Een man op de crèche

‘Yannick jongetje, gaan we zo slapen?’

Ze zijn er nauwelijks, mannen die werken op de kinderopvang. En sinds Robert M. is het wantrouwen tegenover nieuwe sollicitanten alleen nog maar verder gegroeid. Maar Edgar Elizabeth hield vol, en werd na twintig afwijzingen aangenomen in Amsterdam-West.

Medium 2.nicole 20segers yannick 20jongetje 2019122012 web

Zorgvuldig zet hij alle stoeltjes op zijn plaats, de speeltjes pakt hij vast en stalt hij uit op de kleine ronde tafel: een plastic gebakken ei, een boterham, een ijshoorntje, bordjes. Edgar Elizabeth weet dat als het er ligt, de kinderen er eerder mee gaan spelen. Je moet hen bezighouden, dat is de uitdaging. Daarom zet hij ook vaak de meubels weer even anders. Hij kijkt naar de vallende sneeuw door de ramen aan de lange zijde van het zaaltje, het is net half acht geweest en nog donker. Hij verwacht een rustige dag, uk (unieke kinderopvang) Westendorp is nog maar twee maanden open en er zijn nog niet veel kinderen. Daarom staat hij ook alleen op de opvang. Een van de meisjes krijgt nog een cadeautje, dat legt hij vast klaar op de tafel bij de deur. Hij sloft met blauwe zakjes over zijn schoenen door het zaaltje. Het eerste kind verwacht hij over een half uur. Nog even de lijst met namen bijwerken, dan kan hij net nog een kop koffie boven in het kantoortje drinken.

In eerste instantie had Edgar echt pech. Dat vond hij zelf ook. Het was een lange weg geweest en nu gebeurde er dit. Hij wilde eerst elektricien worden, maar bedacht dat hij het leuker vond om met mensen te werken. Toen wilde hij fysiotherapeut worden en ging daarom naar een mbo-opleiding helpende zorg en welzijn in Amsterdam. Tijdens de opleiding moest hij stage lopen op een kinderopvang. En toen wist hij het: dit was wat hij wilde. Hij twijfelde geen ogenblik. Elke dag was anders, die uitspraken van die kinderen, hij vond het onbeschrijfelijk. Zoals gisteren nog, een jongetje dat opeens roept: ‘Ik hou van jou.’ Zijn dag kan dan niet meer stuk. Hij besloot om pedagogisch medewerker te worden. Hij weet nog dat hij het aan zijn oudere broer vertelde – die vond alles goed –, en zijn twee zussen. ‘Hoezo, dat?’ had zijn ene zus gevraagd. Maar toen zijn neefje was geboren, zag ook zij wel dat hij iets met kinderen had.

Maar toen hij na twee jaar zijn opleiding had afgerond, in december 2010, werd Robert M. opgepakt in de Amsterdamse zedenzaak. Edgar, toen negentien jaar, solliciteerde zich suf, maar niemand wilde hem hebben. Ze zeiden niet dat het daarmee te maken had, maar dachten het wel, dat weet hij zeker. Bij één kinderopvang zeiden ze dat ze de ouders beloofd hadden geen man in dienst te nemen, maar meestal verzonnen ze smoezen. Hij voelde zich machteloos.

Medium kinderopvang edgar 03

Het aantal mannen dat in de kinderopvang werkt, is altijd al klein geweest, maar sinds Robert M. is dat verder afgenomen. Tientallen mannen hebben na de affaire in ’t Hofnarretje hun baan opgezegd. Ouders werden wantrouwig, zeiden geen man op de crèche meer te willen. Ook werden een paar mannelijke crècheleiders plotseling beschuldigd. Zoals een 24-jarige medewerker van kinderopvang De Tuimelaar in Vlissingen. De ouders van een driejarig meisje hadden aangifte gedaan van ontucht; de man werd direct opgepakt, maar na een week weer vrijgelaten omdat er onvoldoende bewijs was. Om mannen hangt zodra ze solliciteren al iets verdachts. De meest traditionele argumenten spelen daarbij een rol: kleine kinderen verzorgen, een luier verschonen, dat zorgzame, dat is toch geen mannenwerk? Dus als mannen dat leuk vinden, dan zal er wel iets aan de hand zijn.

