Het déjà-vu van Henri – Rode Kruis – Dunant

Zakdoekje leggen op Lesbos

Dagelijks zetten honderden vluchtelingen voet aan wal op het Griekse Lesbos. Toeristen, expats en vrijwilligers ontfermen zich over hen, want anders dan bij andere humanitaire crises schitteren de grote hulporganisaties door afwezigheid.

Medium hh 50532660

Maar liefst twee artsen verzorgen de blaar op de kleine teen van de vluchteling die zojuist op Lesbos aan land sprong. De ene houdt het been van de jongeman omhoog, de andere is met een fles jodium in de weer. De artsen, beiden uit Nederland, konden de beelden van de vluchtelingen elke dag op het NOS Journaal niet meer aanzien en besloten hun vakantiedagen aan hulp te besteden. ‘Ze zijn vooral moe en bang als ze aankomen’, zegt arts Harm Knol uit Dedemsvaart. Zijn behandeling bestaat uit geruststellen. Ga even lekker onder die boom zitten om bij te komen, zegt hij tegen de mensen. ‘U bent veilig hier.’

Over het ongeasfalteerde pad boven de stranden tussen Eftalou en Skala Sikaminias komen dozijnen nieuwe vluchtelingen aangelopen en op zeventig meter afstand van Harm Knols medische postje legt al wéér een propvolle rubberen boot uit Turkije aan. Juichend rukken de passagiers hun zwemvesten los en gooien die in de lucht. Behalve met de humanitaire ramp kampt Lesbos inmiddels ook met een milieuramp. De zee en Lesbos’ stranden liggen vol afgedankte reddingsvesten en lek gestoken rubberen boten.

Dick Norg, smid van hang- en sluitwerk in het Groningse Baflo, is eigenlijk ook op vakantie, maar achter een op het strand geïmproviseerde keukentafel smeert hij elke dag stapels boterhammen voor de vluchtelingen. Meelevende Bafloërs gaven hem spontaan geld mee toen ze hoorden dat hij een reis naar Lesbos had geboekt. ‘Het is verschrikkelijk wat die mensen allemaal doormaken’, zegt hij. ‘U mag best weten dat ik ervan heb gehuild.’

Verderop op het strand deelt een Belgische mevrouw aan Syrische en Afghaanse moeders droge babykleertjes uit, naar Lesbos opgestuurd door meelevende moeders in Nederland en Denemarken. Een toerist uit Duitsland tilt een krat appels uit de kofferbak van zijn huurautootje. Iemand anders deelt bananen en flesjes water aan de vluchtelingen uit.

De jongeman krijgt van de twee artsen uit Nederland een mooie roze pleister voor op zijn blaar. ‘I love you’, zegt hij dankbaar. ‘I love you’, antwoordt Knol.

Op de warme zeebries zweven zeepbellen voorbij. Twee damesclowns van een ngo die Global Clowning heet namen uit Nederland busjes bellenblaas, ballonnen en verjaardagshoedjes mee en ze spelen annemaria koekoek en zakdoekje leggen met vluchtelingenkinderen op het strand. De kleintjes, nog maar net aan land getild, lachen zich een kriek. Ouders kijken vanonder de boom dankbaar toe en happen in Norgs boterhammen. De ene clown heeft een kikkermuts op haar hoofd. Ze wrijft haar rode feestneus teder tegen het wipneusje van een Syrisch jongetje. ‘I love you’, zegt een kleuter tegen de andere clown, die in haar rode pofbroek een rondedansje maakt. ‘And I love you’, zegt de clown. ‘Welcome in Europe!’ lacht Harm Knol breed.

Zoveel mogelijk vluchtelingen op krukken, in rolstoelen, blinden, bejaarden, hoogzwangeren en zieken krijgen van hulpvaardige toeristen en expats een lift, maar een stoet van twee- à drieduizend man loopt dagelijks van het strand van Eftalou de vijf kilometer naar het minuscule havenstadje Molyvos, met (’s winters) zevenhonderd inwoners.

