Zachte revolutie

Eva Meijer, Amsterdam, 2018 © Bob Bronshof

Citaat: ‘Om echt te ontsnappen aan de relaties die ons vasthouden is het niet voldoende je binnen dat systeem te verzetten. Je moet het hele systeem ter discussie stellen. De structuren en machines die ons onderdrukken zijn niet te bestrijden met geweld, omdat het geweld ze juist bevestigt. Wij moeten er een alternatief tegenover stellen, en dat houdt in dat we alle geweld en overheersing over anderen afkeuren.’

Is dit een paragraaf uit de beginselverklaring van een nieuwe politieke partij? Een post op een activistische blog? Nee, het is een fragment uit de nagelaten geschriften van Sophie Kaïzowski, verteller en protagonist van Voorwaarts, de vierde roman van Eva Meijer (1980). Ze is overigens geen betrokken millennial, maar een Parisienne uit de jaren twintig van de vorige eeuw, die na een afgebroken studie is gaan werken als kok in een vegetarisch restaurant. Tijdens een discussieavond over vreedzaam verzet in de kelder van Café de Flore ontmoet zij Georges, die haar geliefde wordt. Samen raken de twee zozeer geïntrigeerd door het ‘anarchoprimitivisme’ dat ze hun stadse bestaan achterlaten om in een zelfvoorzienende commune op het platteland te gaan wonen.

De roman heeft de vorm van het dagboek dat Sophie aldaar bijhoudt. Zonder opsmuk registreert zij het dagelijks leven in deze nieuwe omgeving. Ze wandelt door de natuur, werkt samen met de anderen op het land, schrijft in de avonduren manifesten en artikelen. Het lijkt aanvankelijk idyllisch, maar al snel doen zich de eerste ongemakkelijkheden voor. Zo eist aanvoerder en geldschieter Louis dat de bewoners te allen tijde naakt zijn (kleding ‘vervreemdt’ de mens namelijk van ‘het natuurlijke bestaan’), wat niet iedereen even comfortabel vindt.

Het beeld dat je van het gemeenschappelijke leven krijgt is niet heel spectaculair, zelfs ietwat saai. Sophie beschrijft uitgebreid hoe er courgettes verbouwd worden, of hoe de naamgeving van de kippen in zijn werk gaat, maar buigt zich zelden langere tijd over haar innerlijk leven. De landerigheid van het eerste deel wordt ook geïntensiveerd door Meijers stijl, die weliswaar consistent, maar ook erg neutraal is, soms op het kleurloze af. Daar staat tegenover dat variaties, zoals enkele mooie essayistischere passages, extra sterk contrasteren met Meijers kalme verteltrant, en dus aan kracht winnen: ‘Het leven strekt zich naarmate je ouder wordt steeds verder uit in verschillende richtingen, de herinneringen stapelen zich niet op maar worden toegevoegd aan alle andere, vullen de ruimte niet maar maken haar groter – het wordt meer en niet langer (alles wat gebeurt gaat met elkaar in gesprek – niet alleen verwijst alle gevoel naar eerder gevoel, ook de verhaallijnen voeden elkaar).’

Ze moeten naakt zijn: kleding ‘vervreemdt’ de mens van ‘het natuurlijke bestaan’

Wanneer het tijd wordt om voor wat spanning te zorgen, doet Meijer dat wel op een verrassende manier. De gemeenschap wordt niet onder druk gezet door onenigheid of frustratie over het zware werk, maar door een kus: Clémence, de aantrekkelijke vriendin van Louis, verleidt Sophie. En hoewel vrije liefde tot de idealen van de groep behoort, was dit niet de wending waar Louis en de andere mannen op hadden gehoopt.

Op twee derde van de roman gebeurt er iets geks: het perspectief wisselt naar Sam, een studente die een kleine honderd jaar later het gepubliceerde dagboek van Sophie heeft gelezen en erdoor geïnspireerd is geraakt. Samen met Jona, haar vrijgevochten feministische vriendin, en twee andere politiek bewuste randstedelijke jongeren besluit ze om ook een autarkische commune te beginnen, maar dan in Friesland.

Het is een tamelijk merkwaardige beslissing om binnen een roman twee keer dezelfde premisse te gebruiken; omdat Meijer zichzelf wat betreft opbouw en verhaallijn herhaalt, is het tweede deel nogal voorspelbaar. Ook verteltechnisch verandert er weinig, waardoor sommige personages anoniem aandoen, en zich als gevolg moeilijk laten onderscheiden van de figuren uit het eerste deel. De veranderende historische context zou de twee verhaallijnen een eigen karakter moeten geven, maar omdat Meijer zich voornamelijk op de ontwikkelingen binnen de commune richt, en de buitenwereld alleen indirect of zijdelings ter sprake brengt, gebeurt dat niet.

Om diezelfde reden blijft het onduidelijk waarom de schrijver voor specifiek deze twee momenten heeft gekozen. Ja, zowel het interbellum als de vroege 21ste eeuw wordt getekend door een gevoel van naderend onheil, maar een dergelijke angst is sinds pakweg 1800 wel in bijna ieder decennium te vinden. Omdat de schrijver de significante parallellen en verschillen tussen de uitgelichte tijdsgewrichten zelf nergens expliciet maakt, moet je als lezer lang gissen naar de betekenis van deze juxtapositie.

Maar in het slot van Voorwaarts vallen alle stukjes plotseling op de juiste plek. Om een plaatselijk bos te redden organiseert Sam een protestactie. Ze weet een klein leger ‘boomknuffelaars’ op de been te brengen, en het hoopvolle enthousiasme dat hierbij vrijkomt maakt de eindscènes onverwacht emotioneel. Dan wordt ook duidelijk wat de schrijver met deze opzet voor ogen had: ze vertelt met Voorwaarts twee verhalen over een politiek idealisme dat zich niet uit in afbraak, maar in het leveren van een bescheiden, constructieve bijdrage. ‘Zachte revolutie’ noemt Sam het, en dat verbeten streven naar een betere wereld is, zoals Eva Meijer in deze buitenissige roman laat zien, niet voorbehouden aan de Facebook-generatie: het is namelijk van alle tijden, en mogelijk zelfs een van de meest fundamentele menselijke drijfveren.