Marlene van Niekerk ontmoet Nelleke Noordervliet

Wroeten naar waarheid

De controversiële Zuid-Afrikaanse roman ‘Triomf’ van Marlene van Niekerk is in Nederlandse vertaling verschenen. Ter gelegenheid daarvan treffen twee auteurs uit beide landen — Van Niekerk en Nelleke Noordervliet — elkaar op een zonnige wintermiddag in Amsterdam. Een gesprek over het blootleggen van de geschiedenis.

DE WERELD verandert. Ook Nederland, constateert Marlene van Niekerk met geveinsde verbazing. ‘Is álles hier een beetje minder militant geworden?’ wil ze weten. Stangend, ondeugend. ‘Komt dat door de rijkdom?’ Naast haar probeert Nelleke Noordervliet stoïcijns een antwoord te formuleren. Maar Van Niekerk gaat door. Haar ogen glinsteren. ‘The embarrassment of riches. Dat boek van Schama? Ja, de Nederlanders en hun volksaard… Thrift, zou je kunnen zeggen. Toch? Zuinige, drukke mensen die geld weten te maken en die het allemaal heel goed kunnen regelen. Schama beschrijft hoe de gevangenissen toentertijd bestonden uit water. Als je dus als gevangene wilde overleven moest je…’ Noordervliet helpt haar, meedeinend op de zeeën van plezier waarin de bezoeker uit Afrika nu baadt: ‘Pompen of verzuipen…’ Marlene van Niekerk barst in lachen uit. ‘Precies. En zo werden de grachten ook nog geschoond.’


Al in 1979 viel de Nederlandse overvloedigheid Marlene van Niekerk op, toen ze filosofie studeerde aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Toen zag ik dat iedereen zulke mooie schoenen en jassen droeg, dat hun haar zo perfect was gekapt…’


In de rijke noordelijke voorsteden van Johannesburg, bijvoorbeeld Sandton, zie je toch precies hetzelfde?


‘Klopt. Alleen daar hebben ze niet zo’n goede smaak als hier. Behalve misschien in de Amsterdamse Beethovenstraat. Geblondeerde dames, grote auto’s, veel patsers met veel goud. Dat is zo’n beetje Sandton.’


‘Maar’, zegt Nelleke Noordervliet, ‘hier hebben de mensen ook geen goede smaak… Dat Zandvoort-publiek, een beetje ordinair, of het Wassenaar/Gooi-publiek. De keurig-nette mevrouwen…’


Misschien, opper ik, zou het interessant zijn als Van Niekerk een kijkje in de Bijlmer neemt. Dat is alleen nauwelijks vergelijkbaar met de armoede in Zuid-Afrika. Van Niekerk bevestigt dat met een serieuze, verontwaardigde ondertoon in haar stem: ‘In Zuid-Afrika moet vijftig procent van de inwoners rondkomen met minder dan driehonderd rand (zo’n honderd gulden) per maand. Slechts elf procent verdient meer dan tweeduizend rand per maand. Daarboven heb je een nog kleiner percentage dat werkelijk uitzonderlijk rijk is, dat het voor het zeggen heeft.’



DE HEL HEEFT een naam en een nummer: Marthastraat 127, een huis in Afrika, in een Johannesburgse voorstad die Triomf heet. Triomf — de benaming druipt van de ironie. In deze straten zijn alleen maar tekenen van verlies, daar tussen de vierkante huisjes met platte daken van golfplaat, tussen de gazons die in de winter geel kleuren en die permanent bezaaid liggen met de wrakken van machines, van ijskasten tot auto’s, met op de achtergrond de glinsterende stad.


In de schaduw van de zilveren wolkenkrabbers wonen vier mensen op nummer 127 die niets hebben, ook niet de meest elementaire vorm van menselijkheid. Hun achternaam is Benade. Ze zijn Afrikaners. Ze zijn ordinair, racistisch, gewelddadig. Mol is een vrouw die regelmatig wordt verkracht door haar zoon, Lambert. Dat niet alleen. Samen met haar twee broers, Pop en Treppie, doet Mol er alles aan om te voorkomen dat Lambert achter de waarheid komt, namelijk dat hij het product is van jaren van incest binnen ‘het gezin’. Wie zijn vader is? Pop? Treppie? Wie zal het zeggen? Als Lambert er maar niet achterkomt dat Mol Benade en Pop Benade bloedfamilie van elkaar zijn. Anders breekt de hel los. Of zoals Mol zegt: ‘En die jirre (Here) behoed hulle as hy die dag moet uitvind.’