‘In deze fase heeft het nog wel wat van de avondvierdaagse’, zegt Thom. Hij verhuisde elf jaar geleden van Nederland naar Molyvos en exploiteert een guesthouse. We rijden in zijn jeepje langs vrolijk zwaaiende nieuw aangekomenen met kinderen op hun schouders en met rugzakken waar het zeewater uit druipt. Een groep Syrische tieners die samen oplopen joelen ‘waar is de McDonald’s’. ‘Na de hartelijke ontvangst op het strand denken ze in het beloofde land te zijn aangekomen. Ik vertel ze nooit wat ze vanaf nu te wachten staat. Ik gun ze het moment’, zegt Thom.

De bushalte in de hoofdstraat van Molyvos is het verzamelpunt. Vluchtelingen gaan ervan uit dat hiervandaan een bus naar Lesbos’ hoofdstad Mytilini vertrekt, waar ze zich door de politie moeten laten registreren. Twee keer per dag komt er inderdaad een bus, de lijndienst, maar vluchtelingen mogen niet instappen. ‘Omdat u illegaal bent’, legt een blonde dame uit aan een groep vluchtelingen uit Syrië en Irak. ‘Als de buschauffeur u vervoert, is hij een mensensmokkelaar en kunnen ze hem arresteren.’

Hannelouise Kissow is huisarts in Kopenhagen. Ook zij nam haar vrije dagen op en reisde naar Lesbos om te helpen. Doktertje spelen op de openbare weg mocht niet van de politie. Ze werd met arrestatie bedreigd. Om toch íets te doen, sjouwt ze tussen de vluchtelingen rond met de tas tweedehands kinderkleertjes die ze meenam uit Kopenhagen.

‘Ze denken in het beloofde land te zijn aangekomen. Ik vertel ze nooit wat ze vanaf nu te wachten staat’

‘Taxi?’ vraagt een vluchteling.

‘Mag ook niet’, zegt Kissow. ‘U moet zich eerst in Mytilini laten registreren. Pas dan mag u in een bus of taxi.’

‘Waar is Mytilini?’ vraagt de vluchteling.

‘Zeventig kilometer die kant op’, wijst Kissow.

Soms komt er een bus naar Molyvos waar vluchtelingen wél in mogen, van de organisatie International Rescue Committee (irc). Maar soms ook niet. En soms drie tegelijk. Vandaag heeft Kissow er niet één gezien.

‘Ik heb kleine kinderen, die kunnen niet zeventig kilometer lopen. Waar vind ik een hotel?’ vraagt de vluchteling.

‘U mag niet in een hotel. Orders van de Griekse regering’, zegt Kissow.

‘Maar ik heb geld!’ zegt de vluchteling.

‘Maakt niet uit.’

‘Waar slapen mijn kinderen dan?’

‘U bevindt zich hier.’ Ik wijs Molyvos aan. ‘U moet dáár naartoe. En dan met een boot naar Athene’

‘Onder een olijfboom, op de stoep, waar u maar een plekje vindt’, zegt Kissow.

Ze houdt het voor gezien voor deze dag. Voor haar gevoel heeft ze vandaag al duizend mensen moeten vernederen met het bericht dat ze niks mogen en hier op de stoep moeten zitten met hun kinderen en dat bejaarden moeten wachten tot er misschien een bus voor ze komt. Dat moet toch beter geregeld kunnen worden in ons beschaafde Europa, vindt ze. En ze is boos dat zíj degene is die het de vluchtelingen allemaal moet uitleggen. ‘Ik heb hier nog nooit één Griek gezien, behalve om mij te bedreigen. Stonden er een paar mannen uit het dorp tegen me te snauwen dat ik al die vluchtelingen hier weg moest halen, wég, wég van onze stoep, deden ze met hun handen. Waarheen dan? En hoezo moet ík dat doen? Alsof het míjn vluchtelingen zijn.’

Ze laat haar tas kinderkleertjes tussen twee vluchtelingenfamilies achter en loopt weg in de richting van Molyvos’ taverna’s op het strand. Ik blijf achter bij de bushalte waar vandaag geen bus is gesignaleerd. Een half uur lang ben ik in mijn eentje de poort naar Europa.

