‘Moby Dick’, Herman Melville #2

Wrok

De aanduiding roman wekt misschien verkeerde verwachtingen. Het boek begint met een etymologie van het woord ‘wal(vis)’, gevolgd door een verzameling van zo’n vijftien pagina’s citaten over van alles wat er ooit is beweerd over het goddeloze beest, belichaming van een duivelse, ontembare, alles vernietigende oerkracht. Van een eenheid van handeling of stijl is geen sprake, Herman Melville beheerst alle registers, sommige hoofdstukken zijn geschreven als toneeltekst, andere als innerlijke monoloog, weer andere (flink wat) in de stijl van de maritieme of biologische uiteenzetting. Maar dor en droog wordt het nooit, Moby Dick heeft de ambtenaren- en professorentoon van het voorspelbare sedentaire landleven definitief achter zich gelaten, alles flonkert en bliksemt, sprankelt en danst op de oceanische golven van Melville’s taal.

Het kan niet verbazen dat Sybren Polet het boek als voorloper en vroege representant van het ‘andere proza’, meer in het bijzonder het ‘onzuivere’, ‘totale’ sub-genre daarvan beschouwde. Melville laat geen gelegenheid onbenut om een zijpad in te slaan of het verhaal te onderbreken voor een uitweiding. Je zou Moby Dick ook een encyclopedische roman kunnen noemen, vol fraaie beelden en scherpzinnige observaties, verwijzingen naar andere literatuur (de bijbel, Dante, Shakespeare, Don Quichot, Milton) en vitale, weinig academische beschouwingen over de peilloze aard van het bestaan.

Alle thematische en stilistische wildgroei ten spijt (zelf heeft Melville het ergens over ‘een zorgvuldige wanorde’ als de beste aanpak), de hoofdfiguur van het boek, Achab, de geheimzinnige kapitein van het walvisjacht Pequod, wordt door slechts één motief gedreven: wraak op Moby Dick. Bij een eerdere poging de potvis te doden heeft hij een been verloren, nu moet hij het doen met een ‘sneeuwwitte, nieuwe ivoren poot’, vandaar. De man is monomaan, fanatiek, redeloos. ‘De parallel met Hitler, die vanuit een rabiaat idée-fixe hele samenlevingen naar de ondergang sleurde’, was al eerder getrokken, schrijft Barber van de Pol, die in 2007 tekende voor een schitterende vertaling. ‘Achab is een demagoog, een misdadiger, iemand die zich opvreet van wrok. Maar hij vreet zich ook op van weemoed, en dat brengt hem dichterbij.’