Het land van de politieke seksschandalen

Yes! Yes Minister!

‘SEXUAL INTERCOURSE BEGAN’, dichtte Philip Larkin, ‘in nineteen sixty-three (which was rather late for me) – Between the end of the “Chatterley” ban and the Beatles’ first LP.’ Het mocht dan wel iets te laat zijn geweest voor de zwaarmoedige dichter, voor de Britse minister van Defensie John Profumo was het net op tijd. Twee jaar eerder had hij een affaire met Christine Keeler, die ook het bed bleek te hebben gedeeld met de militaire attaché van de sovjets. In 1963 verloor de minister zijn baan en zijn naam zou verbonden blijven aan dit schandaal, dat alles in zich had: spionnen, sexy vrouwen en aristocraten. De plaats van handeling – Cliveden – werd door het satirische blad Private Eye opgenomen in een speciale brochure met de beste landgoederen van de National Trust om de liefde te bedrijven.
Het vrijgeven van D.H. Lawrence’s roman, het eerste album van de Fab Four en de Profumo-affaire vormden de opmaat voor de seksuele revolutie. Deze zou niet onopgemerkt voorbij gaan aan de politiek. Terwijl Profumo decennialang anoniem verlossing zocht in liefdadigheidswerk beleefden zijn politieke neefjes prachtige, en doorgaans goed gedocumenteerde, buitenechtelijke avonturen. Dat varieerde van Paddy Ashdown die het deed met zijn secretaresse (The Sun doopte hem om tot ‘Paddy Pantsdown’) tot zijn partijgenoot Lembit Öpik die zijn vrouw, een weerpresentatrice, verliet voor Gabriela Irimia, beter bekend als een van de twee Cheeky Girls, het damesduo uit Roemenië dat beroemd werd met de hit The Cheeky Song (Touch My Bum).
Het onbetwiste hoogtepunt waren de dagboeken van de Conservatieve politicus en militair historicus Alan Clark. Zeker in het tweede deel – toen hij in Thatchers kabinet zat – wemelt het van de dames met wie hij het bed had gedeeld of had willen delen, variërend van serveersters en een tolk in Brussel tot de nachtzuster die zijn zieke vader verpleegde. Bij de verkiezingen van 1983 viel hij zelfs voor zijn 22-jarige opponente van Labour. ‘Ik ben stapelverliefd op Frances Holland. Ik vermoed dat ze lang niet zo dun en puberachtig is als ze lijkt. Haar haar heeft altijd een prachtige glans. Wie weet kan ik haar tijdens de stemmentelling afleiden en zoenen in een van die bezemkasten langs de Lower Guildhall.’
In Londen had Clark een wat comfortabelere bezemkast in Albany, een chic complex met 69 appartementen in Piccadilly, om de hoek bij de herenclubs. Eigenlijk was het bestemd voor vrijgezellen, maar in de praktijk deed het dienst als pied-à-terre voor schrijvers, kunstenaars en politici. Onder anderen Lord Byron, Aldous Huxley, Isaiah Berlin en Graham Greene hadden hier hun hoofdstedelijke residentie, alsmede het personage Jack Worthing uit Oscar Wilde’s The Importance of Being Ernest.

WELVARENDE BRITSE POLITICI, die met dank aan het districtensysteem doordeweeks als vrijgezel in Londen kunnen leven, verblijven van oudsher graag in Albany, waar de nachtrust niet zozeer wordt verstoord door loeiende sirenes als wel door het klik-klik-klik van naaldhakken.
Deze zomer opent Albany zijn deuren voor de tentoonstelling Echoes of Albany, waarin de erotische ambiance centraal staat.
De geschiedenis van Albany toont echter ook aan dat de combinatie van politiek en seksschandalen niet is voorbehouden aan het post-Profumo-tijdperk. Een van de drie premiers die van Albany gebruik maakten, was de Conservatief William Gladstone. Terwijl overdag politiek en het omhakken van bomen zijn grote passies waren, struinde Gladstone ’s nachts door dickensiaans Londen om, vanuit zijn christelijke overtuiging, ‘gevallen vrouwen’ te redden. Hierbij stelde hij zich, naar eigen zeggen, bloot aan verboden verleidingen waarbij het niet ondenkbaar is dat hij van de ontstane situatie misbruik heeft gemaakt. Deze activiteiten vormden geen obstakel voor een 64 jaar durend verblijf in het parlement, waaronder vier premierschappen.
Gladstone’s Victoriaanse idealisme ontbrak bij de Edwardiaanse levensgenieter David Lloyd George, die niet alleen de geschiedenis is ingegaan als voortreffelijk oorlogspremier en verkoper van adellijke titels, maar ook als rokkenjager. Het beeld van Lloyd George als de Britse John F. Kennedy werd onlangs nog eens bevestigd in het boek The Pain and the Privilege: The Women in Lloyd George’s Life van Ffion Hague, de vrouw van de Conservatieve politicus William Hague. Een kwart eeuw lang had David Lloyd George een buitenechtelijke affaire met Frances Stevenson, met wie hij uiteindelijk, kort na de dood van zijn echtgenote Margaret, zou trouwen. Al die jaren zou de laatste liberale premier een dubbelleven leiden: op het platteland van Noord-Wales leefde hij met zijn vrouw, in Londen met Stevenson, de gouvernante van zijn dochter Megan. Later zou ze als secretaresse voor haar minnaar gaan werken, wat wel zo praktisch was.
Ze schreven elkaar hartstochtelijke brieven, die in 1975 zouden worden gepubliceerd onder de titel My Darling Pussy: The Letters of Lloyd George and Frances Stevenson 1913-1941. In zijn liefdesbrieven, waarin hij en passant ook schrijft over de Eerste Wereldoorlog en de vredesonderhandelingen in Noord-Ierland, laat Lloyd George zich van zijn meest hartstochtelijke kant zien. Hij begint zijn brieven met aanhefsels als ‘My own sweet pet’, ‘My darling little girl’, ‘My own life sweetener’, ‘My sweet little worry’, ‘My own sweet little pussy’, en later, nadat Frances een dochter van hem had gekregen, ‘My Girls’. Mede door het leeftijdsverschil van 25 jaar zag Lloyd George zichzelf als een vaderfiguur, getuige de reviaanse manier waarop hij begin augustus 1918 een brief afsloot: ‘Oceans of love to my sweet little Worry from a Doting old man who is Father, lover and husband all in one.’ Op haar beurt beschouwde Stevenson haar minnaar als een groot kind.