Op de kinderdagopvang is nu nog één procent van de pedagogisch medewerkers man. In de buitenschoolse opvang – voor kinderen van vier tot twaalf jaar – ligt het percentage op drie tot vier. De terugloop is ook zichtbaar op de roc-opleidingen voor pedagogisch medewerkers: in 2007 was nog bijna zeven procent man, in 2011 was dat aantal gedaald naar zo’n vier procent. Ook in het basisonderwijs loopt het aantal mannen gestaag terug. In 2011 was dertien procent van de leerkrachten man, terwijl dat in 1980 nog ongeveer de helft was. Het aantal mannelijke pabo-studenten daalt nog steeds, op dit moment is nog maar vier procent van de leerlingen man.

Waarom zijn er zo weinig mannen in deze sector te vinden? Het wordt niet mannelijk gevonden, de status is te laag, evenals de salariëring. ‘Het ligt deels aan de beeldvorming’, denkt Louis Tavecchio, emeritus-hoogleraar kinderopvang aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Het is niet stoer om tegen je vrienden te zeggen: “Ik word leraar in het basisonderwijs.” En al zeker niet: “Ik ga werken in de crèche.”’ Tavecchio is een fervent voorvechter van meer mannen in de kinderopvang en het onderwijs. Hij zou het willen uitroepen: ‘Mannen laat je zien, kom daar ook naartoe, neem je verantwoordelijkheid.’

Hij begrijpt wel dat ouders soms huiverig zijn na wat er is gebeurd met Robert M., de zwemleraar Benno L., de katholieke paters. Het zijn bijna altijd mannen die misbruiken. En als je dat risico kunt vermijden als ouder, waarom zou je dat dan niet doen? Terwijl het volgens Tavecchio juist goed is om mannen op de crèche te hebben, vooral voor jongens. ‘Uit recent Amerikaans en Duits onderzoek blijkt dat vrouwelijke medewerkers een veel betere relatie hebben met de meisjes op de crèche dan met de jongens’, vertelt Tavecchio. Hij vond het schokkend. ‘Jongetjes krijgen nauwelijks iets positiefs te horen. Meisjes worden geprezen, over jongens wordt geklaagd.’ Hij ziet dat ook in Nederland: ‘De tolerantie voor jongensgedrag is dramatisch afgenomen.’

Vrouwen op de crèche hebben last van het gedrag van drukke jongetjes, merkt ook Lauk Woltring, adviseur en coach Werken met jongens. Vaak krijgt hij verzoeken van kinderopvangcentra om hierover trainingen te geven. Jongens zijn volgens hem onrustig, luisteren niet, zitten met hun handen overal aan, maken zich vuil, vechten. ‘Het jongensgedrag wordt gezien als storend. Het gevolg is dat jongens zich hebben teruggetrokken, ze krijgen geen steun in hun eigen ontwikkeling en presteren onder hun vermogen.’ We moeten hem niet verkeerd begrijpen, jongens zijn niet zielig. ‘Maar er is wel iets aan de hand met jongens.’

Buiten wordt het langzaam licht als de eerste vader binnenkomt. Hij draagt de baby op z’n buik. Lorenn is zeven maanden en Edgar kent haar al goed. Hij heeft haar zien ontwikkelen. Dat maakt dit werk ook zo leuk. Toen hij hier begon te werken is hij met alle ouders gaan praten, ook zijn man zijn benoemde hij. Ze konden hem alle vragen stellen, heel open. Zodat ze op hun gemak waren. Een van de ouders zei er moeite mee te hebben. Hij heeft toen gevraagd of ze wat langer wilden blijven, ze hebben uitgebreid kennis gemaakt en gezien hoe hij werkte. Hij vindt het goed dat ze het gewoon zeggen. Dat geeft hem ook rust. Ook Lorenns vader was blij dat Edgar erover begon. ‘Natuurlijk weet je het nooit zeker’, zegt de vader nu. ‘Maar dat is het leven.’

