Zachte sector?

In een ‘extreem feminiene’ cultuur (Hofstede) ben ik werkzaam in een ‘extreem feminiene’ sector: opleiding voor sociale beroepen. Figuurlijk feminien omdat ‘zorg’ met vrouwelijkheid wordt geassocieerd - niet vreemd als je ziet dat het leeuwedeel van de mondiale zorg op vrouwenschouders rustte en rust. Letterlijk, omdat op een kort intermezzo na, dat onderwijs en de erop volgende beroepen vooral vrouwenzaak zijn.

Hoewel niet afkomstig uit de zorgsector voel ik me er op m'n gemak omdat die gemiddeld een redelijk aardig type mens aantrekt. Natuurlijk is onze propedeuse gemêleerd: een deel weet bij god niet wat het met het leven aanmoet - en dan blijk je eerder onze kant op te komen dan pakweg die van werktuigbouwkunde; aan de andere kant van het spectrum staat een groep die even absoluut is in haar keus voor ‘dienend in de wereld staan’ als menig heao'er in die voor de snelle auto en het grote geld.
Mag die formulering Nightingale-achtige associaties oproepen, mij bevalt de onder postmoderne intellectuelen veel voorkomende minachting voor de zachte sector niet. Deels betreft ze pretenties en praktijken die destijds al sterk subcultureel van karakter waren en die sinds lang zijn gestorven (recent vertelde een studente dat haar decaan de studie Maatschappelijk Werk had afgeraden omdat je elkaar dan vier jaar lang in roze tuinbroek zou moeten knuffelen en melden hoe je je voelt), deels getuigt ze ook van minachting van een redelijk geslaagd, ontwikkeld en gezond bevolkingsdeel voor anderen die zich, al dan niet professioneel, bekommeren om materieel, lichamelijk en/of geestelijk minder bedeelden - en daarmee ook van minachting voor die zwakkeren zelf.
Ik mag dan meer van de wording van verzorgingsstaten weten dan mijn pupillen, die ik soms voor gebrek aan die kennis een onvoldoende moet geven, regelmatig neem ik mijn pet diep af voor hun bereidheid de zwaardere zijden van het leven op te zoeken en voor de manier waarop ze problemen te lijf gaan.
Aan hen dacht ik door Het andere gezicht van de Ikon, dat vorige week ging over de zwaar verstandelijk gehandicapte en autistische Sheila en over de inspanningen die men zich getroost om dit zeer energieke en agressieve meisje een deel van leven te geven. Met groot geduld, met de bereidheid zich, voor zover mogelijk, in haar andersoortige ervaring van de wereld in te leven, met respect voor haar identiteit bouwde haar begeleider een band met haar op die haar leven vaak draaglijk maakt en soms rust, vrijheid van angsten en zelfs waarneembaar welbehagen oplevert. Waardoor ze tegelijk in de inrichting handelbaarder wordt.
Interviews met begeleider, psychologe, ouders werden afgewisseld met beelden van Sheila’s leven. Mijn gids noemt de makers niet. Zij verdienen lof voor het feit dat Sheila zich van hun aanwezigheid niet bewust leek - daar moet veel vertrouwen voor zijn gewonnen. Voor het pleidooi dat ze houden voor aandacht voor deze groep. En zij maakten fraai gebruik van een onderdeel van Sheila’s behandeling: elke dag maken drie patiënten en de begeleider een lange fietstocht op twee gekoppelde tandems. Beelden van het trappend viertal in zomer en winter, door de documentaire heen gesneden, zijn een ode aan de (mannelijke!) begeleider en mijn studenten. Prijzen wij de Ikon en de feminiene cultuur.