In een literair werk zijn seks en godsdienst explosieve ingrediënten, vooral in een land waar de blanke Afrikaners jarenlang hun vroomheid hebben gebruikt om hun repressieve regime te rechtvaardigen. Mede daarom heeft Triomf een aardverschuiving teweeggebracht toen het in 1994 verscheen. De meeste Afrikaner critici waren enthousiast over de ondermijnende én literaire kwaliteiten van het boek, behalve in conservatieve kringen in de Kaap, waar een recensent schreef: ‘Laat het nou maar een meesterwerk zijn. Zolang ik het niet weer hoef te lezen.’ Hij stond niet alleen. Veel lezers kiezen ervoor hun ogen te sluiten voor het boek. De uitgever kreeg haatpost. Van Niekerk zelf ontving een pakje met daarin een versnipperd exemplaar van haar boek en een briefje: ‘Ons is nie so nie. Die Benades.’


In deze politiek-literaire discussie stond de taal van de Afrikaners centraal. Het boek is geschreven in een sociolect van het Afrikaans dat hoofdzakelijk wordt gesproken door de zogeheten armblankes, zoals de Benades van de Marthastraat. Maar deze versie van het Afrikaans bevat veel elementen van het gesproken standaardafrikaans, bijvoorbeeld de beeldende vloekwoorden en de rijkelijke vermenging van Afrikaans en Engels. Omdat het soort taalgebruik van de Benades niet of nauwelijks voorkomt in de Afrikaanstalige literatuur heeft Van Niekerk als het ware een nieuwe taal ‘uitgevonden’ waarmee ze gestalte kon geven aan de literaire werkelijkheid in haar roman.


Dat doet denken aan het dilemma van de hoofdpersoon in een ander boek dat de laatste maanden menig literair debat beïnvloedt, Disgrace van J.M. Coetzee. Hierin redeneert David Lurie dat het Engels onvoldoende is om vorm te geven aan de werkelijkheid in Zuid-Afrika. Daarom zou een nieuw soort Engels — een compleet nieuwe taal — moeten worden uitgevonden. Later krijgt dit idee bredere betekenis wanneer Lurie zijn opera componeert over de dichter Byron en diens minnares. Niet op een vleugelpiano, maar op een simpele banjo met simpele ‘plink-plunk’-geluiden — zijn nieuwe taal. Het innovatieve taalgebruik in Triomf kan worden vergeleken met het plink-plunk van Lurie. Veel Afrikaner lezers kunnen niet tegen dat kraaknieuwe maar desalniettemin vernietigend herkenbare geluid. In het oververhitte literaire klimaat in Zuid-Afrika is de nieuwe taal van Triomf olie op het vuur.



DE AARDSE, GEPASSIONEERDE Afrikaner filosoof en de bedaarde, stijlvolle Nederlandse columnist/romanschrijver zitten samen aan de thee op de Amsterdamse Nieuwmarkt. Ze hebben niets gemeen, maar toch ook veel — niet in de laatste plaats het feit dat ze allebei romanschrijvers zijn. Ze kennen elkaar van de bezoeken die Nelleke Noordervliet de laatste jaren aan Zuid-Afrika heeft gebracht in het kader van het aanhalen van culturele en literaire banden tussen Nederland en Zuid-Afrika. Dat deze reizen indruk op Noordervliet hebben gemaakt, blijkt uit de stukjes over Zuid-Afrika die ze voor de Volkskrant schrijft. In een recente Zuid-Afrika-column ageert ze tegen de negatieve invloed van het geluk in Nederland op de kwaliteit van intellectuele discussies. ‘De kleur van het publieke debat’, schrijft ze, ‘blijft dan ook bepaald bleekjes.’ En: ‘Geen enkel onderwerp weet ons meer in het merg te raken (…) Met het geluk is de verveling gekomen.’ Hoe anders is de situatie in Zuid-Afrika, vindt Noordervliet. Daar is de literaire discussie een politieke discussie met ‘verstrekkende gevolgen voor de totale gemeenschap’.


Nu, aan tafel naast een groot raam met uitzicht op het zonovergoten marktplein waar de kaasboer niet genoeg handen heeft om haar klanten te bedienen, voegt Noordervliet hieraan toe: ‘Tijdens mijn bezoeken aan Zuid-Afrika heb ik mensen gesproken die allemaal duidelijke meningen over bepaalde boeken hadden. En of je nu voor of tegen een boek was, dat deed er niet toe. Belangrijk was dat ze vonden dat deze boeken betrekking hadden op hun eigen leven. Daarom was het voor hen van belang om erover na te denken, om voor de boeken weg te vluchten, om ze te ontkennen of juist te bevestigen. Bij ons in Nederland is dat nauwelijks het geval. Alle kranten hebben dikke literaire bijlagen. Dat is mooi. Maar als je nagaat hoeveel mensen uiteindelijk lezen… Dat klopt niet met de grote aandacht die aan literatuur wordt besteed. En wat er in die bijlagen staat aan polemiek, aan vragen over hoe de maatschappij in Nederland in elkaar zit, dat is allemaal ongelooflijk vlak en tam. De polemiek over bijvoorbeeld autobiografische literatuur versus de verbeelding is erg literatuurwetenschappelijk, en niet maatschappelijk. Het debat staat ver van de mensen af.’


