Het stoelendansje van de Raad

Zagen in cultuur

Zonder enige liefde of passie voor de kunsten heeft de Raad voor Cultuur een genadeloos advies afgeleverd over de verdeling van de rijkssubsidies. Waarom toch al dat dédain? Opnieuw blijkt: bezuinigen is geen kunst.

Waarom is de Nederlandse dans de wereldwijde voortrekkersrol kwijtgeraakt die hij dertig jaar geleden nog speelde? Hoe kan het dat Nederlandse of op z’n minst Nederlandstalige theatermakers als Johan Simons, Guy Cassiers en Alize Zandwijk furore maken in Duitsland, maar er hier te lande nauwelijks theater van buiten onze landsgrenzen te zien is, behalve tijdens het Holland Festival, Internationale Keuze in Rotterdam en Noorderzon in Groningen (en recentelijk, een veelbelovende ontwikkeling, in de Amsterdamse Stadsschouwburg)? Is de ambitie van het Stedelijk Museum in Amsterdam, afgaand op de collectie zonder meer het belangrijkste museum voor moderne kunst in Nederland, om na de heropening weer mee te draaien in de ‘internationale top’ realistisch, of een onhaalbare wensdroom?

Het zijn vragen die niet eens worden gesteld in het meest recente advies van de Raad voor Cultuur voor de verdeling van de rijkskunstsubsidies, Slagen in cultuur, dat op maandag 21 mei werd gepresenteerd. Laat staan beantwoord. Stel ze aan de Raad, en die zou vermoedelijk formeel reageren: daar gaan wij niet over. Het Stedelijk is een zaak tussen zijn particuliere en zakelijke sponsors en de gemeente Amsterdam. De Raad bestiert alleen budget voor de programmering van Nederlandse voorstellingen in het buitenland, niet voor de omgekeerde route – alsof die twee überhaupt los van elkaar zijn te zien. En het advieshoofdstuk over dans, ten slotte, begint met de onvergetelijke zin: ‘Binnen de basisinfrastructuur is ruimte voor vier dansgezelschappen.’

Waarna de Raad een potsierlijk stoelendansje opvoert. Er waren acht aanvragen ingediend, maar er was maar één zetel voor ‘een gezelschap voor balletrepertoire’ en één voor ‘een gezelschap voor modern dansaanbod in een internationale context’. Vervolgens ‘adviseert’ de Raad respectievelijk het Nationale Ballet en het Nederlands Danstheater op die stoeltjes te zetten. Hoezo ‘adviseert’? Die twee ensembles zaten daar al toen de Raad voor Cultuur nog geboren moest worden, en daar horen ze ook. Er valt hier niets te ‘adviseren’. Wel veel te onderzoeken naar en te reflecteren op hoe moeilijk een rijke danstraditie als de Nederlandse van grofweg 1970-1990 is door te geven aan volgende generaties, die zonder die doorgifte hun eigen stijl niet kunnen ontwikkelen. Er zijn geen teksten, van de meeste choreografieën staat nauwelijks iets op papier. Wat Rudi van Dantzig kon en wist nam hij mee zijn graf in, voorzover hij het niet in persoon aan anderen heeft kunnen overdragen.

Zo’n benadering vertrekt vanuit de vanzelfsprekendheid van de kunsten, en houdt zich louter bezig met vragen als: hoe houden wij het klimaat voor die kunstenaars, de voedings­bodem voor hun werk zo gezond mogelijk? Want de urgentie van kunst en cultuur spréékt vanzelf voor wie ooit de hoogstpersoonlijke en nauwelijks uit te leggen sensatie heeft ondergaan die een schilderij van Frans Hals teweeg kan brengen, of een roman van Adri van der Heijden, of Wagners Ring des Nibelungen in de regie van Pierre Audi.