‘Athene?’ vraagt een Afghaan die net met zijn familie uit Eftalou is komen aanlopen. Hij heeft geen idee waar ze zijn. Ik vouw het plattegrondje uit dat ik kreeg van het toeristenbureau. ‘U bevindt zich hier.’ Ik wijs Molyvos aan. ‘U moet dáár naartoe.’ Ik wijs naar Mytilini aan de andere kant van het eiland. ‘En dan met een boot naar Athene.’ Mensen, gedroogd zeezout in hun baarden en aan hun haarwortels gekoekt, stuwen om me heen. ‘Hongarije?’ vraagt er een. ‘Toilet?’ ‘Ziekenhuis?’ ‘Registration?’

Een paar gehelmde mountainbikesters in neonkleurig lycra en met sixpacks waterflessen van anderhalve liter aan hun fietsstuur denken ook dat ik Europa’s humanitaire coördinator wel zal zijn. Andere mogelijke kandidaten zijn er niet. Ze zetten de petflessen aan mijn voeten en zeggen dat ik het water mag distribueren onder vluchtelingen die het ’t hardst nodig hebben.

Ik geef mijn plattegrondje weg, wens de mensen om me heen veel geluk en maak me los uit de kluwen. Honderd meter van de bushalte, voorbij de volgende bocht, zijn er souvenirwinkels, juice-bars, tubes zonnebrandcrème in iedere gewenste beschermingsfactor, ansichtkaarten en zwembandjes. Europa zoals het wél hoort.

Struikel je in grote humanitaire crises gewoonlijk over de internationale hulporganisaties – een paar honderd in één ramp is niet ongebruikelijk –, in deze grootste vluchtelingenramp in de moderne Europese geschiedenis blijven ze massaal thuis. De enige logo’s die ik zie op vlaggen en autoportieren zijn van lokale autoverhuurbedrijven. Op de achterbanken van Toyotaatjes van Billy’s Rent a Car vervoeren hulpvaardige toeristen uitgeputte vluchtelingenfamilies en vanuit de achterbakken van de Daihatsu’s van Best Rent a Car delen de helpers water en brood aan de hongerigen uit. Behalve de goedertierenheid van eilandbezoekers en expats konden de 330.000 vluchtelingen die dit jaar al op de Griekse eilanden aanmeerden op weinig of niets rekenen. Als de vakantiedagen op zijn of als de expats de puf of de middelen niet meer hebben om te helpen, hangt het leven van de vluchtelingen af van het lot.

Op het eiland Leros, net als Lesbos niet ver van Turkije, meren elke dag honderden vluchtelingen aan. Ook daar is geen Rode Kruis, VN, of Griekse of Europese hulp. Er is één wc geregeld en die lekt, melden vrijwilligers. Net als op Lesbos zijn de vluchtelingen overgeleverd aan een lokale bevolking en een groep bezoekers die in hun vakantiedagen doen wat ze kunnen. De vluchtelingen op Leros boffen dat een van die vrijwilligers de moeder is van Sanne Wallis de Vries, die collega’s als Brigitte Kaandorp en Henny Vrienten mobiliseerde voor een benefiet op 11 oktober in de Kleine Komedie in Amsterdam. Van de verwachte opbrengst kunnen de vrijwilligers wc-papier, schoon ondergoed, babymelk, fruit, rugtassen en maandverband voor de vluchtelingen kopen.

Niet alleen de overheid in Griekenland laat het afweten. In alle doorgangslanden zijn de vluchtelingen in handen van toevallige samaritanen. Journaliste @Faloulah signaleerde onlangs drieduizend vluchtelingen midden in de nacht bij de Grieks-Macedonische grens. Ze tweette: ‘Er waren alleen vrijwilligers om ze te helpen.’ Bij de Servisch-Kroatische grens zag een twitteraar tweeduizend vluchtelingen. ‘Kinderen lopen kilometers op blote voeten in de regen. Er zijn alleen wat vrijwilligers.’

Hulp bij humanitaire rampen in EU-lidstaten is de verantwoordelijkheid van de betreffende landen zelf. Hulporganisaties uit buitenlanden zouden spontaan kunnen aanbieden om te komen, maar doen dat in deze ramp niet of nauwelijks. Het ligt politiek te gevoelig. Hulporganisaties die een goede relatie willen blijven houden met Europese regeringen en de EU, hun belangrijkste donoren, gaan beter mee in het beleid van die donoren. Dat beleid luidt: vluchtelingen moeten opgevangen worden ‘in de regio’. Hulp bieden in Europa zelf kan een aanzuigende werking hebben, is de redenering.