REGELMATIG TOONDE Lloyd George zich doodsbenauwd dat de brieven door een vergissing van de koninklijke postbezorging in verkeerde handen zouden vallen. Of het uitlekken ervan veel zou hebben uitgemaakt is onzeker. Waarschijnlijk zou geen krant het indertijd hebben aangedurfd om over Lloyd George’s liefdesleven te publiceren. Een praktisch argument zou de vrees voor de beruchte smaadwetten zijn geweest. Hoewel deze wetten tot op vandaag van kracht zijn, nemen hoofdredacteuren tegenwoordig grotere risico’s. Aan de ene kant is het commercieel aantrekkelijk om fraai geïllustreerde verhalen te schrijven over seksschandalen, en anderzijds is de macht van de gevestigde orde sinds het begin van de jaren zestig afgenomen. Tegelijkertijd beseffen politici dat een smaadproces averechts kan werken.
Dat merkte de Conservatieve politicus en thrillerauteur Jeffrey Archer die eind jaren tachtig een smaadproces had aangespannen tegen The Daily Star, waarin berichten hadden gestaan over Archers overspel. Hij won de zaak, mede dankzij een rechter die was betoverd door de charmes van mevrouw Archer. ‘Heeft hij (Archer) na een avondje in de Caprice om kwart voor een in de ochtend werkelijk behoefte aan kille, door rubber geïsoleerde seks in een morsig hotel?’ legde hij de jury voor. Een paar jaar later bleek dat Lord Archer zijn secretaresse had aangezet tot meineed, wat hem vier jaar cel bezorgde.
Archers affaire vormde een prelude tot de Major-jaren, die de geschiedenis in zouden gaan als een openbare orgie. Hoogtepunt daarbij waren de avonturen van de minister voor Nationaal Erfgoed (‘Minister of Fun’) David Mellor die, getooid in Chelsea-shirt, de liefde bedreef met een Spaanse actrice, waarbij ze aan zijn tenen zou hebben gesabbeld (volgens een commentator om maar zo ver mogelijk van zijn weinig opwindende gezicht verwijderd te zijn). Het leidde tot opbeurende spreekkoren van Chelsea-fans en uiteindelijk tot zijn ontslag door John Major, die zelf nota bene een affaire bleek te hebben gehad met een van de weinige dames uit de regering-Thatcher, Edwina Currie.
Dat de pers weinig terughoudendheid koesterde in de berichtgeving – ‘From Toe Job to No Job’ kopte The Sun in de Mellor-affaire – had te maken met de Back to Basics-campagne van Major, die de overheid de rol van neo-Victoriaanse zedenmeester had toegedicht.
De hedendaagse maatschappij is in zoverre idealistisch dat van politici wordt verwacht dat ze het goede voorbeeld geven. Dat laatste hangt samen met de vervaging van de grens tussen privé en publiek. In vroeger tijden was vooral van belang of ze hun werk goed deden, ook al zwierven ze ’s nachts door de steegjes van Soho of schreven ze romantische brieven aan vrouwen met wie ze niet in de echt verbonden waren.
Zo wist Lloyd George een grens te trekken tussen buitenechtelijk plezier en het dienen van het land. Toen zijn maîtresse zich wat al te flirterig gedroeg, richtte hij zich op speelse wijze tot haar met de woorden: ‘Now get away Pussy! How do you expect me to rest here until the end of the week when you talk like this!’