Het publieke debat: De stroman van rechts

Wrekers van de scherts

Volgens een kleine groep rechtse ‘verkondigers van de waarheid’ blijft de linkse elitemens ontkennen dat islamitisch terrorisme ‘iets’ met de islam te maken heeft. Wat schieten we met die dooddoener op?

Medium boem 20kleur

‘De politieke leiders van de wereld spraken deze week stoer en ongeremd over “de verdediging van westerse waarden”. Je moet wel tot over je wenkbrauwen in je cultural studies zitten wil je daar nu nog iets op terug durven zeggen. Aan de sfeer dat er niets op het spel zou staan zolang het maar goed gaat met het postmodernisme en het neoliberalisme, is gewelddadig een correctie toegebracht.’

Klare taal over de aanslagen – alleen gaat het niet over de aanslagen in Parijs, maar over die op het World Trade Center, ruim veertien jaar geleden in New York, en zijn ze van Michaël Zeeman, die drie dagen post factum de sfeer op het westelijk halfrond peilde. Na de aanslagen volgde inderdaad een afrekening met het slechtste dat uit de keuken van het postmodernisme was voortgekomen, en voor een ogenblik was die kritiek verfrissend en nieuw – Zeeman zelf hoopte op een herwaardering van de Verlichting.

Sindsdien is er echter iets merkwaardigs gaande: er is veel gebeurd, en tegelijkertijd is er niets veranderd. Het postmodernisme leeft nog steeds, zeggen sommigen. Natuurlijk, er is postmodernisme, en het leidt een schijndood bestaan aan een enkele universitaire vakgroep hier en daar. Maar dat is niet wat bedoeld wordt. Waar kritiek op het postmodernisme als iets dringends ervaren wordt, lijkt het vooral het product van de verbeelding. Alsof Foucault en zijn bende de andere Europeanen op iedere straathoek belemmeren om hun waarden te verdedigen; niet Foucault zelf natuurlijk, maar zijn meest hardnekkige reïncarnatie: de linkse elitemens. Volgens sommigen is die postmoderne, cultuur-relativistische elitemens nog overal. Ze vechten echter tegen stromannen.

De linkse elitemens is niet één persoon. Het is een figuur met zijn eigen typologie, waarvan de contouren min of meer duidelijk zijn: hij is een wegkijker, een apologeet van de radicale islam. Hij verafschuwt de discriminatie van minderheden in zijn eigen cultuur, maar spreekt zich niet uit tegen de discriminatie van diezelfde minderheden in andere culturen. Hij vreest zelf onderdrukker te zijn, en waakt er daarom voor anderen tegen het hoofd te stoten, hoe vreselijk men elders hun minderheden ook bejegent. Van deze mens zijn er heel veel, en hij slaagt erin om de publieke opinie te verzieken met zijn postmoderne dogmatiek. Ze zijn ook allemaal lid van de Partij van de Arbeid. Maar bovenal zijn het deze mensen die volgens de brigades van het islamkritische geluid blijven ontkennen dat islamitisch terrorisme ‘iets’ met de islam te maken heeft.

Dat ene verwijt moet de afstand illustreren tussen het oppermachtige amalgaam van wegkijkers en ontkenners, en de kleine groep dappere verkondigers van de waarheid – de verzuchting is een lakmoesproef, die het lidmaatschap van een kleine groep bekrachtigt; een kleine groep martelaars van de waarheid in een wereld die het allemaal niet horen wil.

In een land waarin nog geen 24 uur na de aanslagen verschillende moslimorganisaties via persberichten afstand hebben genomen van de aanval kun je moeilijk volhouden dat er een sluier van opzettelijke zelfcensuur over de publieke opinie ligt. Wederzijds is er de erkenning dat terroristen die voor hun daad luidkeels ‘Allahu Akbar’ roepen wel ‘iets’ met de islam te maken hebben – vandaar het ritueel van moslims die afstand nemen, en niet-moslims die vervolgens benadrukken dat ze dat goed vinden.