‘Heeft ze al gedronken?’ vraagt Edgar.

‘Een half flesje’, zegt de vader.

‘Ze is verkouden’, zegt Edgar en hij veegt zachtjes met een tissue haar neusje schoon.

‘Ja, heel erg, sinds een paar dagen’, antwoordt de vader. Hij pakt zijn tas en zwaait nog even naar zijn dochtertje voordat hij de deur uitgaat.

Edgar legt de baby in zijn armen. Al snel komt ook Romaissa met haar moeder. Het driejarige meisje met kleine krulletjes huilt als haar moeder wegloopt. Ze moet altijd even wennen. Edgar heeft alle soorten huilen leren kennen. Er zijn huilen van de honger, van geen zin hebben, van aandacht willen. Hij pakt haar cadeautje. ‘Pak maar uit’, zegt hij. Romaissa zwijgt, trekt het papier eraf. Een Barbiepop. Ze legt het weg.

Edgar had een stuk of twintig sollicitaties gedaan bij talloze kinderopvangcentra, van Diemen tot aan Zaandam. Allemaal afgewezen. Toen solliciteerde hij bij de buitenschoolse opvang in Amsterdam. Daar zijn de kinderen ouder. Hij werd aangenomen. Eigenlijk vond hij dat wel een uitdaging, hij is blij dat hij die ervaring nu ook heeft. Na een jaar zei zijn baas dat ze hem mee wilde nemen, als pedagogisch medewerker, naar deze nieuwe kinderopvang in Amsterdam-West. Hij was erg blij. Hij kreeg ook een extra opleiding; nu is hij senior pedagogisch medewerker. En dat op zijn 21ste.

Edgar werkt drie dagen bij uk Westendorp, de andere twee is hij thuis. Dan werkt zijn vriendin, ook op een kinderopvang. Dat zijn zijn papa-dagen. Al tijdens zijn opleiding was zij zwanger geworden, misschien waren ze nog een beetje jong, maar hij vond het geweldig. Jayden, zijn zoontje, is nu drie jaar. Hij geniet er dagelijks van. En hij wil echt een vader zijn voor zijn zoontje.

‘Wil je een puzzeltje doen?’ vraagt Edgar aan Romaissa. Hij pakt een houten puzzel en legt die op tafel. ‘Ga hier maar zitten.’

‘Wat is dit? Een muis?’

‘Nee’, zegt Romaissa zachtjes. ‘Een kip.’ Hij moet haar wel altijd iets laten doen, anders blijft ze de hele dag verlegen tegen de muur staan. Hij zet wat muziek op. ‘Poesje mauw, kom eens gauw…’, schelt het door het kleine zaaltje. Edgar pakt ondertussen Lorenn weer op schoot. De driejarige Zahra wordt door haar moeder gehaast door de deur naar binnen geduwd. Het meisje rent naar Romaissa, ze gaan samen met de poppen spelen en zijn de rest van de dag onafscheidelijk. Om half tien wordt Yannick gebracht door zijn vader. Edgar neemt de huilende peuter op schoot, troost hem. Yannick is ruim een jaar en kan net lopen. ‘Hoe gaat dat lopen Yannick? Kijk eens, zo hoort het.’

Het talent van jongens wordt te weinig gezien, dat vindt Louis Tavecchio het ergste. Het probleem is, zegt hij, dat het onderwijs ook inhoudelijk is gefeminiseerd. Zo is zelfs het rekenen taliger geworden. Taal ontwikkelt zich bij jongens later dan bij meisjes, dus met sommen maken hebben jongens nu ook al moeite. ‘Jongens hebben een impulsieve energie, eerst doen dan denken, jongens houden van experimenteren, risico nemen en grenzen verkennen. Dat wordt niet begrepen. Vrouwen vinden orde, netheid en regels vaak erg belangrijk, waardoor jongensgedrag minder kans krijgt.’

