‘Zal ik de zee zien vanuit mijn kamer?’

Charles Baudelaire, die tweehonderd jaar geleden werd geboren, komt in zijn brieven naar voren als een man van tegenstrijdigheden. Zijn handschrift legt niet alleen zijn karakter bloot, maar werpt ook nieuw licht op een ongepubliceerd gedicht.

Charles Baudelaire in 1855 door Félix Nadar © Musée d’Orsay Paris / Getty Images

Op 9 april van dit jaar is het precies tweehonderd jaar geleden dat Charles Baudelaire in Parijs ter wereld kwam. Zijn meesterwerk Les fleurs du mal (1857), dat algemeen wordt beschouwd als het begin van de moderne poëzie, is inmiddels meer dan anderhalve eeuw oud, maar klinkt aanmerkelijk jonger. In honderdvijftig sonnetten haalde Baudelaire de grote stad de poëzie binnen, mét alles wat die aan lelijks en verderfelijks in zich droeg – pal na de romantici die voornamelijk de natuur en hun eigen echo daarin bezongen. Baudelaire durfde gewaagde thema’s te kiezen (wat hem een rechterlijke veroordeling opleverde) in gedichten waarin vooral de schoonheid van de poëzie zelf centraal moest staan.

Door de eeuwen heen heeft Baudelaire veel kunstenaars van verschillende disciplines geïnspireerd, zoals muziek en schilderkunst (in ons land recent nog Marlene Dumas). Daarbij lijkt niet alleen zijn werk, maar ook zijn levensloop en zijn anti-burgerlijke houding kunstenaars nog steeds aan te spreken. Net als Vincent van Gogh heeft hij zijn plaats als kunstenaar nadrukkelijk moeten bevechten, tegen de sociale, morele en financiële stroom in. Twee belangrijke botsingen hebben hem daarbij nog meer in de underdog-positie gedrongen: allereerst de botsing met de verwachtingen van zijn ouders, über-bourgeois in hun gerichtheid op respectabiliteit en geld, die hem op zijn 23ste onder curatele lieten plaatsen. Daarnaast was er de botsing met de hele burgerlijke maatschappij, die zijn ‘bloemen van het kwaad’, zo lang en zo zorgvuldig gekweekt, in de knop brak en bestrafte met een veroordeling van zes gedichten, wegens aantasting van de goede zeden. Deze twee ingrepen van buitenaf hebben Baudelaire diep gekrenkt, maar hem niet doen afwijken van zijn streven: leven voor de poëzie.

De afgelopen jaren werkte ik aan een Privédomein-uitgave gewijd aan Baudelaire’s correspondentie, Mijn hoofd is een zieke vulkaan. In totaal schreef Baudelaire vijftienhonderd brieven, waarvan een kwart aan zijn moeder, en een aanzienlijk deel aan kunstbroeders als Gustave Flaubert, Édouard Manet en Victor Hugo. In deze brieven komt Baudelaire naar voren als iemand die niet alleen gebukt ging onder praktische, financiële, psychologische en medische beslommeringen, maar ook iemand die veel tegenstrijdigheden in zijn karakter verenigde: hij was zeer ambitieus, maar had tegelijkertijd een slechte discipline, waardoor veel plannen nooit van de grond kwamen. Daarnaast was hij tegelijk loyaal en egoïstisch: zijn geliefde Jeanne bleef hij na hun breuk financieel ondersteunen terwijl hij er zelf belabberd voorstond, maar anderzijds snauwde hij zijn vriend Édouard Manet af toen die zijn hart uitstortte over de tegenstand die zijn schilderijen oogstten: ‘De mensen lachen u uit; hun grappen ergeren u; men doet u geen recht, enz. enz. Denkt u dat u de eerste bent die dit meemaakt?’ Baudelaire had het al moeilijk genoeg met zijn eigen sores, zo lijkt het, om ook anderen te kunnen steunen. De Facebook-status ‘It’s complicated’ was zijn hele leven lang niet alleen van toepassing op zijn relatie, maar op zijn hele gevoelsleven.

Om dichter bij het leven en de persoonlijkheid van Baudelaire te komen, wilde ik tijdens het selecteren en vertalen van de brieven een paar originele handschriften inzien. Dat levert altijd verrassende inzichten op, heb ik door de jaren heen geleerd. Allereerst zag ik in de Archives de Paris de akte in waarmee Baudelaire in 1844 onder curatele werd geplaatst, een handgeschreven document ondertekend door zijn moeder, stiefvader, broer Alphonse en een handjevol familievrienden. Op zijn twintigste werd hij op de boot naar India gezet. Een kapitein van die boot doet verslag van de ‘onaangenaam klinkende’ denkbeelden die de jonge Charles erop nahoudt. Halverwege moet de kapitein de jonge dichter terug laten gaan; hij wil niet verder meereizen.