Er zijn ook parallellen te over. Niemand in Nederland twijfelt een moment aan de urgentie van de sport voor Nederland, onze cultuur, ons zelfbeeld en onze kinderen. Te beginnen met een generatie van uitblinkende voetballers is in de loop der decennia een fijnmazige infrastructuur ontstaan die jonge talenten vroeg­tijdig signaleert en op de juiste manier opleidt en begeleidt voor en naar het grote werk. Gevolg: behalve in voetbal is Nederland ook gaan excelleren in hockey, zwemmen en paardensport, om er maar een paar te noemen. En is er een kruisbestuiving op gang gekomen tussen de top en de basis in de sport, kweekvijver en lichtend voorbeeld voor elkaar. Niemand, werkelijk niemand, trekt in twijfel dat dat netwerk deels met gemeenschapsgeld wordt gefinancierd en verder wordt overgelaten aan de mensen die er verstand van hebben en verder uitbundig getuigen van hun oprechte, gepassioneerde engagement met de sport.

Maar in de kunsten werkt het precies andersom, net als in het onderwijs. Wat vanzelf zou moeten spreken, wordt iedere vier jaar opnieuw op losse schroeven gezet. Zelden is van tevoren duidelijk welk gedeelte, en waarom. Wat van onder­geschikt belang is, komt op de voorgrond te staan. Ondernemerschap – ofschoon ruim een kwart van het rijkskunstenbudget sneuvelde, vond de Raad nog wel de financiële ruimte voor een ‘analyse’ op dit onderwerp van alle subsidieaanvragen door het ongetwijfeld wereldberoemde adviesbureau Rebel Group/Kwink Groep (pagina 16 van Slagen in cultuur). Marketing – ‘marktverruiming’ is het eerste bestedingsdoel voor de 1,8 miljoen euro aan ‘middelen voor internationalisering’ uit de hgis-pot, de presentatie van ‘kwalitatief hoogwaardige’ Nederlandse kunst op ‘relevante plekken’ elders op aarde komt pas op de derde plaats. Jong talent – waar zijn toch die prachtige oudere dansers van ndt iii gebleven?

Liefde en passie voor de kunsten is nergens te bekennen in het omvangrijke oeuvre van de Raad voor Cultuur, auteur en uitgever van de dikste en tevens minst gelezen teksten die in de Nederlandse taal zijn gesteld. Dat zou nog te begrijpen zijn als het ging om een college van anonieme ambtelijke technocraten. Maar daar is geen sprake van. De Raad en zijn vele commissies, die per sector de subsidieaanvragen moeten beoordelen, bulken van de kunstenaars en kunstenbestuurders. Evenmin lopen zij aan de leiband van de bewindspersoon voor Kunst en Cultuur van dienst – meestal een staatssecretaris, hetgeen al genoeg zegt over de plaats die de politici de sector in hun pikorde toekennen. Integendeel, de Raad voor Cultuur neemt een unieke positie in. Ze wordt geacht de regering ‘gevraagd en ongevraagd’ te adviseren over het cultuurbeleid, en wel vanuit een wettelijk verankerde onafhankelijkheid ten opzichte van diezelfde regering.

En toch muteren de leden van dit bevoorrechte college hun wettelijk gewaarborgde privilege tot onleesbaar functionarissenproza, en dienovereenkomstige adviezen. Vrouwen en mannen met een vaak mooie artistieke staat van dienst laten zich reduceren tot burgemeesters in oorlogstijd. Nooit nemen zij het initiatief dat in hun schoot ligt om lonkende vergezichten te schetsen, om de kunsten weg te leiden uit het moeras van de politieke waan van de dag en de politici de urgentie van de kunsten onder de neus te wrijven. They simply refuse to rise to the occasion – het is een mysterie, een diepgravende wetenschappelijke studie waard. U en ik zouden het wel weten. Handenwrijvend over zoveel weelde zouden we aan de slag gaan, als Louis van Gaal bij Bayern München. Misschien, hoogstwaarschijnlijk zelfs, zouden we net als hij ten onder gaan, maar: what a way to go!