De mannelijke humor, de manier van praten, het experimenteergedrag: het is aan het verdwijnen, vindt Lauk Woltring. De vervrouwelijking van de sector is, denken Tavecchio en Woltring, een belangrijke oorzaak van het ‘jongensdrama’ dat zich op dit moment in de Nederlandse samenleving afspeelt. Jongens lopen op school achter bij meisjes, vallen eerder uit, halen lagere cijfers, gaan minder vaak studeren en doen langer over hun studie. Jongens benen het allemaal minder goed bij. Hierdoor dreigen ze ook maatschappelijk buiten de boot te vallen. ‘Mannen verdwijnen uit de rechterlijke macht, het onderwijs, de gezondheidszorg, de ambtenarij, de universiteit’, voegt Woltring toe. ‘Alleen het bedrijfsleven is nog het terrein van mannen. Het is al dertig jaar gaande, maar nu komt de ijsberg bovendrijven.’

‘Klinkklare onzin’, reageert Greetje Timmerman, hoogleraar jeugdsociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, zuchtend. Zij schreef samen met een collega een paar jaar geleden het artikel De mythe van het vrouwengevaar. ‘Er is geen enkel empirisch onderzoek dat aantoont dat er een relatie bestaat tussen jongensproblemen en het aantal vrouwelijke docenten op school.’ Haar bezwaar is dat er een vanzelfsprekende een-op-eenrelatie tussen sekse en gender wordt gelegd: een man is mannelijk, een vrouw is vrouwelijk. ‘Je hoeft maar om je heen te kijken om te weten wat voor onzin dat is.’ Timmerman heeft in Groningen onderzoek gedaan bij zo’n honderd vrouwelijke crèchemedewerkers. ‘Wat je ziet is zo’n verschil. Er zijn meiden die het heerlijk vinden om te stoeien met die kinderen, anderen lezen liever een boekje voor.’

Als je het historisch bekijkt, zie je dat er altijd onderwijsproblemen zijn geweest met jongens die niet willen leren, zegt Timmerman. Dat is niets nieuws. Nu wordt vrouwen verweten dat ze te disciplinerend zijn, vroeger mochten ze juist geen les geven omdat ze dat te weinig zouden zijn, mannen konden beter regels handhaven. Er wordt, zo constateert ze, opeens weer heel seksestereotype gedacht. ‘Kijk naar de bouwhoek op de crèches, die is voor jongens. Het keukentje en de poppen, daar mogen meisjes mee spelen. Het is hardnekkig. Als het moeilijk wordt, grijpen we daar als eerste op terug. Er is een probleem met jongens, en voilà, het is de schuld van de vrouwelijke docenten. Zo kun je nooit tot goede oplossingen komen.’

Er is vakinhoudelijk absoluut een verschuiving te zien van kennis naar communicatie, sociale competentie, stelt ook Timmerman. De oorsprong van deze zogenoemde ‘typisch vrouwelijke’ didactisch-pedagogische aanpak in het onderwijs – van werkstukjes, projectjes, spreekbeurten, samenwerken in groepjes – waar jongens slecht in aarden, ligt echter bij de Mammoetwet uit 1968 van minister Cals van Onderwijs. ‘En die is bedacht door louter mannen’, benadrukt de hoogleraar. ‘Er is geen vrouwelijke onderwijskundige of pedagoge aan te pas gekomen.’ Toen begon volgens haar het drama in het onderwijs, en niet alleen voor jongens. De Mammoetwet zorgde dat de nadruk kwam te liggen op communicatieve taalvaardigheden, in plaats van op grammatica en vertalen.