‘Grieken laten vluchtelingen met genoegen over aan buitenlanders.’ Net als de verwaarloosde zwerfkatten

Wat Tineke Ceelen van de Stichting Vluchteling naar haar hoofd kreeg toen ze in juni besloot geld in te zamelen voor vluchtelingen op Lesbos wil ik niet weten, zegt ze. ‘Mijn Twitter-account stroomde vol met beledigingen en doodsbedreigingen, ik ben voor hoer en landverrader uitgemaakt, kreeg een fotocollage toegestuurd van afgehakte hoofden met het mijne erbij.’ Ook bij het Nederlandse publiek lagen deze vluchtelingen nogal gevoelig, wil ze maar zeggen. Maar Ceelen buigt het hoofd nooit voor ‘sneue, kleinzielige, anonieme zielepieten’ en ze zamelde onder haar vaste donateurs 320.000 euro in voor een opknapbeurt van het doorgangskamp Kara Tepe in Mytilini. Dat kamp was het ergste wat ze in jaren had gezien, ‘kampen in Afrika meegerekend’. Tienduizenden vluchtelingen moesten zich er registreren, er waren geen toiletten en geen douches, en behalve bij bescheiden medische hulpposten van Médecins sans Frontières (msf) en Médecins du Monde en bij toeristen en een handvol lokale vrijwilligers konden ze nergens terecht voor hulp.

Met slechts vier à vijf mensen van partnerorganisatie International Rescue Committee aan de grond om de ingezamelde 320.000 euro te besteden – minder dan een euro voor elke vluchteling die Griekenland in 2015 tot nu toe doorkruiste – was de Stichting Vluchteling in één klap de grootste humanitaire speler op het eiland. Het Nederlandse Cordaid bijvoorbeeld besteedde tot nu honderdduizend euro aan de vluchtelingen op Europese bodem, de helft daarvan in Griekenland. Dat komt neer op zestien cent per vluchteling tot nu toe dit jaar in Griekenland. De multinationale miljoenenorganisatie Mercy Corps was ook even op Lesbos.

In Molyvos kwam ik een mevrouw tegen die voor Mercy Corps werkte. Ze was er voor een paar dagen met een collega om de situatie in ogenschouw te nemen en had flesjes water uitgedeeld op het strand. De volgende dag zouden ze al weer weggaan en de mevrouw wist niet of Mercy Corps nog zou terugkomen. Twee heren van een organisatie die Islam Aid heet liepen ook rond tussen de vluchtelingen in Molyvos. Ze deden wat ze konden om te helpen en bleven twee weken, zeiden ze. Om ‘religieuze redenen’ mochten ze me geen hand geven, dus ik vrees dat het duo weinig vrouwen uit bootjes heeft getild of vrouwenvoeten met pleisters heeft beplakt.

Het grootste deel van het door Tineke Ceelen ingezamelde geld is op gegaan aan de bussen die zoveel mogelijk vluchtelingen de wandeling van zeventig kilometer van Molyvos naar Mytilini moesten besparen. De rest besteedde partnerorganisatie irc samen met msf aan verbeteringen in Kara Tepe. Er kwamen bijvoorbeeld douches en toiletten. De Stichting Vluchteling wil de hulp op Lesbos nog uitbreiden voordat de winter ook op Lesbos invalt.

‘De Grieken laten de vluchtelingen met genoegen aan buitenlanders over’, zegt Thom. Net als de schurftige en verwaarloosde zwerfkatten op het eiland: die kwamen ook altijd al voor rekening van de expats.

Medium hh 50532650

Europa is met z’n management van deze vluchtelingencrisis 159 jaar terug in de tijd gezakt, naar de tijd van Henri Dunant, toen professionele humanitaire hulpverlening nog moest worden uitgevonden. De Geneefse zakenman was in 1859 bij toeval getuige van de Slag bij Solferino in Italië tijdens de oorlog van Italië en Frankrijk tegen Oostenrijk. Van de driehonderdduizend manschappen aan het front sneuvelden er veertigduizend. Nog eens veertigduizend raakten gewond en bleven op het slagveld achter. Bevelvoerders waren gedecoreerde veldmaarschalken, edele prinsen en zelfs een keizer, Napoleon III, maar die waren te zuinig en ongeïnteresseerd geweest om de medische hulp voor hun troepen fatsoenlijk te regelen. Gewonden werden overgelaten aan de inwoners van Solferino en aan toevallige passanten die het leed niet konden aanzien en in de weer gingen met verbanden.