En het ergste is dat deze onverklaarbare houding niet beperkt blijft tot de Raad voor Cultuur. Ook de kunstenaars en kunstinstellingen raken ermee besmet. Want natuurlijk is het potsierlijk dat alle subsidieaanvragers tezamen blijken uit te gaan van 34 procent meer publiek in de komende crisisjaren, en de theaterensembles onder hen zelfs ‘rekenen’ met negentig procent meer bezoekers. Het was al te zien tijdens de landelijke schreeuwactie tegen Zijlstra’s subsidieslash: die werd opvallend vaak geleid door BN’ers als Sophie Hilbrand. Hun engagement met de kunsten was ongetwijfeld oprecht, maar kunstenaars met gevoel voor eigenwaarde nemen zelf het voortouw, zoals Ramsey Nasr dat deed op het Malieveld.

Nasr stak zijn nek uit met een eloquente aanval op premier Rutte. Goede kunstenaars steken altijd hun nek uit. Acteurs en dansers voor het voetlicht, de violist tijdens een cadenza, de schilder en schrijver die hun werk exposeren en publiceren – zij verkeren in dezelfde positie als Arjen Robben alleen voor Petr Czech. Een mensenheugenis geleden legden wijlen Jan Jessurun en Atzo Nicolaï, secretaris van wat toen nog de Raad voor de Kunst heette, ‘hun’ staatssecretaris drie scenario’s voor de verdeling van de rijkskunstsubsidies voor: één voor een gelijkblijvend budget, één voor een korting en één voor een verhoging. Het laatste scenario liet zien wat er mogelijk was. Het was de verleider, die appelleerde aan de ministeriële ijdelheid. Het voorlaatste juist aan diens angst als spelbederver: het schetste een afschrikwekkend beeld van de schade die de sector zou worden toegebracht. Daarmee bewezen Jessurun en Nicolaï de kunsten een dienst én lieten zij hun bewindspersoon de nodige ruimte voor zijn onvermijdelijke politieke manoeuvres.

Het kan dus wel. Het heeft niets te maken met structuren, zou je zeggen, alles met personen. Maar het staat ook als een paal boven water dat Jessurun en Nicolaï nooit navolgers hebben gekregen. Opeenvolgende raden voor cultuur hebben zich door de politiek steeds verder in de hoek laten drukken. Het vruchteloze gejammer hierover in de kolommen nam navenant toe. In 2008 had de Raad voor Cultuur nog 668 pagina’s nodig voor de advisering van driehonderd aanvragen. In 2012 schrijft de Raad 476 pagina’s vol over 118 aanvragen – vier pagina’s per aanvraag tegen 2,2 vier jaar eerder. Bijna een verdubbeling, met andere woorden. De Raad probeert vooral zijn eigen voortbestaan te rechtvaardigen.

De vierjaarlijkse adviezen zijn steeds meer een brevet van toekomstig onvermogen. Niemand neemt de Raad voor Cultuur nog serieus, niemand neemt kunstenaars nog serieus die zich in steeds vreemdere bochten wringen om dit college naar de mond te praten. Het probleem is alleen dat ook hun moediger vakbroeders hieronder lijden. Zoals Macha Roesink, die De Paviljoens in Almere al jaren overeind weet te houden op een slof en een ouwe voetbalschoen, in een niet bijster kunstenvriendelijke omgeving. De Raad prijst haar het graf in: zij raakt haar rijkssubsidie kwijt.

Het is niet goed in te zien hoe het huidige verdeelcircus weer aan prestige zou kunnen winnen. Als beide partijen deze vertoning blijven opvoeren, door politici in steeds kleinere cirkels gedwongen, zal het systeem vanzelf imploderen.

Misschien is er geen andere oplossing. Maar de collateral damage zal aanzienlijk zijn.