‘Wat je ziet is dat jongens in vergelijking met meisjes de afgelopen vijftien jaar slechter zijn gaan presteren’, zegt Timmerman. ‘Het is deels een relatief probleem; de inhaalrace van meisjes gaat door.’ Wel vindt ze dat er naar het onderwijs opnieuw gekeken moet worden. ‘Misschien is de huidige aanpak te ver doorgeschoten en moeten we terug naar een goede opleiding, een vak leren en studeren. Dat geldt voor zowel jongens als meisjes. De taligheid van het onderwijs, dat is voor jongens echt moeilijker. Maar de sociale en communicatieve vaardigheden zijn heel goed om te leren. De arbeidsmarkt vraagt erom. Als je dat jongens niet leert, zet je ze op achterstand.’

Het is tijd voor het fruithapje. Edgar gaat aan tafel zitten en schilt appels, peren, een banaan. Hij prakt het fruit zorgvuldig in de vijf bakjes. Dat hij hier gekomen is, vindt hij een wonder. Zeven jaar geleden liep Edgar Elizabeth nog gewoon rond op Curaçao. Hij woonde er met zijn moeder, zijn ouders waren gescheiden, zijn vader woonde elders op het eiland, zijn oudere broer en zussen woonden in Nederland. Hij was een nakomertje. Toen hij dertien jaar was, raakte zijn moeder half verlamd. Hij verzorgde haar, maar zijn broer en zussen waren ongerust en wilden dat ze naar Nederland kwamen. Zo vertrok hij op zijn veertiende met zijn moeder naar Amsterdam. Maar zij hield het hier niet uit en besloot al na een paar maanden terug te gaan. Hij bleef alleen achter bij zijn twintig jaar oudere broer in Amsterdam-Noord.

‘Hé, eten jongeman.’ Yannick schuift met zijn bordje op tafel heen en weer.

Edgar kende nog niemand, moest alles nog ontdekken. Hij ging heel hard werken, zat van negen tot vier op school en haalde alles in wat hij achterliep. Het lukte hem zo om op de vmbo-b te komen, en hij ging werken bij Albert Heijn, McDonald’s. Zo maakte hij steeds meer vrienden. Hij is blij dat hij hier gekomen is. Hoe anders had het kunnen lopen met zijn leven. Nu, achteraf, weet hij dat hij op Curaçao op weg was het criminele pad op te gaan. Net als veel van zijn vrienden. Niet dat hij al iets deed, maar dat was zoals het ging.

‘Romaissa, dat mag niet, dat is voor echte baby’s.’ Ze legt haar pop toch in de babyschommel en rent snel weg. Zahra rent achter haar aan.

Het leukst vindt Edgar het om activiteiten te verzinnen. Soms ligt hij daar thuis in bed eindeloos over na te denken, hoe het moet, welk papier, welke kleur. Dan knipt hij het vaak voor, zodat de kinderen het makkelijk kunnen opplakken. Het is belangrijk dat de dag gezellig is, vindt hij. Dat is de basis, dan voelen ze zich veilig en vertrouwd, daarna komt de ontwikkeling, de uitdaging.

Het tekort aan mannen op de crèche en in het basisonderwijs heeft volgens Greetje Timmerman geen negatieve invloed op het welbevinden van de kinderen, noch op hun leerprestaties. ‘Dat is voor wat betreft het onderwijs in ieder geval met grootschalig onderzoek bewezen. Het is ook heel heteroseksueel gedacht, dat dat onontbeerlijk is.’ Wel heeft het volgens haar andere effecten. ‘We maken onze kinderen duidelijk dat lesgeven en zorgen voor kinderen iets is voor vrouwen. Het zet het seksestereotiepe denken op scherp. Het creëert tegenstellingen en dat is schadelijk. De kindertjes op de crèche zien direct: werken met kinderen is niets voor mannen.’