Er zit iets boosaardigs in dat verwijt, misschien is het de manier waarop woorden moedwillig verdraaid worden. Hier en daar valt de boodschap te horen dat het terrorisme ‘niets’ met de islam van doen heeft (en niet van de minsten: Barack Obama zei het), maar dat lijkt niet zozeer een ontkenning van het motief van de daders als wel het soort bezweringsformule dat ook altijd klinkt als een stel hooligans ergens een binnenstad in puin heeft gelegd: ‘Dat heeft niets met voetbal te maken.’

Natuurlijk heeft het iets met voetbal te maken, en natuurlijk heeft het iets met de islam te maken. Het punt is alleen dat de vaststelling dat het ‘iets’ met de islam te maken heeft meer vragen oproept dan beantwoordt. Want als het ‘iets’ met de islam te maken heeft, hoe komt het dan dat van de anderhalf miljard moslims wereldwijd een gering deel zo gewelddadig is? Waarom zijn moslims de grootste slachtoffers van islamitische terreur? De waarheid die zogenaamd niet gezegd mag worden lijkt bij nader inzien een open deur die niets verheldert. De belangrijke vragen eindigen niet, maar begínnen pas op het moment dat je zegt dat het ‘iets’ met de islam te maken heeft.

Het moet bevredigend zijn als enige te zien wat iedereen niet ziet – of toch ten minste om daar zelf in te geloven

Het idee dat er een groep mensen is die halsstarrig weigert te erkennen dat de terreur uit Parijs ‘iets’ met de islam te maken heeft is sinds jaar en dag onderdeel van het standaardrepertoire van rechts. Het is het geluid van weblogs die het bij gebrek aan kwaliteit moeten hebben van fanatisme (Jalta), of bij gebrek aan scherpzinnigheid terugvallen op verbetenheid (Geenstijl). Het laat een slakkenspoor van gemakzucht en paranoia achter. Die paranoia wordt echter geloofwaardigheid gegund als columnisten uit landelijke dagbladen de nonsens herhalen. In De Telegraaf zei Rob Hoogland hun na: ‘Zullen de vertegenwoordigers van de politieke elite nu eindelijk toegeven dat het probleem dat Europa met de islam heeft – en de islam met Europa – veel en veel groter is dan zij tot nu toe, wellicht tegen beter weten in, hebben willen aannemen?’

Even verderop betoogde Nausicaa Marbe, die al vijf jaar hetzelfde zegt, dat het allemaal de schuld is van de wegkijkers en goedpraters. Na de aanslag op Charlie Hebdo ging het vlug bergafwaarts: ‘Die rouw is afgeraffeld in een sfeer van tirades tegen ironie, de toon, de vrijheid van het debat. In een sfeer van stupide aanvallen op het gezonde verstand. En nog erger: door strategisch zwijgen over wat kolkt en broeit. (…) Politici (…) mogen burgers niet sarren met wetten tegen het fantoom dat islamofobie heet, met laksheid tegen salafisme en jihadisme, met verwaarlozing van controle op subsidies aan religieuze extremisten, met wegkijken, goedpraten en stiekem toegeven aan de eisen van shariabrigades. [Zij moeten de grootste vijanden van vrijheid] durven benoemen: op dit moment de radicale islam. Dit besef verwaarlozen is verraad.’

Verraad, wegkijken, goedpraten, stiekem toegeven! Het moet bevredigend zijn als enige te zien wat iedereen niet ziet – of toch ten minste om daar zelf in te geloven. Tirades tegen ironie? De enige ironie waarop Marbe cum suis betrapt kunnen worden is een onbewuste: dat uitgerekend zij, driftige figuranten in de clash of civilizations, zich nu als wrekers van de scherts opwerpen. Tegen de toon of de vrijheid van het debat? Door strategisch zwijgen over wat kolkt en broeit? Waar dan en door wie? Welke politicus zwijgt er? Wie maakt zich daaraan schuldig?

Meteen na de aanslagen in Parijs werd de oorlog afgekondigd (heel on-ironisch), en overal heerst consensus over de ernst van de situatie. Dat is de werkelijkheid die in schril contrast staat met de geposeerde wanhoop over een ‘politiek correcte elite’ die het allemaal niet wil zien. Waarom anders die oorlog? Blijkbaar is het gevoel van urgentie er wel. Ook de Tweede Kamer bleek vrij eensgezind: men vond dat voor jihadisme, salafisme, extremisme en alle islamitische ismen die jonge mannen aanzetten tot het beulswerk van de profeet in een open, democratische samenleving geen plaats is.

