Toneel: Henrik Ibsens Nora

Yuppengevangenis

De ondertitel van Henrik Ibsens stuk ‹Nora› is «Een poppenhuis». In de enscenering van de Berlijnse regisseur Thomas Ostermeier, komend weekend te zien in het Holland Festival, is Nora’s onderkomen veranderd in een Jan des Bouvrie-cachot voor New Economy-yuppen.

Ibsens Nora (1879) begint als een soap, evolueert langzaam naar een thriller en eindigt als feministisch verlossingsdrama: echtgenote stapt zelfbewust uit een huwelijk. Nora heeft in het begin van haar huwelijk met de advocaat Torvald Helmer een aanzienlijk bedrag geleend om haar doodzieke man te kunnen laten kuren in Zuid-Europa. Bij die lening heeft Nora valsheid in geschrifte gepleegd. Net nu haar man op het punt staat een baan als bankdirecteur te aanvaarden, wordt ze met die informatie gechanteerd — door de rancuneuze Krogstadt, die door bankdirecteur Helmer wegens malafide transacties net is ontslagen. Nora staat onder enorme druk. Als Helmer de «misstap» van zijn vrouw ontdekt, laat hij haar alle hoeken van de kamer zien. Als kort daarop blijkt dat Krogstadt zijn chantagepogingen staakt, onder invloed van een van Nora’s vriendinnen, is echtgenoot Helmer meteen bereid de status quo-idylle van zijn huwelijk met Nora verder te spelen. Nora niet meer. Zij verlaat het huis en haar huwelijk.

Thomas Ostermeier (1968), sinds 2000 intendant van de Berlijnse Schaubühne, houdt van eigentijds repertoire; zijn sterke regies waren de afgelopen jaren vooral teksten van landgenoten als Mayenburg en Schimmel pfennig en van Norén, Walsh, Ravenhill. Met de zogeheten «klassiekers» heeft Ostermeier minder, zoals vorig jaar bleek uit zijn regie van Büchners Dantons Tod. Nora is zijn tweede «klassieker» en zijn eerste Ibsen. Hij heeft het stuk herlezen als was het door een tijdgenoot geschreven. En verplaatste de handeling naar het milieu van de «nieuwe rijken» in het verbouwde en verspijkerde Berlijn. Dat is hem (gedeeltelijk) bewonderenswaardig gelukt. Het Berlijnse publiek heeft de enscenering hartelijk omarmd, Nora is daar een hit.

Naast Ostermeier zelf, die voor een voorstelling met een bijzonder hoog tempo zorgde (ruim twee uur zonder pauze) zijn twee personen voor dat succes in het bijzonder verantwoordelijk: decorontwerper Jan Pappelbaum en titelrolvertolkster Anne Tismer. Pappelbaum ontwierp een hypermodern penthouse: ingang in het souterrain, paar trappen op, een salon met bar, weer een paar trappen op, de kinderkamers en Helmers werkkamer. Moderne meubels en een enorm aquarium met siervissen. Pappelbaum heeft deze entourage op een draaitoneel geplaatst, dat in eerste instantie zijn gewone werk doet (keurig een kwart of een halve slag draaien), maar in de loop van de enscenering nerveus heen en weer begint te bewegen, op de adrenaline van een scène, waardoor we personages ook steeds vanuit een andere gezichtshoek op elkaar zien reageren. Voeg daar de bijzonder fysieke speelstijl, die Ostermeiers handelsmerk is (zijn leermeesters zijn Artaud en Meyerhold), aan toe en ziedaar: een voorstelling die Duitsers graag rasant noemen, razendsnel zonder één moment hijgerig te worden.

Als Anne Tismer in het eerste bedrijf binnenkomt, met haar kerstcadeautjes voor de kinderen, haar modieuze witte outfit boven modieuze bruine laarzen, dan zien we een vrouw die met een griezelige ADHD-energie probeert te voldoen aan wat haar man in zeven jaar huwelijk van haar heeft gemaakt: een leeuwerikje, een eekhoorntje, een speeltje, kortom een barbiepop met wie je op party’s voor de dag kunt komen. Dit penthouse is een yuppengevangenis, dit huwelijk is een verbintenis tussen mensen die niks van elkaar begrijpen. Ostermeiers Nora gaat over de marktwaarde van familiegeluk. En Anne Tismer is daarvan het wandelend epicentrum van een hemel en aarde bewegende nervous breakdown. Tismer is om haar Nora bejubeld en gelauwerd en dat is volkomen terecht.

Maar ja, dan de mannen. Dat Ostermeier van huisvriend Doktor Rank (bij Ibsen terminaal kankerpatiënt) een zijn laatste restje joie de vivre verpatsende aidslijder maakt, is niet echt nodig, maar het zij de regisseur vergeven. Maar voor de vertelling van Nora is het wel nodig dat wij begrijpen waarom Nora zich zo veel moeite en inspanningen getroost (heeft) om haar man Helmer een goede gezondheid, drie kinderen, een vette betrekking en een rustig gezinsleven te bezorgen. Er moet iets van liefde zijn, er moet iets aan die man zijn om van te houden. Ostermeier lost dat raadsel niet op. Jörg Hartmann maakt van Helmer een rechtlijnige zak, zijn personage is zo plat als de zorgvuldig gekoesterde laptoptas. En eigenlijk geldt dat voor alle mannen die om Nora cirkelen: het zijn geen round maar flat characters, karikaturen, rancuneuze gelijkhebbers en bovenal sukkels (in het Duits: Heulsusen).

Het is net of Ostermeier dit gemis heeft aangevoeld tegen de tijd dat hij bij de apotheose van het stuk was aangeland. In dat excessieve slot, dat ik hier niet zal verklappen (Ibsen zou zich trouwens rot geschrokken zijn) overcompenseert Nora haar enorme frustraties over de relatie met Helmer door (na een keelsnoerende finale van aantrekken en afstoten) ongemeen fel en fataal van zich af te slaan. Haar kinderen worden in veiligheid gebracht, zijzelf blijft eenzaam achter, Ostermeier plundert nog één keer zijn cd-rek om die eenzaamheid te verklaren — eerlijk gezegd voelde ik me als toeschouwer toen lichtelijk gedebiliseerd. Slotsom: Ostermeiers Berlijnse Nora is beslist intrigerend van opzet, zo’n Nora-vertolkster zie je niet vaak, maar in de loop van die twee uur zakt de enscenering wel vrij fataal door zijn hoeven.

Nora van Ibsen door Schaubühne am Lehniner Platz, Berlijn, te zien in het kader van het Holland Festival, op 20 en 21 juni (20.15 uur, inleiding om 19.15 uur) en op 22 juni (15 uur, inleiding om 14 uur), Stadsschouwburg Amsterdam. Inlichtingen: www.hollandfestival.nlof 020-5307110.