan. Wat blijft over? Ironisch genoeg zou je kunnen concluderen dat er hoop is. Immers, wij hebben de personages gedurende vele jaren leren kennen; zij zijn de protagonisten met wie wij ons identificeren en wij zijn met het verloop van hun privéleven begaan. Bijvoorbeeld de relatie tussen de aantrekkelijke rechercheur Dianne Russell en Bobby Simone, die als hobby witte duiven verzorgt op het dak van zijn appartement. Allebei kampen ze met een donker verleden: Simone omdat hij als undercover-agent in de georganiseerde misdaad verzeild raakt, Russell omdat zij als kind door haar vader seksueel misbruikt is. Maar zelfs wanneer er nieuw optimisme is (Russell baart het kind van Bobby Simone) wordt dat de grond in geboord. Simone sterft verderop in de serie.