Ze sjouwden de overlevenden naar stallen, kerken en kloosters en assisteerden een handjevol dorpsartsen bij het amputeren van ledematen. Dunant kreeg een groep vrijwilligers bij elkaar, bestaande uit ‘edele filantropen’ en voor de gelegenheid opgerichte ‘damescomités’, die van slachtoffer tot slachtoffer gingen met flessen schoon drinkwater. Dunant regelde ook ketels soep en hij voorzag de vrijwilligers van grote balen katoenpluksel, dat ze konden gebruiken om wonden mee uit te wassen. Uit een verderop gelegen stad liet hij voor eigen rekening medicijnen, hemden en sinaasappels aanrukken. Elk huis in de omgeving veranderde in een kliniekje of een gaarkeuken. Mensen brachten soep rond, schreven namens stervende soldaten afscheidsbrieven aan families en klopten troostend op bebloede handen.

Ze bedoelden het goed, schreef Dunant drie jaar na dato in zijn boek Un souvenir de Solferino, maar de helpers waren uiteindelijk ‘geïsoleerde enthousiastelingen’ die ‘verstrooide inspanningen’ pleegden. Degenen met verstand van zaken hadden geen tijd om het advies en de leiding te geven waaraan enorme behoefte was en de amateurs die ‘vanuit hun eigen goedheid te werk wilden ontbrak het aan kennis en ervaring, zodat hun inspanningen ontoereikend en vaak zonder resultaat bleven’. Na een week begon het enthousiasme van de vrijwilligers bovendien al weer te tanen. Ze raakten afgemat of moesten nodig weer eens aan hun échte werk.

‘Ach’, verzuchtte Dunant, ‘hoe waardevol zou het zijn geweest om honderden ervaren en goed opgeleide vrijwilligers te hebben gehad! Een dergelijke groep zou een kern hebben gevormd waaromheen de schaarse hulp georganiseerd had kunnen worden.’

‘Die VN-hoofden willen na deze baan wéér een VN-baan, en die krijgen ze niet als ze VN-lidstaten ontstemmen’

Terug in Zwitserland lobbyde hij voor de oprichting van zo’n beweging. Het Internationale Comité van het Rode Kruis zag het licht. De principes van de organisatie worden door 189 landen, inclusief alle EU-lidstaten, onderschreven.

In de ‘grootste vluchtelingencrisis in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog’ zijn langs de vluchtelingenroutes zo goed als nergens professionele hulpverleners te zien, met uitzondering van met name msf, Médecins du Monde en het irc. Slachtoffers zijn in beginsel weer overgeleverd aan oprecht ontdane ‘damescomités’ en ‘edele filantropen’, die voor boterhammen, droge sokken en pleisters zorgen, zolang hun vrije dagen nog niet op zijn en sympathisanten bereid blijven ze wat geld te sturen.

Waar is de unhcr toch? vragen de filantropen op Lesbos zich telkens af als ze weer overweldigd zijn door een paar duizend dorstige en hongerige vluchtelingen in Molyvos. In de lente begon de vluchtelingenstroom in aantallen te escaleren. Nu, tegen de herfst, heeft de VN-vluchtelingenorganisatie, met een karige man of tien aanwezig op Lesbos, twee handen vol tenten in Kara Tepe weten te bouwen en eindelijk ook één tent voor vluchtelingen in Molyvos. De verdere bemoeienis van de unhcr met de vluchtelingen op Europees grondgebied beperkt zich tot nauwelijks hoorbaar gepruttel vanaf de zijlijn. Nu en dan verklaart de organisatie ‘geschokt’ te zijn over de ramp die zich aan Europa’s zuidelijke grenzen voltrekt en roept Europese autoriteiten beleefd op om maatregelen te nemen.