De hoogleraar is om die reden dan ook zeker voorstander van meer mannen in de kinderopvang. Maar Robert M.? Het risico op misbruik? Greetje Timmerman was een van de onderzoeksleiders van de commissie-Samson over seksueel misbruik in de jeugdzorg. ‘Wat we zagen is dat in de professionele relatie tussen groepswerker en pupil de grenzen langzaam kunnen verschuiven. Dat is het gevaar.’ Als je zorgt voor sociale controle, samenwerking, glazen puien, openheid, dan kun je het risico beperken. ‘Ook in de kinderopvang is dat dus belangrijk.’

Edgar kijkt op de klok boven de deur naar de kinderbadkamer: half twaalf alweer. Tijd voor de lunch. Brood, kaas, worst, jam. ‘Zahra, wat wil jij erop? Worst?’ Zahra kijkt sip. Ze wil alleen pindakaas, maar dat is er niet. Ze moet leren ook iets anders te eten, vindt Edgar. Dan maar een droge boterham. ‘Even wachten met eten tot iedereen een boterham heeft.’ De stagiaire Shantie is ondertussen ook aangekomen en samen zitten ze aan tafel met de kinderen.

Dan wordt Jaylee-Mae, een peuter van net één, binnengebracht. Edgar neemt het slapende meisje op zijn schouder en brengt het naar haar bedje. Het is opeens druk. ‘Yannick jongetje, gaan we ook zo slapen?’ Edgar verschoont zijn luier, doet zijn groene slaapzakje aan en neemt hem nog even op schoot.

‘Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, waar is Berend Botje gebleven…’, knettert uit de cd-recorder. Terwijl de kleintjes in bed liggen, laat Edgar de meisjes kleuren. Hij vult op de lijst in wat elk kind heeft gegeten, hoe laat, wanneer het heeft geslapen, hoe lang.

Zijn eigen vader zag hij maar af en toe, lang niet elke dag. Hij heeft weinig van hem kunnen leren. Hij is snel volwassen geworden. Op zijn veertiende moest hij al zijn mannetje staan, werd hij in het diepe gegooid. Zijn broer was als een vader voor hem, maar die is twee jaar geleden overleden. Hij is nog steeds verdrietig, zijn broer heeft hem veel geholpen. Edgar wil dat zijn eigen zoon wel altijd met vragen bij hem kan komen, dat hij nooit bang hoeft te zijn. Dat heeft hij zelf bij zijn vader gemist. Hij had geen houvast, geen voorbeeld. Hij ging amper naar school. Hij maakte fouten. Gelukkig kon hij die verbeteren toen hij naar Nederland ging. Je moet in jezelf blijven geloven, positief blijven. Dat is zijn devies. Edgar staart even uit het raam.

‘Lieve schat, ga je even op je stoel zitten?’ Romaissa hangt over de tafel terwijl ze tekent.

Soms spreekt hij nog vrienden uit Curaçao. ‘Hé, praat niet zo verkaast’, zeggen ze dan. Hij is helemaal Nederlands geworden, vergeet soms Antilliaanse woorden. Hij is beloond voor zijn doorzetten. Hij laat één slechte man het niet voor hem verpesten, hij vindt dit werk leuk en blijft het gewoon doen. Hij weet niet of hij het anders doet dan vrouwen, hij denkt eigenlijk van niet. Soms denkt hij dat de kinderen wel anders reageren. Sommige kinderen op de crèche hebben ook geen vader, of zien hun vader weinig. Hij weet wat het is, zij weten niet beter. Hij lacht. Hij is blij met zijn leven. Hij heeft er ook voordeel van dat hij vrijwel de enige man is. Iedereen is blij dat hij er is, dat geeft hem wel een boost.

Edgar staat op. Het is bijna drie uur. Hij haalt de kleintjes uit bed, verschoont hun luiers. Het is tijd voor een cracker. Romaissa en Zahra schuiven gelijktijdig hun cracker met mortadella in hun mond, Yannick gooit de meeste stukjes naast zijn stoel, Jaylee-Mae peutert stilletjes aan een plak kaas, Lorenn ligt bij Edgar op schoot en krijgt een flesje melk.