Wroeten in de grond van de taal

Seamus Heaney, Het eerste koninkrijk: Een keuze uit de gedichten. Samenstelling, vertaling en nawoord Peter Nijmeijer. Uitgeverij Meulenhoff, 119 blz., f39,90.Seamus Heaney, De genoegdoening van poezie: Essays. Vertaling Jan Eijkelboom. Uitgeverij Meulenhoff, 233 blz., f45,-
Als professor of poetry in Oxford heeft Seamus Heaney een aantal indrukwekkende lezingen gegeven, die nu gebundeld zijn: De genoegdoening van poezie.

Altijd komt Heaney terug op de positie van poezie in de context van maatschappelijk geweld. Wat kan de dichtkunst doen? Esthetisch genot geven en troost bieden? In het essay ‘Grenzen van het schrijven’ vraagt Heaney zich af hoe de dichter het praktische en het poetische met elkaar kan verzoenen.
'Het zit in de taal.’ Dit bijna terloopse zinnetje is de kern van Heaney’s poezie. In Het eerste koninkrijk spreekt Heaney over de taal in de lezing over de negetiende-eeuwse boerendichter John Clare. Hij begint over zichzelf, over de beginregel van het vroege gedicht 'Volger’: 'Mijn vader werkte met een paardeploeg’, volgens vertaler Jan Eijkelboom. Peter Nijmeijer maakt van 'My father worked with a horse- plough’, 'Mijn vader achter 'n ploeg met paarden’. Om het werkwoord worked gaat het. In zijn eerste versie had Heaney geen worked gekozen, maar 'wrought’ (wrochtte), dat uit de spreektaal van midden-Ulster stamt. Heaney koos voor het meer algemene woordgebruik, omdat hij zich er van bewust was dat hij tussen twee talen en twee culturen stond: het dialect en het Algemeen Beschaafd: 'En als je eenmaal tweemaal nadenkt over een plaatselijk woordgebruik, ben je ervan vervreemd en het recht dat je er op hebt wordt aangevochten door de officiele taalkundige censor met wie een ander deel van je heult.’
Toch wil de boerenzoon Heaney de wereld van het aardse boerenbestaan en de verheven domeinen van de verbeelding niet uit elkaar drijven. Daarom blijven zijn gedichten, van de eerste bundel Death of a Naturalist (1966) tot The Spirit Level (1996), een aards karakter dragen. Je ruikt de grond en de omgeploegde akker erdoorheen. En uit die grond haalt Heaney zijn taalvondsten naar boven en laat hij de vaderfiguur door zijn versregels wandelen. Hij graaft zoals zijn vader in de grond gewroet heeft. Zijn vader met de ploeg, hij met de pen. En er is veel te vinden: 'Iedere laag die wordt blootgelegd/ Schijnt eertijds al bewoond geweest.’
Heaney heeft nooit partij gekozen in het conflict rond Noord-Ierland. Hij bewaarde afstand, zowel letterlijk als figuurlijk, en koos alleen voor de poezie. Zijn positie is die van een betrokken waarnemer, die alles beschouwt vanuit zijn holle boom op het land van zijn jeugd: 'In de beuk’. Die beuk is zijn 'nauwsluitende grensboom. Mijn boom van kennis./ Mijn diepgewortelde, zachtgeveerde, luchtige luisterpost’. Ierland is 'de republiek van het geweten’.
In de prachtige cyclus 'Station Island’ uit zijn gelijknamige bundel uit 1984 formuleert hij het schrijven om het schrijven als het belangrijkste in zijn leven. In die constatering, die veel meer is dan puur esthetisisme, klinkt de stem door van James Joyce, die vanuit zijn Martello-toren - lees het begin van Ulysess - een imaginair en sensueel Dublin schiep. Zijn toren werd 'de navel van een opnieuw uitgevonden orde, of misschien de ivoren toren waaruit de kuise maagd van het Ierse katholieke provincialisme bevrijd moet worden tot de wereldlijke vrijheden van Europa.’ Precies dat doet Heaney in zijn gedichten. Boven het provinciaals gewoel uit kiest hij wel degelijk partij: 'Je hebt nu gevast, bent licht in het hoofd, gevaarlijk./ Vlieg weg van hier. En wees niet zo zwaar op de hand,// laat anderen de as en het boetekleed dragen./ Laat het los, laat het vliegen, vergeet het./ Je hebt lang genoeg geluisterd. Luid nu je eigen bel.’
Heaney doet dat: welluidend en niet vrijblijvend, met de indrukwekkende toon van 'mijn timide behoedzame betrokkenheid’, waarin cultuur en natuur harmonieus in elkaar opgaan.