Van Niekerk lacht veelbetekenend en laat een korte stilte vallen. Ze heeft de stukjes van Noordervliet gelezen. Ze heeft er flink in onderstreept. Ze citeert: ‘“De literaire discussie in Zuid-Afrika is een politieke discussie met verstrekkende gevolgen voor de totale gemeenschap.” Dat klopt niet…’


Noordervliet is geamuseerd. ‘Nog niet, wellicht? Zou je het wel willen?’


Van Niekerk, fel: ‘Natuurlijk. Maar bij ons hebben scholieren geen studieboeken. Als je geen geld hebt, kies je er eerder voor tweedehands schoenen te kopen dan een boek. De staat zou een infrastructuur moeten scheppen om het lezen van boeken te bevorderen. Maar in Zuid-Afrika heeft dat geen voorkeur. Intellectuelen zitten ’s avonds met elkaar rond de tafel, maar in het land zijn de prioriteiten anders. Studenten willen niets van literatuur of taal weten. Ze willen alleen maar informatietechnologie en handelsvakken studeren. Ze staan onder grote economische druk. Ze willen weten wat ze kunnen leren om aan de kost te komen.’



1991. IN DE TUIN van het huis waar ze pas woont, staat ze met haar voeten in de aarde. Tuinieren is haar lust en haar leven. Met een schop begint ze te wroeten in de grond. Opeens komen er voorwerpen te voorschijn: stukjes porselein, rioolpijp, glas, het oor van een kopje. Als beenderen uit een graf komen de resten van een spookstad naar boven. Sophiatown verdween in de nacht van 2 juni 1960, toen de bulldozers kwamen om de huisjes plat te walsen van zwarte en bruine mensen die zich daar hadden gevestigd. Kleine groepjes inwoners die niet van tevoren waren gevlucht, werden verwijderd met bussen van de Johannesburgse gemeenteraad. Op de plaats waar Sophiatown lag begraven, bouwden de blanke stadsvaders een nieuwe voorstad voor de Afrikaner werkersklasse. Ze noemden haar Triomf.


En zo groef Marlene van Niekerk, op dat moment onwetend, haar roman op. De stukjes huisraad waren de lugubere bewijzen van een daad van grand apartheid (grote apartheid). Het opgraven van de geschiedenis — het zoeken naar waarheid — is iets wat ook Nelleke Noordervliet bezighoudt, bijvoorbeeld in haar roman De naam van de vader, waarin een vrouw wier moeder tijdens de oorlog een Duitse soldaat als minnaar had, op zoek gaat naar haar vader. Dit gegeven lijkt op de ‘waarheidscommissieliteratuur’ in Zuid-Afrika: romans waarin veelal blanke schrijvers proberen af te rekenen met de apartheidsgeschiedenis. De vraag is echter of literatuur — fictie — wel het medium is om de ‘feiten’ van de geschiedenis onder ogen te zien. Deze zijn immers arbitrair, subjectief, onbetrouwbaar.


Van Niekerk: ‘Een romanschrijver leert van de geschiedenis over het idee van waarschijnlijkheid. De geschiedschrijver leert van de romanschrijver over narratieve voortgang. Die twee beïnvloeden elkaar. In de geschiedenis heb je slechts feiten. Als verhaalmaker moet je verteltechnieken gebruiken. Een schrijver over geschiedenis kijkt niet alleen naar feiten, maar naar het verband tussen feiten.’


Noordervliet: ‘Ja, de geschiedenis bestaat uit feiten waar je nu eenmaal niet omheen kunt. Verbanden tussen feiten — oorzaken en gevolgen — zijn iets voor de historicus. Maar de romanschrijver moet deze causale relaties compliceren.’


Van Niekerk: ‘Problematiseren. Causaliteit is het kernbegrip. Is iets op dit moment gebeurd omdat iets anders in het verleden heeft plaatsgevonden? Dit is belangrijk, omdat er behoefte bestaat aan samenhang in het hier en nu. Met andere woorden, alle geschiedenis is recente geschiedenis.’


