Fritzi Harmsen van Beek heeft waarschijnlijk het kleinste en meest eigenzinnige oeuvre uit de Nederlandse literatuur op haar naam staan. Twee dichtbundels schreef ze: Geachte Muizenpoot (1965) en Kus of ik schrijf (1975). En twee bundels met zeer korte verhalen: Wat knaagt (1968) en Neerbraak (1969). Je kunt zeggen dat het in al haar werk steeds om neerbraken gaat. In ieder geval formuleert zij zo dat het idee dat literatuur iets plechtigs of verhevens is telkens wordt doorbroken. Ze schrijft zinnen in een merkwaardig soort vervreemdende spreektaal. Zoals: ‘We werden bang en begonnen ons zorgen te maken, maar niet zo'n beetje.’ Of: ‘In de kast was het al even vervelend als in de kamer.’ En: ‘Zoals de meeste mensen óók, bleek ik de kennis van iemand maar dat werd pas duidelijk op een winterochtend tegen achten.’
In haar verhalen doet ze in die ongebruikelijke taal ongebruikelijke observaties. Althans, de observaties worden ongebruikelijk door het ongebruikelijke perspectief dat ze kiest. Zoals in ‘Langs de vloer’, dat begint met de prachtige zin: ‘Onbeschrijfelijk schoon en wonderbaarlijk zijn de ondervindingen der kruipende dames.’ Dat wil zeggen: voor de kruipende dames die vegen, want dweilende dames gaan te rigoureus te werk. Dweilen is liefdeloos. Bij het dweilen gaat onherroepelijk veel moois verloren. Maar al vegend stuit je op microscopische dingetjes van grote schoonheid. Op vleugeltjes of rompjes van dode insecten. Op wimpers en zacht stof. En op peuken die hebben gejongd in de asbakken ‘en op de grond nieuwe nestjes gebouwd’. Steeds weer stuit je op neerbraken. Je bedenkt dat die definitie van dat woordenboek niet eens zo gek is. Je valt toch steeds in de ‘blinde schacht’ van het onverwachte.