Het oordeel van VN-kenners over de daadkracht van de unhcr is in de afgelopen maanden niet mals geweest. Voormalig medewerkster Sylvana Foa, ooit door de unhcr ingehuurd als imago-adviseur, legde in een interview met Reuters uit dat hoofden van VN-organisaties graag ‘schattig hartverwarmende filmpjes’ laten zien over individuele vluchtelingen, veel liever dan dat ze regeringen aanvuren om hun verantwoordelijkheid te nemen. ‘Die VN-hoofden willen na deze baan wéér een VN-baan, en die krijgen ze niet als ze VN-lidstaten ontstemmen.’

Op 24 september kreeg de unhcr door EU-lidstaten een toezegging van 1,1 miljard euro extra om de ‘vluchtelingenopvang in de regio’ te verbeteren, zodat vluchtelingen dáár een toekomst kunnen opbouwen en niet meer naar híer hoeven te komen. De unhcr had in het belang van de vluchtelingen ‘in de regio’ tegen die 1,1 miljard in opstand moeten komen, want het bedrag komt niet eens in de buurt van wat de organisatie nodig heeft om ‘de regio’ leefbaarder te maken. Vóór de toezegging kwam de unhcr voor die immense opdracht al ten minste 2,7 miljard dollar te kort voor het jaar 2015. Met de 1,1 miljard ‘extra’ blijft de unhcr gewoon in de rode cijfers. De unhcr moet het extra EU-geld bovendien delen met het World Food Programme, dat voor september en oktober 2015 ook al 149 miljoen dollar tekortkomt. Voor hulp aan de vluchtelingen die al in Europa zijn krijgen unhcr en wfp zo goed als niets. En voor hulpprogramma’s in 2016 is door lidstaten nog niets toegezegd.

Als ‘edele filantroop’ kun je je in Molyvos voor een uur, een dag, een week, of zolang je wilt, aansluiten bij de losse club Help for Refugees, waarvan de kern een voortdurend van samenstelling wisselend groepje studenten, backpackers en expats is, dat verzamelt in het restaurant Captain’s Table in Molyvos. Ze doen moedige pogingen om hulp die uit heel Europa spontaan wordt aangeboden te coördineren vanaf de veranda van het restaurant. Captain’s Table is ook het adres waar non stop dozijnen postdozen vol babykleertjes, warme mutsen en slaapzakken voor de vluchtelingen worden bezorgd. Het uitpakken van de dozen, sorteren van de inhoud, opvouwen van kleding, schoenen bij elkaar zoeken en ontvangen en bijpraten van nieuwe vrijwilligers, kost de club vele uren per dag.

En dan moeten ze zich ook nog buigen over de inhoud van alle tassen en koffers die vakantiegangers trots de hele dag door aanbieden. En dan is er nog de warme betrokkenheid van de reisorganisaties die op Lesbos opereren. De ene nodigt klanten uit om zonder bijbetaling een extra volle koffer met spullen voor vluchtelingen mee te nemen, de andere, Corendon bijvoorbeeld, moedigt klanten aan om voor de thuisreis op het vliegveld hun halflege tubes tandpasta, overgebleven shampoo en T-shirts die ze kunnen missen bij de Corendon-balie in te leveren. Dan zorgt Corendon dat het op de goede plaats terechtkomt. In Captain’s Table, denk ik.

Nee zeggen tegen nieuwe vrijwilligers, en ‘we hebben genoeg’ tegen al die mensen die spullen brengen en sturen, durven de helpers op Lesbos niet echt, want dan kan het gulle geefklimaat maar zo omslaan en sta je straks met lege handen en een lege kas.

Passanten op het eiland kunnen ook meedoen met de voor de gelegenheid opgerichte Stichting Bootvluchteling, dat probeert een medische opvangpost op Lesbos’ strand draaiende te houden met onbetaalde vrijwilligers zoals huisarts Knol uit Dedemsvaart. Zijn Knols vakantiedagen op, dan hoopt de stichting een nieuwe vrijwilliger te vinden.

