Simone de Beauvoir

Your own Simone

Een vrouw die zich zogenaamd onopgemerkt waant, een man die haar onherroepelijk zal naderen. Zo over Simone de Beauvoir en haar minnaar Nelson Algren na te denken stemt Gustaaf Peek vrolijk.

Medium peek

De correspondentie tussen Simone de Beauvoir en Nelson Algren loopt van februari 1947 tot november 1964. Zij woont in Parijs en de rest van de wereld, hij leeft verankerd in Chicago. In die kleine achttien jaar ontmoeten ze elkaar een keer of tien, ze brengen amper elf maanden door in elkaars aanwezigheid. Soms verloopt een jaar met een enkele brief van haar, of een kerstkaart van zijn kant. Hij sterft in 1981, zij vijf jaar later. De Beauvoir wordt bijgezet in het graf van Jean-Paul Sartre op Père Lachaise. Ze draagt de zilveren ring die ze van Algren op 10 mei 1947 heeft gekregen.

A Transatlantic Love Affair: Letters to Nelson Algren, zo heet het brievenboek dat ik in 2011 in huis haal als onderdeel van de onderzoeksfase voor mijn vierde roman. Voorzichtig werk ik aan een verhaal over een man en een vrouw die samen iets ingrijpends, maar niet zozeer een relatie beleven, wat hen bindt moet een steeds terugkerend fenomeen worden. Of zoiets. De man en vrouw zullen ongeveer evenveel ruimte in de roman krijgen, ik moet ze allebei recht doen.

Opmerkelijk genoeg krijgen in mijn korte verhalen vrouwen vaak wel de hoofdrol, in mijn romans vervullen ze sleutelposities, maar lopen ze duidelijk achter in aantallen woorden. Dat wil ik nu anders doen. Ik hoop dat ik de afgelopen jaren goed heb opgelet, scherp dichtbij en om me heen heb gekeken. Het enige wat ik in deze periode kan, deze zoekende maanden vóór het schrijven, is lezen over vrouwen.

De eerste lading van mijn leeslijst luidt zo: Gail Godwin, The Making of a Writer, Volume I II; The Letters of Martha Gellhorn; Anne Sexton, A Self-Portrait in Letters; The Unabridged Journals of Sylvia Plath en Plath’s The Bell Jar; Antonia Fraser, Must You Go?; Simone de Beauvoir, The Second Sex; Doris Lessing, The Golden Notebook; Anaïs Nin, Delta of Venus; A Literate Passion, Letters of Anaïs Nin Henry Miller; Love Is the Heart of Everything: Correspondence between Vladimir Mayakovsky Lili Brik en ten slotte dan A Transatlantic Love Affair. Een van mijn hoofdpersonen zal een schrijver worden, dat heb ik blijkbaar al besloten. Zonder te weten hoe nu precies moet elk van deze boeken mij verder helpen naar die eerste, enge woorden van een nieuwe roman. Bijna alles lees ik met uitzonderlijk plezier, maar het enige wat brandend beklijft, wat leven lijkt te blazen in mijn grote, nog vage vragen over intimiteit, zijn de brieven van De Beauvoir.

De bundel levert een eenzijdig verhaal van de romance tussen De Beauvoir en Algren, alleen haar brieven zijn erin opgenomen. De bezorger van de brieven, Sylvie Le Bon De Beauvoir, de adoptiefdochter van Simone, die Algrens brieven in haar bezit heeft, schrijft in de inleiding dat ze heeft geprobeerd om beide kanten aan het woord te laten, maar concreter dan ‘this project did not prove possible’ over het mislukken hiervan wordt ze niet. Le Bon De Beauvoir plaagt af en toe met een zinnetje van Algren hier en daar tussen haar moeders brieven door. Hij komt over als een klager en een tobber, als iemand die niet is opgewassen tegen de verfijning van De Beauvoirs verbeelding. Hij lijkt te aards, te serieus over hun los-vaste verhouding.

Nee, dan De Beauvoir. ‘My beloved crocodile’, ‘My own local pretty man’, ‘Darling dearest beloved you’, ‘My darling own beast’ – dit zijn slechts enkele voorbeelden van de aanhef van haar brieven. Na hun eerste dagen samen in 1947 noemt De Beauvoir Algren al ‘my beloved friend and lover, my one-week and forever husband’. Een man die niet schrikt van dit tempo van verlangen neemt zijn aanbidder óf niet serieus of hij beseft dat hij iets ingrijpends en gewilds beleeft. Meer dan zes decennia later is De Beauvoirs romantische spel al gauw duidelijk voor een lezer, het maakt haar brieven niet minder speels en omarmend en vrolijk en verliefd. Wanneer Algren De Beauvoir op een dag ten huwelijk vraagt, komt hij over als een dwaas die al die adoratie durft op te offeren aan iets banaals als de werkelijkheid.

Een opzichtig sjabloon. De wereldwijze vrouw die iets begint met een man from the wrong side of the tracks, een attractie die gevoed wordt door verleidelijk verschil en tintelende tegenstellingen. Sylvie Le Bon De Beauvoir zet ook meteen de toon door in haar inleiding Algren ‘this boor’ te noemen, ‘this alien being’. Bijna verwijtend schrijft ze over deze bevlieging van haar adoptiemoeder. ‘[Algren] needed to be taught everything, to have everything explained, to be initiated.’ Op één gebied hoeft deze primitieve Amerikaan in ieder geval niet te worden ingewijd. ‘I have loved you for the love you gave me, and for the great new sexual longing and happiness you had aroused in me’, schrijft De Beauvoir. Volgens een gangbare mythe bezorgt Algren zijn Franse minnares haar eerste orgasme (ze is dan 39 en al jaren samen met Sartre).