‘Zal ik de zee zien vanuit mijn kamer?’ © Bibliothèque nationale de France

Toen hij meerderjarig werd, begon Baudelaire de erfenis van zijn vader in rap tempo uit te geven, voornamelijk aan kunst, meubilair en bijzondere kleding. Nu grijpt zijn familie nog drastischer in: Charles wordt door een familieraad onder curatele geplaatst. De afdeling Manuscrits van de Bibliothèque Nationale heeft vijftig brieven van Baudelaire aan zijn moeder in bezit, die ik graag wilde raadplegen. Met haar deelde hij zijn diepste zielenroerselen, en ook vanwege zijn financiële afhankelijkheid was er een intensief briefverkeer. De sensatie van het zien van de originelen was groot, maar de betekenis voor het vertalen ook – groter dan ik verwacht had. Onderstrepingen en verzuchtingen komen in een handschrift veel sterker over dan in de Pléiade-deeltjes waaruit ik de meeste brieven vertaalde. ‘Zal ik de zee zien vanuit mijn kamer?’ Die onderstreepte vraag in een brief waarin Baudelaire zich voornam bij zijn moeder in Honfleur in te trekken, sprong er in zijn eigen krullenhandschrift ineens uit als heel dichterlijk; het was niet gewoon een vraag, het was het meest wezenlijke dat hij zich afvroeg over zijn nieuwe verblijf.

Op 27 februari 1858 schreef Baudelaire maar liefst zeven brieven aan zijn moeder, nadat hij had ontdekt dat zijn curator Narcisse Ancelle achter zijn rug om informatie was gaan inwinnen bij zijn hotelbaas. Baudelaire verbleef regelmatig in hotels en woonde, als rusteloze en (door schuldeisers opgejaagde) ziel, op maar liefst veertig verschillende adressen in Parijs. In een van de zeven brieven dreigt hij Ancelle ‘klappen te gaan geven voor de ogen van zijn vrouw en kinderen’, en wel ‘om vier uur (het is nu ½ drie)’. ‘Ik zweer dat dit een einde zal krijgen, en een afschuwelijk einde’, zo besluit hij de brief. De zin is op verschillende plekken tot wel zesmaal toe onderstreept. De brief was me in de boekuitgave niet zo opgevallen; de onderstrepingen waren daarin niet zichtbaar en konden alleen via sub-nootjes achterhaald worden. Pas door de brief zelf kwam ik in contact met de directe emotie, en Baudelaire’s cholerische persoonlijkheid.

Een van de boze brieven van Baudelaire aan zijn moeder op 27 februari 1858 © Bibliothèque nationale de France

Een heel ander opmerkelijk document vond ik in de Bibliothèque Littéraire Jacques Doucet, een kleine, verborgen schatkamer naast het Panthéon, die aan de achterkant overigens grenst aan het prestigieuze Lycée Louis-le-Grand, waar Baudelaire zijn middelbareschooltijd doorbracht, totdat hij eraf werd gestuurd omdat hij weigerde een briefje van een klasgenoot aan de leraar af te geven. In deze bibliotheek bevindt zich een aantal interessante handschriften van schrijvers. Van Baudelaire bezitten ze onder andere een gloedvolle brief aan Richard Wagner over diens opera Tannhäuser, en een brief waarin Baudelaire zijn uitgever Auguste Poulet-Malassis aanspoort de eerste druk van Les fleurs du mal te verstoppen, aangezien deze vanwege een dreigende rechtszaak in beslag genomen dreigt te worden: ‘Vlug, verberg de hele oplage, en verberg alles goed.’

Beide kenners waren het er uiteindelijk over eens dat het gedicht niet van Baudelaire kon zijn omdat het handschrift te veel afweek

Deze bijzondere brieven worden opmerkelijk genoeg bewaard in een vrij onooglijk klappertje, tussen zwaar vergeeld vloeipapier. In datzelfde klappertje vond ik ook andere paperassen die bij Baudelaire’s drukker vandaan kwamen, zoals notities, een lijstje met titels voor ‘nog te maken’ gedichten en zelfs een rijtje ‘eenvoudig te maken’ gedichten. Tussen dat allegaartje trok een handgeschreven gedicht mijn aandacht, aangezien het dezelfde titel had als Baudelaire’s verhandeling over verdovende middelen: Les paradis artificiels.

Omdat ik het gedicht nog nooit had gezien, ben ik er onderzoek naar gaan doen. In de jaren dertig van de vorige eeuw blijkt er kort een discussietje tussen twee Baudelaire-kenners (Jacques Crépet en Yves-Gérard Le Dantec) over te zijn gevoerd, waarna het door beiden als ‘niet van Baudelaire’ is weggezet. Crépet had het in 1923 aan Baudelaire toegeschreven, wat door Le Dantec werd betwist. Hij stelde dat het gedicht twee metrische tekortkomingen bezit, namelijk een cesuur midden in een woord (arti//ficiels) en na een stemloze klinker: rêves // divins (in de eerste twee verzen). Deze zwakke plekken zouden juist kunnen verklaren waarom Baudelaire het gedicht uiteindelijk niet in boekvorm heeft opgenomen.