Noordervliet: ‘Je kunt nooit naar de geschiedenis kijken zonder oog voor de feiten in je eigen realiteit te hebben. Je stelt vragen aan de geschiedenis die je op het huidige moment belangrijk vindt. De geschiedenis bestaat uit twee draden: het heden en het verleden. Je problematiseert het heden met de spiegel van de geschiedenis. En omgekeerd. Hiertussen kaats je heen en weer.’



IN ZUID-AFRIKA heeft het omspitten van de zandlaag over de geschiedenis een catharsisfunctie. Maar reiniging impliceert schuldbelijdenis over het verleden. Van Niekerk verwijst opnieuw naar Coetzee. ‘Hij is hard bezig met het probleem van de confessie. In Disgrace zegt hij dat schuld en schuldbelijdenis nooit kunnen worden afgerond. Op precies dezelfde wijze kunnen we almaar meer zelfbewustzijn “produceren” door onszelf vragen te stellen over wie we zijn, over wie we denken dat we zijn. In zijn roman suggereert hij dat alle geformaliseerde waarheids- en verzoeningscommissies tot niets leiden, omdat er een grote, onweerstaanbare penduleslag plaatsvindt van deprivatie naar retributie. Dat maakt het politiek biechten tot een schuimlaag van onbeduidendheid.’


Noordervliet: ‘Jawel, maar zonder die schuimlaag heeft de pendule geen betekenis… In Nederland zijn wij nu al vijftig jaar lang met hetzelfde soort proces bezig in het kader van de oorlogsherinnering. Iedere keer komt er weer een stukje naar boven. Het duurt lang voordat alle taboes aan de beurt komen. Toen ik onderzoek deed voor De naam van de vader bleek dat er niets over de kinderen van Duitse soldaten bekend was. Verhalen hierover waren allemaal weggestopt, terwijl alle andere tweedegeneratieslachtoffers al aan de beurt waren. Telkens moeten er weer excuses worden aangeboden, waaruit blijkt dat we er nog lang niet uit zijn.’


Van Niekerk: ‘Excuses zijn niet genoeg. De daders moeten echt worden gestraft. In Zuid-Afrika blijft dat nog uit. Iemand als ex-politieman Eugene de Kock is wel gestraft, maar hij is niets anders dan een scapegoat die bevelen van hogerhand heeft uitgevoerd. De opdrachtgevers lopen nog steeds vrij rond. Aan de andere kant: mag ík zoiets überhaupt zeggen? Wat zou mijn straf dan moeten zijn? In Zuid-Afrika wordt aan de blanken gevraagd: “Welk recht hebben jullie om in dit land te zijn?” Ik weet niet hoe we ons recht kunnen verdienen. Maar de vraag is globaal: hoe moet ik leven in een wereld waar tweederde van de mensen mateloos arm is? En verkracht en moedeloos en zonder enig uitzicht op zelfverbetering? Dat is de vraag van onze tijd. Hier zitten wij thee te drinken en te praten… en David Lurie zegt in Disgrace: “I must go to the dogs.” Met andere woorden: mijn enige recht is vis in blik te eten onder een oude paraplu in de achtertuin van iemand anders. En zieke honden te helpen tot een zacht einde te komen. En waarschijnlijk mijn opleider in het doden van honden zo ver te krijgen uiteindelijk hetzelfde voor mij te doen.’


Noordervliet: ‘Het lijkt alsof Lurie hier nog net niet toe in staat is.’


Van Niekerk: ‘Er is nog een restje weerstand in hem. Dat heeft te maken met de betekenis van zijn dochter Lucy. Zij keert terug als een figuratie van datgene waar Michael K (in Coetzees Life and times of Michael K) aanvankelijk voor stond: om een volledig doorlatend membraan te worden dat iedere vorm van geweld kan absorberen, teneinde niets te worden, jezelf te verliezen. Dat is in feite een diep christelijk principe: “Wie niet in de grond valt en sterft, die ontkiemt nooit weer.” Coetzee zou wel eens gewiekst genoeg kunnen zijn om dat in gedachten te hebben gehad toen hij de scène schreef waar Lucy in de tuin op haar boerderij vooroverbuigt, met haar zware, zwangere lijf en de kleine blauwe adertjes aan de achterkant van haar benen. “Wie niet in de grond valt en sterft…”’



DE WERELD kan veranderen, zoals Marlene van Niekerk aan de Nieuwmarkt constateert. Niet alleen Nederland, maar ook de wereld in Afrika, van haar Triomf, van Mol, Lambert en Pop. Uiteindelijk ontkiemt er zelfs iets in de tuin van Marthastraat 127, voor de ogen van Mol. ‘En nie lank nie, of dis die ene groot, groen blare met sulke boude-boude waatlemoene wat wys. Treppie sê dis ‘n godswonder.’