Aan het uithoudingsvermogen van de vrijwilligers zit een grens. Expat Thom besteedt ten minste vijf uur per dag aan de vluchtelingen. Boven op zijn eigen werk. ’s Ochtends maakt hij snel de ontbijtjes voor zijn hotelgasten, dan maakt hij de kamers aan kant en dan hup, stort hij zich weer op het hulpwerk: bejaarden en baby’s uit bootjes tillen, zieken en gewonden heen en weer rijden, voedsel en water aansjouwen vanuit de Liddle in Mytilini. ‘Ik ben al eens ingestort. Ik was zes kilo afgevallen en was toch al niet zwaar.’ Veel vrijwilligers zitten op het randje, zegt hij. ‘Lontjes worden korter. Maar je kunt de vluchtelingen niet gewoon maar laten barsten. Ze steken echt niet over omdat de macaroni hier lekkerder is.’

‘Je kunt de vluchtelingen niet gewoon maar laten barsten. Ze steken echt niet over omdat de macaroni hier lekkerder is’

Hij ziet de winter met vrees tegemoet, voor het eerst in zijn elf jaren op Lesbos. ‘’s Winters verdienen we niks. We hadden het geld deze zomer moeten verdienen, maar we kregen veel afzeggingen. Eerst waren er de verhalen over lege pinautomaten. Nu de vluchtelingen. Iedereens financiële reserves zijn op en onbetaalde rekeningen wachten op de deurmat.’

Zonder de vluchtelingen zat het land ook al in zwaar weer. Honderdduizend jonge Grieken vertrokken in de afgelopen vier jaar naar West-Europa om werk te vinden, net als de vluchtelingen in de rubberboten. En ook voor arme Grieken smeren vrijwilligers dag in dag uit stapels boterhammen.

Een Griek met een ijsje slentert langs door hitte bevangen kinderen. ’s Middags bereikt het nieuws mobieltjes op de stoep in Molyvos: Duitsland voert de grenscontrole weer in, een week nadat het de poorten opende voor vluchtelingen. Elke burgemeester wil graag een goede Duitser zijn, zo lang de vluchtelingen maar niet in zíjn sportzaal gestopt worden. Een acht maanden zwangere vrouw uit Damascus, vanochtend in een rubberboot aangekomen, wil dóór, zo snel mogelijk door de laatste gaatjes in de grenzen. Doe dat nou niet, heeft Thom gezegd, want straks lig je ergens voor een rol prikkeldraad te bevallen. Maar nee, ze móet en zal door.

Het is een graad of 35. Ieder plekje in de smalle streep schaduw van de olijfbomen langs de stoep is door vluchtelingen bezet. Oude en jonge mensen, baby’s en kleuters zitten en liggen door elkaar tussen lege Doritos-zakken, uitgelepelde blikjes sardines en lege petflessen, op aluminium reddingsdekentjes en stukjes afvalkarton. Kleding en schoenen hangen aan het hek van de olijfboer te drogen. Het zijn misschien al duizend mensen, maar vanaf de kustweg kun je al weer tien volgende rubberboten op Lesbos zien aankoersen. De eigenaar van het autoverhuurbedrijf naast de bushalte was het vanochtend zat: hij richtte een tuinslang op de vluchtelingen en spoot ze van zijn gazonnetje af, terug de hete kasseien op.

Steeds meer vluchtelingen komen van het strand de straat in lopen en wurmen zich tussen de menigte die er al zit. Een toeristenechtpaar kocht zo’n beetje alle zonnepetjes en parapluutjes op die ze in het dorp konden vinden en deelden die uit. Het geeft de menigte van vandaag een vrolijker aanblik, maar onder de oranje en gele petjes en pluutjes groeit onrust. Oververmoeide kinderen huilen en geven over. Moeders dwalen met kleuters en peuters aan de hand door de berm op zoek naar een plekje om ze te laten plassen en poepen. Als er eindelijk één bus voor de vluchtelingen stopt, wil iedereen er tegelijk in. ‘Hungary! Hungary!’ schreeuwen mensen. Ze ellenbogen en stompen elkaar, trekken elkaar voor de deur weg en gooien vrouwen en kinderen op de grond.