Beide kenners waren het er uiteindelijk over eens dat het gedicht niet van Baudelaire kon zijn omdat het handschrift te veel afweek. Het gedicht is inderdaad opmerkelijk slordig geschreven. Maar wie goed kijkt, ziet dat de letters duidelijk de meest markante kenmerken van Baudelaire’s handschrift bezitten, bijvoorbeeld het consequente krulletje in de hoofdletters C en L, de volle en soepele f, het ‘omvergewaaide’ stokje van de d, het ‘afdakje’ van de hoofdletter P, en de lang ‘uitglijdende’ s. Iedereen kan dit vergelijken met brieven van Baudelaire die op internet te vinden zijn.

Deze frappante overeenkomsten zijn mij officieus bevestigd door twee handschriftkundigen, die beiden stelden dat het waarschijnlijker is dat het handschrift wél van Baudelaire is dan dat het niet zo is. (Een officieel onderzoek kost duizenden euro’s.) Een complicerende factor is dat Baudelaire een nogal wisselend handschrift had, waardoor definitief uitsluitsel misschien wel nooit mogelijk is, bleek uit het gesprek met de handschriftkundige. In brieven schreef Baudelaire beduidend netter dan in notities voor eigen gebruik, zoals er een aantal in het klappertje te vinden waren.

Het ongepubliceerde gedicht ‘Les Paradis artificiels’ © Bibliothèque Littéraire Jacques Doucet

Le Dantec stelt dat het handschrift (te) duidelijk laat zien dat iemand ‘zijn best heeft gedaan’. Maar als iemand het handschrift van Baudelaire wil imiteren en de karakteristieke kenmerken klaarblijkelijk goed kan reproduceren, zou die het gedicht dan zó atypisch slordig schrijven? Zou die niet een veiligere weg kiezen, in plaats van de aandacht te trekken met zo’n overdreven grote hoofdletter C aan het slot, of de slingerende eind-ss-en daar? De slordigheid lijkt me eerder een teken van authenticiteit dan van vervalsing.

En dit is nog los van de inhoudelijke argumenten, die natuurlijk het interessantst zijn. Want afgezien van de vraag wie er belang bij zou hebben om een namaakgedicht van Baudelaire tussen zijn paperassen te schuiven: wie zou zo’n gedicht kúnnen schrijven? Baudelaire’s eigenzinnige en vernieuwende poëzie imiteer je niet zomaar. Zo valt al lezende geleidelijk aan het grote aantal woorden met een negatieve betekenis op, kenmerkend voor Baudelaire, die zijn ogen niet sloot voor de lelijke kanten van het bestaan: âcre, mort, chagrins, ruiner, infidélité, trop aimé, impuissante, monstre, cruauté, noirs, anéanti, caprice, mensonge, débris, troublant, en zo nog een aantal.

Subtieler, en nóg specifieker baudelairiaans, is de combinatie van ‘spleen en ideaal’, naar de titel van een afdeling in zijn Bloemen van het kwaad (de titel van de bundel is er zelf ook een illustratie van): positieve en negatieve uitersten die aan elkaar verbonden worden in die spannende woordcombinaties: blondes fumées, noirs lendemains, monstres câlins, débris d’un rêve inachevé (blonde rookkringels, zwarte morgens, aanhalige monsters, brokstukken van een onvoltooide droom). De positieve woorden uit die combinaties hebben vaak met vervoering en vrouwen te maken, die samen het hoofdthema van het gedicht vormen: in de eerste versregel wordt in ‘blonde fumée’ de rookdamp voorgesteld als een vrouwenfiguur, gevolgd door woorden als ivre, enivrante, paradis, blonde, divin, beau, délicieux, excité, rêve. Het gedicht bevat zelfs een paar oxymorons, een vrij sterke en gewaagde stijlfiguur, redelijk zeldzaam, niet iets voor beginners: vivante mort, sommeil excité. En wat te denken van de verder onberispelijke versificatie en de muzikale alliteraties als versent la vie enivrante en câlins, caprice, cruauté?

In al deze stijlkenmerken wordt een thematiek onder woorden gebracht die haast van geen ander dan van Baudelaire afkomstig kan zijn: de roes van verdovende middelen – én vrouwen – wordt van twee kanten belicht: een goede en een kwade. Precies zoals in het boek Les paradis artificiels. Want in tegenstelling tot wat men doorgaans denkt, had Baudelaire zeer ambivalente gevoelens over drugs. Aan een vriend schreef hij: ‘Hoed u voor ieder stimulerend middel; (…) ik ken de nadelen van het spul te goed om het mensen aan te raden.’

Redenen genoeg om in dit jubileumjaar, bijna een eeuw nadat de laatste woorden over dit gedicht gesproken zijn door twee kibbelende letterkundigen, nog eens goed naar dit gedicht te kijken, met de mogelijkheid in gedachten dat hier de meester zelf aan het woord is.