Wat is dan dat verlangen om voortdurend van alle kanten te willen horen dat het ‘iets’ met de islam te maken heeft? Waarom moet die open deur steeds weer worden ingetrapt? Of is het dan echt niets meer dan als scherpte poserende domheid? Ian Buruma schreef in NRC Handelsblad: ‘[Abdelhamid Abaaoud] genoot een opleiding op een nette school in Brussel, en toen pas ontspoorde hij – eerst naar het criminele circuit en vandaar naar de politieke jihad. Het is nog niet duidelijk hoe hij is bekeerd. Maar hij was zeer zeker een aanhanger van een extreme – en in feite moderne – vorm van religieus fanatisme. Dit heeft natuurlijk “iets te maken met de islam”. Maar ik denk niet dat we mensen als [Abaaoud] beter leren begrijpen door de koran of de hadith zorgvuldiger te bestuderen.’

Zou het zijn, misschien, dat de geesten die zo scherpzinnig wijzen op het feit dat terroristen die de profeet komen wreken ‘iets’ met de islam te maken hebben, eigenlijk wensen dat de wereld eenvoudiger is dan die is? Dat zodra we hebben benoemd dat het ‘iets’ met de islam te maken heeft er begonnen kan worden met het werk om dat ‘iets’ de kop in te drukken? Achter dat wereldbeeld schuilt een diep verlangen naar maakbaarheid en beheersbaarheid. Hoe de dreiging van jihadisten precies opgelost gaat worden zodra men collectief tegenover elkaar heeft verklaard dat het ‘iets’ met de islam te maken heeft blijft onduidelijk.

Buruma merkte op dat Europa al geruime tijd probeert agressieve islamistische websites aan banden te leggen, en dat dit niet goed lukt: ‘Tenzij we bereid zijn op Chinese wijze censuur toe te passen.’ Het is de naïviteit die verscholen zit achter de schijnbaar wereldwijze onwrikbaarheid van Marbe: als de elite maar zou zeggen dat het ‘iets’ met de islam te maken had, dan konden de problemen eindelijk opgelost worden.

Buruma zal het wel moeten ontgelden. De ridders van het vrije woord vormen in feite een soort sekte die zich heeft toegelegd op het beschimpen van iedereen die hun orthodoxie in twijfel durft te trekken, of zelfs de suggestie wekt dat na de vaststelling dat islamitische terreur ‘iets’ met de islam te maken heeft de echte vragen pas beginnen. Het ‘debat’ over ‘de islam’ dat nu anderhalf decennium tot vervelens toe wordt gevoerd wordt niet geteisterd door een groep hardnekkige ‘wegkijkers’ maar door een stroman die het zicht op de werkelijkheid belemmert.

De verbluffende prestatie in ‘het debat’ is de wijze waarop een kleine groep inmiddels vijftien jaar lang die stroman opvoert, hem met veel pathos onder vuur neemt, en zichzelf vervolgens beschouwt als slachtoffer van een cultuur waarin het allemaal niet gezegd mag worden.

Als er ooit een correctie nodig was op de verstikking van de cultural studies, zoals Zeeman waarnam, dan lijkt het alsof die houding de afgelopen vijftien jaar is gecultiveerd tot identiteit. De werkelijkheid moet wijken voor de verbeelding van de eenzame stem tegen de tijdgeest, zelfs als die tijdgeest een fantoom is. Uiteindelijk, ten slotte, valt niet aan de indruk te ontkomen dat de drukinkt uitsluitend verspild wordt voor de bevrediging van dat ene persoonlijke gerief. Het zienercomplex en het martelaarschap moeten gevoed worden, en zonder tegenstander, ingebeeld of niet, stort de illusie in elkaar. Dan verdwijnt het comfort. Vandaar het nooit aflatende zoeken naar een gelijk dat niet te halen valt.