De bus rijdt leeg weg, achter een volle touringcar aan, met dagjesmensen op weg naar de ouzostokerijen in Plomári. Een ploegje nordic walkers, pezige oudere echtparen met verrekijkers om hun nek, marcheert langs de vluchtelingenrijen, stug voor zich uit kijkend. Geïrriteerd klingelend perst een toeristentreintje zich door de menigte, drie babyblauwe open wagonnetjes voortgetrokken door een als locomotiefje vermomde tractor. Uit een intercom boven de hoofden van de passagiers klinkt het duo Cindy Bert met hun schlager uit 1973: ‘Immer wieder sonntags kommt die Erinnerung (diewiediewiediep diep)/ Ich hör’ die Bouzoukis spielen/ G’rade so wie in der Sonntagnacht/ Als das Glück uns zwei nach Haus’ gebracht.’

De toeristen maken foto’s van de vluchtelingen en waarom ook niet? De miserabelen hangen, liggen, huilen en knokken met elkaar, open en bloot op een openbare weg, overgeleverd aan de luimen van passanten en lokaal volk. Sommige toeristen zwaaien naar de vluchtelingen.

De clown met de rode pofbroek gaat met een vluchtelingenmevrouw op zoek naar een dokter. Kennelijk denkt de clown er ergens een te kunnen vinden. De andere clown, met kikkermuts, feestneus aan een elastiekje onder haar kin, deelt knuffelbeestjes uit. Moeders en kinderen bespringen haar. ‘Zo, die zijn tenminste op’, zegt ze als ze na een minuut uit de kluwen verrijst.

Eenmaal in Athene beginnen de wegen van vluchtelingen zich te scheiden. Veertig procent van de 330.000 vluchtelingen die Griekenland dit jaar tot nu toe doorkruisten was Syriër. Veel van hen hebben genoeg geld om snel hun weg te vinden door Macedonië, Servië en Kroatië. Vluchtelingen zonder geld hompelen achter de kopgroepen aan, afhankelijk van de goedgeefsheid van voorbijgangers die hun lijden niet kunnen aanzien. Op hun tocht van de Griekse eilanden naar West-Europa stranden in Athene elke dag weer nieuwe Afghanen, Irakezen, Iraniërs, Pakistani, Bangladeshi, Palestijnen, Congolezen, Nigerianen, Kameroenezen, Eritreeërs, Ethiopiërs, Somaliërs en Soedanezen – honderden in getal. Vanaf het eiland Kos is ook al ten minste een dozijn Birmezen naar het Westen onderweg. Een bescheiden doorgangskamp in de stad zit permanent bomvol. Wie er niet meer bij past, leeft onder lappen en op stukjes karton op straten en in parkjes. Water moeten de vluchtelingen in winkels kopen of van iemand krijgen, toiletten of douches zijn er niet.

1433 kilometer verderop, aan de grens tussen Servië en Kroatië, waart nog steeds de geest van Henri Dunant en de Slag bij Solferino. Zelfs nadat sinds de lente tienduizenden vluchtelingen deze plek al gepasseerd zijn, doen overheden nog steeds niets. Op 25 september bereikte de zoveelste groep stakkers te voet het grensdorp Opatovac, midden in de nacht opgewacht door weer zo’n ‘damescomité’ waarvan Dunant de nadelen al lang aan de wereld duidelijk had gemaakt. Een van die vrijwilligers plaatste een s.o.s. op Facebook: ‘… het regent, drieduizend mensen … kinderen drijfnat … families zijn elkaar kwijt … er is geen registratie meer, er is niets meer … politiemannen huilen en helpen kinderen droge kleren aan te trekken … niemand weet het meer … vandaag huilde ik als een klein kind … ik kan er niet meer naar kijken, naar die kinderen …’

Rajko Ostojic, de Kroatische minister van Binnenlandse Zaken, kwam naar Opatovac om de situatie te aanschouwen en barstte ook in tranen uit, schrijft de vrijwilliger. Het waren de krokodillentranen van Europa anno 2015.


Linda Polman publiceerde onder meer het veel geprezen De crisiskaravaan: Achter de schermen van de noodhulpindustrie


Beeld: (1) Vluchtelingen komen bij het dorp Skala Sikamineas in Lesbos aan land. Dan moeten ze nog kilometers lopen naar de hoofdstad Mytilini om zich te registreren en verder te kunnen reizen; (2) Vluchtelingen wachten om geregistreerd te worden. Mensen slapen buiten in parken en op de grond, er zijn geen toiletten en wasvoorzieningen en de temperaturen zijn hoog.