Er staan wat foto’s in de bundel van De Beauvoir en Algren, kiekjes, de beste zijn gemaakt door fotograaf Art Shay, een vriend van Algren. Niet opgenomen is een beeld uit de sessie die Shay schoot van een hooggehakte, naakte De Beauvoir, die haar haren opsteekt voor een spiegel. Schaamteloze poses, trots, want zich bewust van haar honger opwekkende benen en derrière, dit moet Algren vaak hebben gezien. Het intieme bestaat ook uit het verdelen van rollen, de vervulling van simpele dromen. Een vrouw die zich zogenaamd onopgemerkt waant, een man die haar onherroepelijk zal naderen. Zo over De Beauvoir en Algren na te denken stemt me vrolijk.

Algren komt over als een klager en een tobber, iemand die niet is opgewassen tegen de verfijning van De Beauvoirs verbeelding

Tijdens het lezen van de bundel ervaar ik het ontbreken van Algrens brieven maar kort als een gemis. Ik heb de neiging brievenboeken als romans te lezen, het ontbreken van weerwoord geeft me alle ruimte om hieraan toe te geven. In haar correspondentie creëert De Beauvoir een figuur die Nelson Algren heet en in gestileerde vorm van 1947 tot 1964 bestaat. Af en toe probeert een voetnoot deze illusie te doorbreken, door na De Beauvoirs hartstochtelijke brief van Friday night, 12 mai 1950 Algrens bittere reactie te vermelden. Dit ‘necessary counterpoint’ veeg ik gemakkelijk terzijde. ‘Nelson, my heart is full of you’, heeft De Beauvoir net geschreven, ze sluit af met een rechtvaardiging voor een matig stuk voor Flair: ‘I just wanted 300 dollars to buy some scotch.’

Wat een vrouw! Dat denk ik geregeld wanneer ik haar zinnelijke berichten lees aan die verlangde schrijver zo ver weg. Haar dagelijks leven, haar werk en reizen, probeert ze licht en helder voor hem op te roepen. Ze beschrijft haar schrijfkamers in Parijs en daarbuiten, ze noteert wat ze eet en leest, met wie ze drinkt, ze roddelt over vrienden en kennissen (‘Genet came to Menton yesterday with his last dark-haired beautiful lover’), maakt melding van opvallend Frans nieuws, ze vermeldt wanneer ze verkouden of somber is, leurt met Algrens werk bij Franse uitgevers. Sartre is ook een vast element in haar brieven, De Beauvoir benadrukt steeds zijn intellectuele capaciteiten, zijn literaire successen. Haar mannen en haar boeken, over alles is ze even luchtig. Ze laat Algren zelfs lezen hoe ze jonge meiden voor Sartre regelt.

Ik besef dat ik deze brieven niet onbevangen lees. Mijn immer vervormende verbeelding en romanverlangens schuif ik over het verhaal van De Beauvoir en Algren, ik gebruik deze minnaars in de zucht naar personages, mijn eigen man en vrouw. Ik merk dat ik mij concentreer op het ongenaakbare van De Beauvoir, op haar contradicties. Een vrouw met een sterke, originele geest, een doordacht leven, maar met een hopeloos dromend gemoed. Die ring van Algren om haar dode vinger, ze laat het hart winnen, dat maak ik ervan.

Algren, hij heeft iets opmerkelijks opgewekt in deze intimiderend intelligente vrouw, hij is haar grootste uitzondering. Ze heeft hem nodig, het voelt alsof ze een dierbare en unieke ruimte voor hem reserveert. Wat De Beauvoirs dochter ook schrijft, Algren komt uiteindelijk over als een good guy met eenvoudige dromen over een huis en een vrouw, wellicht een kind. Hij is begrijpelijk verward over de constructie die De Beauvoir voor hen probeert te creëren. Wanneer De Beauvoir in oktober 1951, na een maand samen met Algren in de VS, zichzelf een compliment maakt omdat ze zijn vriendschap heeft weten te behouden, antwoordt hij, nogal ontwapenend: ‘It’s not friendship. I could never give you less than love.’

Ideeën, net als dromen, net als herinneringen, zijn moeilijk te achterhalen en te duiden. Maar de jarenlange gebeurtenis tussen De Beauvoir en Algren zal voor altijd verbonden blijven met de ontstaansgeschiedenis van mijn roman.

Deze brieven, ze ontroeren me. ‘Good night, my beloved one, my friend, husband and lover. We were so happy, we shall be so happy. I love you so much, my local youth, my crocodile, my own, Nelson.’ Wat haar het meest aan haar minnaar bindt is dit soort zinnen. ‘… writing to you is like kissing you. It is something physical.’ De woorden zijn waar en dat is voor een vrouw als De Beauvoir de belangrijkste werkelijkheid.


Gustaaf Peek publiceerde vorig jaar de roman Godin, held (Singel Uitgeverijen, 304 blz., € 19,99)

A Transatlantic Love Affair: Letters to Nelson Algren The New Press, 576 blz., € 27,99


Beeld: Simone de Beauvoir, Chicago 1950 (Art Shay).