Het was op de hoek van de Brouwersgracht en de Willemsstraat, tien uur ’s ochtends, iedereen had zijn plaats ingenomen op het terras: de man met de krant, de dame met het hondje, de twee vrienden die hun cappuccino’s altijd apart afrekenden, de blozende jongen die een Amerikaans echtpaar rondleidde door de stad en over Kabul praatte, dat hij steeds heel nadrukkelijk uitsprak als Kábul, zoals ik een woordvoerder van de politie op het nieuws die ochtend heel nadrukkelijk de letters LGBTQI PLUS had horen uitspreken. Het was belangrijk, zei ze, om geen enkele letter over te slaan.

Een dakloze schuifelde over de stoep met een mountainbike aan zijn hand. In Engels met een Spaans accent vroeg hij het publiek om geld. Sorry man, zei de blozende jongen. De man met de krant keek niet op. Een van de twee cappuccinovrienden diepte iets op uit zijn broekzak.

Hij was haar, de dame met het hondje, al gepasseerd toen ze hem iets nariep.

You should sell your bike.

Rustig zette hij zijn fiets tegen een lantaarnpaal, draaide zich om, liep terug naar haar tafeltje.

What did you say?

Niets, zei de vrouw. De man kwam dichterbij – whát did you say?

Ze gooide haar handen in de lucht in dat vreemdsoortige gebaar dat zowel overgave als onschuld moet uitdrukken. Ze had er niets mee bedoeld, hij kon doorlopen, ze zei toch sorry.

What?

Sorry.

You can kiss my ass.

Het meisje dat bediende kwam erbij staan. Valt-ie je lastig?

Wat is privilege: zeggen dat je een adempauze nodig hebt van de ellende in de wereld?

De dakloze man struikelde over zijn woorden van agitatie, en toen struikelde hij bijna over zijn voeten, en al die tijd zat ik ernaar te kijken terwijl ik deed alsof ik een boek las.

Het boek was een bundeling gedichten van Ewa Lipska; 66 brieven van ene meneer Schmetterling aan ene mevrouw Schubert. Liefdesbrieven, misschien. Oorlogsbrieven. ‘Hoe de geschiedenis ingaan, beste mevrouw Schubert? Stormenderhand zoals tirannen? Schuchter zoals dichters? Voor haar applaudisseren als ze een toegift geeft op verzoek van het publiek? Welk publiek? Zwijgen als ze toeval en lot op verkenning stuurt?’

De dakloze man liep door, de dame met het hondje zocht oogcontact met de overige aanwezigen.

Ik ben helemaal in shock, zei ze tegen de cappuccinovrienden, ik voel me gewoon niet veilig meer in mijn eigen buurt.

Hij had een móúntainbike, zei ze tegen de man met de krant.

Is hij goed in het herkennen van gezichten?, vroeg ze aan het meisje dat bediende.

Ik keek zo intens naar de gedichten van Ewa Lipska dat er gaten in vielen. Als ze tegen mij begint, dacht ik, dan kan ze het krijgen. Maar ze begon niet tegen mij. Misschien zag ze mijn bloedhete ogen, de asresten van wat even daarvoor mijn boek was geweest.

De blozende jongen was ondertussen over Poetin begonnen, de Nederlandse regering met haar schaamteloze patent op de niet-bestaande ‘aanzuigende werking’ van vluchtelingen, het fuck that van Biden in antwoord op de vraag of terugtrekking van de troepen niet een beetje lullig was voor de Afghaanse bevolking, dat nu, tien jaar na dato, als een boemerang in zijn gezicht terugkwam, en terecht.

In de ijverige woede van de blozende jongen herkende ik de mijne. Alle kranten en bladen lezen, steeds bozer worden, niet veel meer te bieden hebben dan boosheid en daar weer boos om worden. Een schande, appte ik aan vrienden en familie, een godvergeten schande. Linkjes naar petities, donatiepagina’s, nieuwssites. Ik kon de jongen niet aanhoren, ik kon mezelf niet aanhoren.

Hoe kwam het dat ik altijd weer uitkwam bij wat ík mensen al dan niet te bieden had? Waarom mondde al die gekanaliseerde kwaadheid, al die energie, toch weer dáárin uit, in die grijze zee van mijn eigen positie, de beschamende manieren waarop die tekortschoot? Wat is privilege: zeggen dat je een adempauze nodig hebt van de ellende in de wereld? Of weten dat de ellende niet gepauzeerd hoeft te worden omdat ze de pauze ís, de hartverscheurende, maagomdraaiende pauze tussen een deadline en een huilende baby?

Soms krijgt hij iets van iemand, zei het meisje dat bediende, en dus blijft hij terugkomen.

Ik moet hier echt van bijkomen, zei de dame met het hondje, tegen niemand in het bijzonder. Ze rekende af en liep de straat uit, klak klak, kin vooruit. De grachten van Amsterdam, de tred van iemand die zich niet meer veilig voelde in haar eigen buurt.

‘Het arrogante lot’, schrijft Schmetterling, schrijft Lipska, ‘bladert een krant door in een naburig café. In het nieuws, zoals gewoonlijk: de lichamen zijn van straat gehaald, het bloed is weggespoeld. Altijd dezelfde eindexamenkandidaten van de misdaad, dezelfde zonsopgang met accent op ondergang.’